het gebied Hanna Peeters & Xander Kindt
De eeuwigheid: een onmogelijke verbeelding
Het is duidelijk een issue onder theatermakers vandaag: wat is de eigenheid van het menselijk leven, in een tijdperk waarin machines zelfs de meest vitale functies – ademen, observeren, zelfs denken - kunnen overnemen. ‘het gebied’, de afstudeervoorstelling van Hanna Peeters en Xander Kindt (Conservatorium Antwerpen, Woordkunst) raakt die bezorgdheid aan. Wat maakt een menselijke ontmoeting precies menselijk? Hoe ‘bedacht’ (en dus programmeerbaar) is zo’n ontmoeting? Over dit en veel meer gaat het in ‘het gebied’. Dat levert een zeldzaam empathische voorstelling op.
Is eeuwigheid voorstelbaar? Is dat het niets, het zwarte gat waarin astronauten rondzweven op weg naar de maan? Terwijl ze de aarde zien als een blauwgroen bolletje dat almaar kleiner wordt beleven ze een soort existentiële extase. ‘Hanna Peeters’ is een personage, dat met de figuur ‘Xander Kindt’ een dialoog aangaat in ‘het gebied’. Zij kan zich niet veel bij voorstellen bij het fenomeen dat een toenemende afstand (van ruimteschip tot aarde) net tot een intiemere ervaring van de ‘aarding’ van de mens leidt.
Emotionele grenzen
In tijden waarin het woord ‘veiligheid’ –tot mijn ergernis, als ik eerlijk ben – meer en meer gebruikt wordt om noodzakelijke confrontaties te vermijden of zelfs te verbieden, is deze bedachtzame reflectie van Peeters en Kindt over de grenzen van het verlangen uiterst ter zake – én ontnuchterend. De intimiteit die de voorstelling oproept, overschrijdt ongetwijfeld bij niet weinigen emotionele grenzen. Het huilen dat je daardoor overkomt is tegelijk weldoend en schrijnend.
‘het gebied’ opent met een trigger warning (nog zoiets dat mij meestal ergert), maar dan wel één van de meest algemene soort – en daarmee subversief. Peeters en Kindt, in neutrale blauwe overalls, spreken ons toe met een artificieel klinkende stem, ook leenwoorden als ‘performance’ of ‘soundscape’ klinken on-Engels. Is dit wel hun eigen stem? Hebben zij zich ook al overgeleverd aan de schijn-perfectie van kunsttaal? Ze leggen de conventies van het theater uit, en hoe die te respecteren. Met één essentiële conclusie: alles is verbeelding, en verbeelding is alles. De spelers nodigen ons, in alle bescheidenheid, uit om die verbeelding grenzeloos te laten zijn, misschien zelfs grensoverschrijdend.
We kijken naar figuren, grappig, diepzinnig, soms wat sentimenteel, en de ‘suspension of disbelief’ werkt.
Deze ‘Peeters’ en deze ‘Kindt’ vallen wellicht niet samen met de Hanna en Xander die we achteraf op Café Koer of op de zeedijk zouden kunnen aanspreken. Misschien zijn ze nauw verwant, maar dat is niet eens belangrijk. Wel stellen ze vast, maar ook dat kan fictie zijn, dat ze vier dagen na elkaar geboren zijn in juli 2004. In diezelfde week, 35 jaar eerder, vloog Apollo 11 naar de maan en de maanlander zette daar Neil Armstrong en Buzz Aldrin neer. Ze hebben het overduidelijk gemaakt dat we naar figuren kijken, grappig, diepzinnig, soms wat sentimenteel, en de ‘suspension of disbelief’ werkt.
Kosmische leegte
‘Kindt’ vertelt over een game, die hij speelde als de les hem verveelde, en waarin hij zwarte gaten verzamelde, tot hij uitkwam – hoogste level – bij het absolute niets. Op een ongedwongen manier verbindt hij zo een kosmisch gevoel en een puberale anekdote met elkaar. Ondertussen hebben de spelers de scène omgebouwd van een kale zwarte vlakte tot een soort leefruimte van textiel in gebroken wit. Tijdens de werkzaamheden horen we de beroemde speech van president Kennedy, uit 1962, waarin hij de ambitie uitspreekt om spoedig mensen op de maan te zetten: “We choose to go to the moon in this decade and do the other things, not because they are easy, but because they are hard.” Imperialistische retoriek, allicht, maar toch van een andere orde dan de taal die we vandaag uit het Witte Huis horen (dit terzijde). Ter afsluiting zetten ze maskers op, een kruising tussen een astronautenhelm en een soort hoofddeksel van een holenmens. Zo bewegen ze zich onhandig in de nieuwe omgeving.
Het lijkt wat overtrokken om een ontmoeting met de kosmische leegte en een ontmoeting tussen mensen op aarde (en dan vooral de problemen die dat oplevert, telkens weer) in één dramaturgische beweging te vatten. Maar het lijkt te lukken. Ze gaan daarvoor nog een stap verder dan een decorwissel, Peeters en nodigen het publiek uit om op de scène te gaan zitten. Ze hangen feestvlaggetjes op, en op enkele daarvan staan ‘recepten’ gedrukt om met ontmoetingen om te gaan, de eerste keer, de volgende keer, de zoveelste keer, tot nooit meer, gewild of ongewild. ‘Peeters’ en ‘Kindt’ proberen alles uit met bereidwillige toeschouwers, maar na een tijd gaat het vooral om henzelf, om elkaar.
Overal zit iets ongemakkelijks in, een dreigende mislukking van een rendez-vous, een schuldbewust vermoeden…
Helemaal in het begin hadden ze al gezegd dat hun vriendschap, begonnen bij de toelatingsproef op de toneelschool, aan intensiteit heeft ingeboet. Ze zijn elkaar als het ware verloren. Dat is vreemd, merken ze op, want hoe kan je iemand verliezen die je elke dag, voorspelbaar genoeg, weer tegenkomt. Die paradox overkomt enkel mensen, nergens anders in het universum doet zich zoiets voor. De ‘recepten’ schrijven voor hoe je handen moet schudden, hoe je oogcontact moet maken (of vermijden), hoe je vanuit de verte naar elkaar zwaait, zonder dat het op een vlucht lijkt. Overal zit iets ongemakkelijks in, een dreigende mislukking van een rendez-vous, een schuldbewust vermoeden dat het contact, fysiek of niet, ongepast is. Zoals je je ook kan afvragen of de veroveringstocht, door grootmachten van de ruimte – “This country was conquered by those who moved forward, and so will space”, in Kennedy’s woorden – niet gewoon een voortzetting (of sublimatie) was van het voorbije kolonialisme.
Oprechte zoektocht
Die gedachte, dezer dagen nog versterkt door techno-imperialisten als Elon Musk, werpt wel een schaduw, toch in deze context, over de oprechte zoektocht van deze personages naar zinvolle, respectvolle ontmoetingen. Een zoektocht waarin wij, als publiek, in getrokken, bij betrokken worden. Maar voelen we onszelf daarom bij voorbaat schuldig over elke mogelijke mislukking of ontaarding van een (toevallige) ontmoeting? Elk van deze recepten probeert net dat te vermijden, onhandig of vlot.
Zonder iets te bruskeren komt ‘Peeters’ uit op een eenzame monoloog over de dood, over haar doodsangst, die zonder aankondiging opduikt, maar die eerder tot mijmeringen dan tot paniekaanvallen aanleiding geeft. Zoals de niet zo geruststellende gedachte dat als we ons bewust zouden zijn van de eeuwigheid/oneindigheid als absoluut niets, na onze dood, dat we dan in een letterlijk onvoorstelbare verveling zouden terechtkomen, Sisyphus waardig. Het niets dat de astronauten doorkruisen in de ruimte, dat is de dood in de tijd, letterlijk onmeetbaar.
Verbeelding over het eeuwige niets, dat is de impasse.
Dat niemand erover kan getuigen, over die eeuwigheid, dat is een banale gemeenplaats, maar voor de filosofische verbeelding is het een schatkamer. Hoe een kinderlijke schrik verglijdt in een adolescente existentiële angst, en een precaire rust vindt in een agnostische doodsgedachte, over een eeuwigheid die geen verbeelding meer lijkt toe te laten. Een gedachte die contrasteert met de hoopvolle (en daarom zo wanhopige) hartekreet van Romeo bij de schijndode Julia: “Shall I believe / That unsubstantial death is amorous / And that the lean abhorrèd monster keeps / Thee here in dark to be his paramour?” Een uiterst volwassen inzicht, bij deze spelers/schrijvers van 22 jaar, fluistert de oude paternalist die soms in mij huist. Een inzicht dat misschien ook tot verlamming kan leiden of tot het omgekeerde, namelijk overijver, dat zegt de moralist in mijn achterhoofd.
Verbeelding over het eeuwige niets, dat is de impasse. Er zijn manieren om daaraan te ontsnappen, door recepten te volgen of nieuwe te verzinnen. In een snelle eindscène, een opsomming van handelingen die tot zogenaamde correcte én bevredigende ontmoetingen (zouden) moeten leiden, wordt het even te gemakkelijk, te sentimenteel, te kleinburgerlijk zo men wil. Geïnspireerd op de alternatieve handoplegging die Caro van Thuyne (een inspiratiebron die ze koesteren) aanbeveelt, na confrontaties met de té harde wereld, micro of macro of kosmisch. Maar gelukkig zonder spirituele franje: aanraking als uitdaging, daar is niets mis mee. Handen kunnen ook klam voelen, of net niet. Even bekruipt mij het vervelende gevoel dat in een soort holistische workshop beland te zijn, maar een innige omhelzing van ‘Peeters’ en ‘Kindt’ veegt dat ongenoegen weg. We kijken, we doen niet mee, we nemen afstand, we hebben hen (en onszelf) ontmoet. We voelen een pijnlijk zitvlak en pinken een laatste traan of zweetdruppel weg. Dat doet geen machine ons na,. Voorlopig.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz