Comedy & Cabaret / Muziektheater

Twinbill: Ik ben Funny + Middle Class Babypunk Funny Bergman / Egon Schoelynck

Geen tijd voor suggestiviteit

Meer en meer makers zeggen op het podium gewoon waar het op staat, zonder zich te verschansen achter veel nuance of metaforiek. Een teken des tijds? Het blijft wel zoeken naar een juiste vorm voor zulke onverbloemde boodschappen. In ‘Twinbill: Ik ben Funny + Middle Class Babypunk’, een tweeluik van twee korte shows binnen Jong Werk op Theater Aan Zee, laat zowel Bibi Roos als Egon Schoelynck een heerlijk antwoord zien.

Uitgelicht door Wouter Hillaert
Twinbill: Ik ben Funny + Middle Class Babypunk
Wouter Hillaert O.666, Oostende in kader van Theater aan Zee
06 augustus 2026

“Zullen we het eens over gender hebben!?” Na de nodige opwarmingsoefeningen vuurt de Nederlandse performer Bibi Roos, die opereert onder de artiestennaam Funny Bergman, haar eigenlijke onderwerp op de zaal af als een stevige rechtse. Ze gaat gekleed in een schreeuwerige boksshort. Ook met haar tattoo’s en witblonde nektapijt is ze het tegendeel van de elegante modelactrice die het nog altijd goed doet op onze toneelscholen. Funny Bergman is robuust, schetterig en onvervaard, op de rand van punk. De zaal aanspreken doet ze met een scheve grimas van ‘ik zal jullie eens’. “Identiteit, kennen jullie dat?”

Is hij een gekostumeerde activist op speed?    

Helemaal anders, maar niet minder direct, zal een halfuur later ook Egon Schoelynck aantreden: kaalgeschoren maar besnord, in een net pak met das, maar ook met een rozig petje en een wasspeld waar een dasspeld hoort te zitten. Gortdroog, als een volautomatisch geweer, raffelt hij af over welke thema’s hij het allemaal zal hebben: van zijn strijd voor gratis kraantjeswater op restaurant, tot nette burgers die op hete dagen toch hun pelouse willen besproeien. Omdat het systeem te groot is om als geheel te revolutioneren, begint hij alvast met de tastbare uitwassen ervan. Is hij een gekostumeerde activist op speed?

We zitten met nog geen honderd mensen op wat bijeen geschoven stoelen in het café van O.666, de culturele hub in de oude vissershaven van Oostende. Het podiumpje is klein, inderhaast opgetrokken. De sfeer heeft iets van ‘cabaret trouvé’ of rokerig cafétheater tegen middernacht. Op nog geen anderhalf uur krijgen we twee solo’s met meer of minder muziek voor de kiezen. Al valt deze ‘twinbill’ onder Jong Theater, het heeft meer iets van stand-up. De afstand tot de zaal is klein, het contact direct. “Mag ik u wat vragen, mevrouw?”

Lesje intersectionaliteit

‘Ik ben Funny’ is geen onterechte titel voor wat Funny Bergman brengt. Humor is haar visitekaartje, maar dan wel van het ongeslepen soort. Eigenlijk doet ze vooral aan parodie. Dat begint al bij haar naam: een knipoog naar Sunny Bergman, de Nederlandse documentairemaker die meermaals de haat van rechts Nederlands over zich afriep met haar activistische docu’s over zwarte piet, seksueel geweld of mannelijkheid. Funny kiest liever de grappige dan de serieuze weg. Ze spot niet alleen met masculiene jongetjes op de speelplaats, maar net zo goed met de nieuwe ‘veilige’ en inclusieve sfeer op de toneelschool (zelf studeerde ze in 2025 af aan ‘Writing for Performance’ aan de HKU in Utrecht).

Je gaat je afvragen of zelfs haar hele optreden geen parodie is op comedy en zijn goedkope publieksparticipatie, zo gechargeerd en weinig fijnzinnig betrekt en bevraagt ze de zaal. Haar gimmicks lijken soms een gimmick op zich – al zou dat ook gewoon haar Nederlandse stijl kunnen zijn: alles direct op je neus, alsof wij een klas adolescente scholieren zijn in plaats van een volwassen publiek. “Identiteit, dat is wie je bent!” Zitten we in een lesje intersectionaliteit voor beginners?

Bovenal brengt Funny Bergman een verhaal, zelfs een statement tegen alle hokjesdenken dat mensen binair opsplitst in man en vrouw. Dat doet ze opvallend illustratief, met onder meer een heel relaas over een bezoek aan het herentoilet in een club in Berlijn, waar een man haar barricadeert omdat ze er niet zou thuishoren. Opgesloten ‘in haar hokje’ verzint ze allerlei strategieën om toch te ontsnappen aan zoveel rigiditeit en vijandigheid.

 Haar show vervelt van komiek cabaret tot breekbaar bekentenistheater.     

Haar show is eigenlijk eenzelfde poging: een verdoken pamflet om haar toehoorders ervan te doordringen dat het toch helemaal niet zo moeilijk is om anderen gewoon te aanvaarden in hun anders-zijn, of ze nu non-binair door het leven gaan of – zoals Funny zelf – als meisje liever met de jongens speelden. ‘Ik ben Funny’ doet die boodschap (“Ich bin wie du”) pas echt aankomen door op het eind alle fun af te leggen en vooral de meerduidigheid van de ‘ik ben’ te onderlijnen: “Ik ben twee versies: de versie die ik was en niet meer wilde zijn, en de versie die ik dacht te willen worden.” Funny blijkt een ‘inter’: een ik tussen de hokjes.

Ook haar show is intussen verveld van komiek cabaret tot breekbaar bekentenistheater. Al voelt het totaalpakket wat onbehouwen, meer verpakking dan grensverleggende inhoud, er spreekt wel iets heel emancipatorisch uit. Alleen al met de rauwe vorm van haar solo maakt Bibi Roos de helft van haar punt. Een ontdekking.

Pop-up muzaktivisme

Net zo eigen voelt ‘Middle Class Babypunk’ van Egon Schoelynck, zeker door alle onnozele speelgoedinstrumentjes in zijn muzikale set-up: van een groen-roze blokfluit en een grote kindermicro tot twee babygitaartjes en zo’n prototypische audiorecorder waarmee kids hun eerste muzikale stappen zetten. Een plastic trompetje, iets van 2 euro in de Action, maakt het af. Kunst creëren begint altijd bij iets waar anderen nog niet zijn opgekomen. Deze show is daar een schoolvoorbeeld van. 

Hoe ironisch zijn instrumentarium er ook uitziet, Schoelynck neemt het heel serieus. Hij wringt er eerst lekker piepende, fluitende en schurende klanken uit, om daar dan met zijn loopstation een repetitief elektro-tapijtje van te weven, waarboven hij korte songs uitstoot. Samen geeft het een getsjingeltsjangel van jewelste, maar wel met een bezwerende puls die er net zo goed iets van maakt voor Pukkelpop.

‘Middle Class Babypunk’ is een speeltuin in meerdere betekenissen.     

‘Middle Class Babypunk’ is dus een speeltuin in meerdere betekenissen. Ontstaan als een gelegenheidshobby voor na de uren (Schoelynck is sinds zijn masterproef aan LUCA Drama in 2020 vooral theatermaker), groeide het van verjaardagsfeestjes tot margefestivalletjes uit tot een autonome creatie. Tegelijk blijft het in al zijn olijkheid duidelijk een liefdesproject. Je kijkt naar een performer die doet waar hij zin in heeft, en dat straalt ervan af. (Of waarom de kunstwerkuitkering – het kunstenaarsstatuut 2.0 – niet alleen goed is voor kunstenaars, maar ook voor de kunst zelf: ze vrijwaart de ruimte voor simpele creatieve goesting.)

Vrijblijvend is Schoelyncks optreden zeker niet. Hij heeft iets van een politieke predikant, zoals hij de kinderspeeltjes van het kapitalisme inzet tegen de dagelijkse symptomen ervan. Heel concreet zoomt hij in op allerlei aberraties van het westerse winstsysteem. Neem de eeuwige recyclage-cyclus die gebiedt dat de postbode ongevraagd reclameblaadjes van de Colruyt in je brievenbus propt, die je dan direct in de papiermand gooit om ze de week nadien braaf mee te geven met de vuilkar, zodat er weer gerecycleerd papier van gemaakt kan worden voor ecologisch verantwoorde reclameblaadjes van de Colruyt.

Schoelynck vangt zijn consternatie daarover in korte persoonlijke vertellingen met telkens een snelle song. Het tempo ligt hoog, zijn mikpunten gaan breed: SUV’s, een huis kopen, foute investeringen van banken, zelfs broodjes met zalm… “No no no, I don’t eat salmon, your breath smells death!” Zijn mix van dagelijkse politiek met poppy rijmdeuntjes, en van vlot Engels met typisch Nederlandse termen als ‘koopkracht’, verhoogt alleen maar het laconieke gehalte van zijn hele show. Schoelynck vond voor zijn rake observaties een heel aanstekelijke vorm, zonder dat die afbreuk doet aan wat hij op ons bord wil liggen. Wel integendeel. Zijn pop-up muzaktivisme is vooral absurd omdat de wereld dat is.

Boodschappen doen

Er was een tijd dat dit soort ‘boodschappen doen’ op een podium graag afgeserveerd werd als moralistisch, ‘preken voor eigen kerk’, te weinig gelaagd. Die tijden zijn gelukkig voorbij, ook omdat de samenleving zelf intussen fel veranderd is. Zeker onder de druk van sociale media werd zowat alle publieke communicatie een vorm van boodschap. Theater heeft het daar lastig mee. Kies je als maker voor de bevrijdende omweg van de nuance, dan ben je algauw te moeilijk. Schreeuw je mee met de massa, dan ben je meteen te makkelijk.

De kunst van de boodschap zit in de vorm én voor wie je ze brengt.     

De kunst van de boodschap zit in de vorm én voor wie je ze brengt. Niet verwonderlijk dat ook gesubsidieerde podiumkunstenaars vandaag vlot uitwijken naar stand-up, cabaret en muziek. Het zijn disciplines die directe communicatie en dringende uitroeptekens heel wat beter verdragen dan de klassieke monoloog. In deze ‘Twinbill’ bewijzen Bibi Roos en Egon Schoelynck hoe overtuigend hun kruisbestuiging kan zijn. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Zin in het beste van pzazz?
Schrijf je in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief met telkens drie tips voor bijzondere voorstellingen.

inschrijven