Theater

Ik ben een boom Jozefien Mombaerts & Joeri Cnapelinckx

Boomzorg vraagt denkwerk

Met ‘Ik ben een boom’ geeft Jozefien Mombaerts inkijk in haar relatie tot de mannen in haar leven. Het zijn haar bomen. Via haar ongedwongen stijl geeft ze ruimte aan het publiek. Toch is het samen met muzikant Joeri Cnapelinckx zoeken naar een gangbaar wandelpad in het dichtbegroeide bos. Verloren lopen hoort daar ook soms bij. 

Ik ben een boom
Lotte Ogiers Kunstencampus aan Zee, Oostende, in het kader van Theater aan Zee
05 augustus 2026

Sommige voorstellingen hebben veel potentie. Zeker als ze de blik willen scherpstellen op een gevoelig thema als ‘mannelijkheid’. De binnenplaats van de Oostendse Kunstencampus is een geschikt evenbeeld voor ‘Ik ben een boom’ met haar smalle, sierlijke boompjes die wiegen tegen de hoge, robuuste muren die de koer omringen. Ze houden de zon even buiten. De natuurlijke tweedeling is noodzakelijk eenvoudig en oplossingsgericht. Maar waarom blijkt het dan zo moeilijk om tot de kern te komen als het gaat over actuele splijtzwammen als ‘man-zijn’ of ‘vrouwelijkheid’?

In haar casual jeans speelt Jozefien Mombaerts vrijgevig. Ze deelt haar ruimte met ons. ‘Dit mag vooral geen persoonlijke biecht zijn van iemand die professioneel liegt,’ zegt ze. Ze haalt er onze mannen bij wanneer ze het publiek vraagt de ogen te sluiten en aan hen te denken. Er is genoeg plek in deze open binnenruimte. Slechts enkele stammen hebben al wortels tussen deze stenen.

Kleine jongens

Via slam, muziek en tekst spreken en zingen Mombaerts en Cnapelinckx over falende rituelen en het moederschap, over weerloze grootvaders en stille vaders. Of over wereldleiders die beter eens een baby op hun naakte borstkas zouden leggen als remedie tegen hun apathische alfagedrag. ‘Zonder testosteron geen baby’s,’ klinkt het bij Cnapelinckx. ‘Da’s waar,’ geeft Mombaerts meteen toe. Ze haat geen mannen. Ze mist haar mannen. De jongen in zichzelf. Ze plant hen als bomen naast zich neer.

Mombaerts raakt aan de vraag aan hoe jongens de mannen worden die ze in eerste instantie misschien niet zijn.

Mombaerts’ tekst schippert tussen poëtische beschouwingen en herkenbare anekdotiek. Ze spreekt over het jongetje in zichzelf dat haar nu enkel nog uitlacht wanneer ze zich voordoet als een dom meisje tegenover een mannelijke gesprekspartner. Ze schrikt soms van haar vijfjarige zoontje dat ze als feminist probeert op te voeden. Hij waarschuwt zijn mama ‘dat er wat van zal komen als ze zich zo gedraagt.’ Hij is het ook die voor het slapengaan aan haar opbiecht dat hij verliefd is. Terwijl hij zijn love interest op de speelplaats hard toeroept dat hij vooral geen gevoelens voor haar heeft, en dat ze het ook nooit meer moet vragen.

Met die aandoenlijke uitlatingen raakt Mombaerts de vraag aan hoe jongens de mannen worden die ze in eerste instantie misschien niet zijn. Zijn wij nog steeds schuldig aan die onbewuste patronen die we jongens en meisjes tijdens het opgroeien meegeven?

Een soort gemis

Mombaerts werpt mooie en heftige beelden op van littekens, roze donderwolken of haar jagende bramenman. Ze treft hier en daar raak, en toch blijft er een open ruimte liggen die je niet zomaar kan vullen met het beeld van bomen als een ongerept bos. Dat wordt heel duidelijk wanneer Cnapelickx (zogezegd) afwijkt van de woorden die Mombaerts hem in haar tekst gedicteerd heeft. Dat hij zich soms overbodig voelt in zijn gezin, zo biecht de muzikant op. Mombaerts kan enkel schuifelend antwoorden met “Heftig, Joeri. Heftig.” Wat onwennig staan ze naast elkaar, de man en de vrouw. Hier valt de voorstelling stil. Wist ze echt geen ander antwoord te formuleren? De aarzeling brengt de meest fundamentele vraag naar boven: wat verwachten we nu eigenlijk van onze bomen?

 Er sluimert een aftastende voorzichtigheid doorheen ‘Ik ben een boom’.     

In het twijfelende spel tussen de muzikant en de actrice groeit het besef dat Mombaerts’ oprechte schets geen duidelijke lijnen aftekent. Er sluimert een aftastende voorzichtigheid doorheen ‘Ik ben een boom’ alsof de twee zelf nog op zoek zijn naar hun positie tegenover elkaar én tegenover ‘de man’. Hun zoekende eigenheid siert, maar haalt tegelijk ook vaart en zeggingskracht uit de voorstelling. Dit lijkt niet gespeeld te zijn. De muren van de binnenplaats zijn hoog en de gedachten zijn veel.

De boompjes buigen organisch mee op het laatste muziekstuk van Cnapelinckx terwijl Mombaerts zich verwijdert. Openheid geeft zuurstof aan het bos. Misschien is dat wel het allerbelangrijkste. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz