Do You Remember Revolution Rinus Martha Chaerle / Leila Benchorf, Maryam Sserwamukoko & Emma Verstraete
Laffe revolutionairen
In ‘Do You Remember Revolution’ vraagt regisseur Rinus Martha Chaerle zich af of we onze revolutionaire spirit verloren zijn. Is het angst die ons verhindert die stap te zetten? Schuilt er achter onze revolutionaire leuzen een diepe angst voor wat er dan volgt? Wat na de revolutie? Als alles kapot is, wat blijft er dan nog over?
We zitten in een loods, langs drie zijden rond het speelvlak, als was het een amfitheater. We kijken naar de zanderige vlakte, naar de spelers, maar ook naar elkaar. Dit doen we samen. Samen beramen we een revolutie.
Als voor de aanvang van een concert horen we strijkers die hun instrumenten stemmen, die zoeken naar de gemeenschappelijke toon, dezelfde golflengte. De spelers lijken zich ook te stemmen, de voorbereiding tot revolutie. Ze omhelzen elkaar innig en gaan elk in hun hoek staan.
Stomme Bloemkool
Het is 25 augustus 1830, vanavond wordt de Stomme van Portici opgevoerd in Brussel. De opera die de katalysator zal blijken voor een revolutie en de uiteindelijke Belgische onafhankelijkheid.
De voorstelling ontplooit zich langs een vrije re-enactment van de opera, wat soms leidt tot een groteske speelstijl.
Op een estafette-achtige manier beginnen Leila Benchorf, Maryam Sserwamukoko en Emma Verstraete met beurtelings een stukje van de geschiedenis te schetsen. Een nodige achtergrond die soms wat aarzelend en opgelegd overkomt. De voorstelling ontplooit zich langs een vrije re-enactment van de opera, wat soms leidt tot een groteske speelstijl. Een legitieme stijlkeuze die er soms een laag lijkt op te leggen, die het stuk echter niet per se nodig heeft en de geloofwaardigheid en impact soms net ondergraaft.
Een bloemkool ligt al sinds het begin midden op de scène. Het enige decorstuk blijkt de stilzwijgende hoofdrol Fenella te zijn. De stomme van Portici, het vissersmeisje dat een revolutie zal ontketenen.
In het sobere decor kunnen de speelse kostuums van Trui Van Landuyt schitteren. De pastelkleurige details tekenen mooi af tegen de zanderige ondergrond, zonder op de voorgrond te treden. In beweging sieren ze de dans van de spelers.
Mythische Revoluties
Fenella weet te ontsnappen uit de kerkers van de buitenlandse overheerser. Woest organiseert haar broer Masaniello met zijn vrienden Pietro (Verstraete) en Borella (Benchorf) gewapend verzet. Het idee dat zijn zus werd verleid en bedrogen door de bezetter is de aanleiding, terwijl de oorzaak al veel langer smeulde. Dat is waar Chaerle de kracht van het verhaal schetst, als het vuur aan de lont van een al explosieve situatie. Het verhaal werkt verbindend, wervend zelfs.
In de assen van de revolutie herkennen we het vuur, de ontsteking, maar niet het brandhout.
Toch schetst de voorstelling mystificatie eerder als een bedreiging dan als een kracht voor een revolutie. In de mythe wordt de vorm belangrijker dan de inhoud en dreigen we aan de idealen voorbij te gaan. In de assen herkennen we het vuur, de ontsteking, maar niet het brandhout.
De link wordt gelegd met de CCC, een gewapende communistische revolutionaire groep uit de jaren 1980. De opstandige vissers uit de opera worden nu tegelijk communistische actievoerders die strijden tegen de bourgeoisie, én hedendaagse zoekende actievoerders. Op scène zien we het moment waarop het voor deze drieledige revolutionairen toch fout loopt. Masaniello vermoordt de agent die Borella onder schot houdt met meerdere messteken. Gecorrumpeerd door geweld onderneemt Masaniello een machtszieke coup en verliest onderweg zijn medestanders. Geïsoleerd en verwaand glijdt hij onder populistisch discours af in zinloos geweld en machtslust.
Hebben we dan toch het verhaal nodig om bloedvergieten te voorkomen? Een verbindende kracht om alleenheerschappij in de kiem te smoren? Of is het net het verhaal dat corrumpeert? Waar de voorstelling eerst de kracht van het narratief lijkt te verdedigen, toont deze wending hoe kwetsbaar die kracht is. Niet omdat verhalen overbodig zijn, maar omdat ze los kunnen raken van de idealen die ze oorspronkelijk dienen. De vraag is dus niet alleen welk verhaal we vertellen, maar waarom we het vertellen.
Alle plekken waar ik meer nodig ben
Masaniello‘s machtsgreep toont hoe dun de grens kan zijn tussen altruïsme en egoïsme, en hoe het verhaal ware autoritaire motieven kan verhullen. Het is onmogelijk hier het huidige politieke post-truth klimaat niet in te herkennen. Narratieven worden naar believen opgeworpen en verworpen voor politiek gewin, polarisatie en zelfs genocide. Terwijl Masaniello zich vereenzelvigt met de stem en wil van het volk, kijken de andere twee verslagen toe hoe hij zijn eigen naam scandeert, het publiek afloopt, vergeefs op zoek naar steun. In een wanhoopspoging, wordt de eerder tot dood geworpen Fenella weer opgevoerd. Triomfantelijk paradeert Masaniello met de gehavende bloemkool. Op prachtige muziek van Robbe Embrechts danst hij bezwerend een verheerlijking van geweld en zichzelf.
In de laatste akte gaan we terug naar de Belgische revolutie. Iedereen is dood, enkel Borella blijft over.
Zijn de doden martelaars of terroristen?
“Alle plekken waar ik meer nodig ben, zou ik niet beter daar zijn,” vraagt Benchorf zich af. Terwijl wij theater maken en op loze wijze oproepen tot revolutie, voltrekken zich genocides onder onze ogen. Ze speelt haar tekst te zijn vergeten, die ze al snel gesouffleerd krijgt vanuit de tribune. Nu spreekt ze duidelijk als zichzelf, ontdaan van haar personage, authentiek, kwetsbaar, ontwapenend. De groteske speelstijl valt weg en plots gaat het niet langer over de revolutie, maar over de verantwoordelijkheid van degene die haar verbeeldt. Waar eindigt de verantwoordelijkheid van de kunstenaar: bij het vertellen van het verhaal of pas na de uitvoering van de revolutie?
In een hedendaags revolutionair klimaat voelt theater maken te banaal en te weinig.
Moeten we ons dan schuldig voelen dat we hier zijn? In een hedendaags revolutionair klimaat voelt theater maken te banaal en te weinig. Maar Benchorf is ook bang voor de revolutie en voor wat daarna komt. Wat treffen we aan als alles kapot is? “Er is een leegte daar waar ik heen wil”, zegt ze. Haar tekst vergeten was haar redding, zo niet was ze gedwongen mee te gaan met het publiek naar de parlementen die zij zouden bestormen.
Samen beramen we hier, in Hangar 1, een revolutie, zo voelt het wel. Buiten raast de stad door. Een tram schuurt voorbij, een bus dendert langs, een vliegtuig vliegt over. Ik waan me in een verborgen CCC-cenakel waar we beslissen welk verhaal we vandaag moeten vertellen. Eenmaal buiten voel ik me revolutionair, maar tegelijk bang om écht het heft in eigen handen te nemen. Schuilt er een laffe revolutionair in mij, of in elk van ons?
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz