Performance

Alles moet weg Dries Verhoeven

Ethics my ass

In een glazen box zit een performer, verkleed als een Disney-Sneeuwwitje met een varkensmasker, opgesloten in een supermarkt, terwijl we haar via beveiligingsbeelden kunnen bekijken – of consumeren? In ‘Alles moet weg’ onderzoekt Dries Verhoeven de logica van consumptie en beeldcultuur. Het verhaal over winkeldiefstal, zelfrechtvaardiging en kapitalisme mondt uit in een choreografie van kijken, die de vraag oproept wie er eigenlijk in het middelpunt staat: de shoplifter of de toeschouwer zelf?        

Uitgelicht door Bas Blaasse
Alles moet weg
Bas Blaasse Lowyck, Oostende, in het kader van TAZ26
01 augustus 2026

Midden in de donkere loods staat een glazen box waarin een supermarktgang is nagebouwd. Het glas is dik en de schappen zijn gevuld met herkenbare producten van bekende merken en huismerken van verschillende supermarktketens. Hak. Bertolli. Unox. Albert Heijn. Jumbo. Rondom de box hangen monitoren waarop het interieur van de ruimte vanuit verschillende camerastandpunten te zien is. In het begin lijkt het zo alsof je meekijkt met het beveiligingssysteem van de winkel.

Je wordt als vanzelf naar de monitoren geloodst.

Achter het glas bevindt zich één performer. Naast haar Sneeuwwitje-kostuum en het varkensmasker, draagt ze witte sportsokken en slippers. De vloer ligt bezaaid met halflege verpakkingen, twee blauwe winkelmandjes, ketchup, mayonaise en etensresten. Je moet moeite doen om haar in de box te kunnen zien, deels door het dikwijls gedimde licht, deels omdat de schappen het zicht belemmeren en er diffuus folie op de deuren is geplakt. Je wordt als vanzelf naar de monitoren geloodst.

Bedrieglijke eenvoud

 ‘Alles moet weg’ is een doorlopende performance en bestaat in grote mate uit de monoloog van de performer, gebaseerd op interviews met winkeldieven en mensen die winkeldiefstal als vorm van verzet beschouwen, en op teksten van onder andere Jean Genet, Karl Marx en Slavoj Žižek over diefstal en consumptie. Haar stem horen we licht vervormd uit de luidsprekers onder de schermen komen. Haar verhaal echoot door de ruimte. Iedere dertig minuten kunnen bezoekers binnenkomen. Twee performers, Annica Muller en Isadora Tomasi, wisselen elkaar na elke cyclus af, vrijwel zonder dat je het merkt. Ze komen in het donker op, als schoonmakers, waardoor de wissel als het ware deel wordt van de voorstelling. Tegelijkertijd krijgen ze de gelegenheid om de ruimte minimaal op te ruimen en schoon te vegen, net genoeg om de volgende cyclus aan te vatten, terwijl de scène het karakter behoudt van een ruimte waarin de resten van de voorgaande taferelen nog altijd aanwezig zijn        

Het gevoel blijft aanwezig dat de voorstelling zich onafhankelijk van je voltrekt, in een wereld zonder uitweg.

Alles wekt de indruk dat we midden in een scène stappen die al veel langer aan de gang is. Toch kent de voorstelling, ondanks haar continue vorm, een duidelijke dramaturgische opbouw. Dat wordt duidelijk als je langer blijft. Ook al kunnen bezoekers in feite op ieder moment binnenkomen en vertrekken, waardoor het aanvankelijk lijkt alsof de voorstelling geen einde kent, is de voorstelling zorgvuldig gecomponeerd, met een toch herkenbaar begin, een ontwikkeling en een slot. Niettemin blijft het gevoel aanwezig dat de voorstelling zich onafhankelijk van je voltrekt, in een wereld zonder uitweg.

De scenografie helpt daarin en is sowieso vrij herkenbaar voor wie bekend is met het werk van Dries Verhoeven. Enerzijds werken zijn performances vaak met geladen maar eenvoudige, contrastrijke en visueel sterke beelden, doordacht en zorgvuldig vormgegeven. Anderzijds doen ze dikwijls een eenvoudige ruimtelijke ingreep die een specifieke verhouding tussen performer en publiek creëert. Een glazen box waarin een performer is opgesloten, bijvoorbeeld. Ook hier is de scenografie niet alleen decor of aankleding, maar dirigeert ze in sterke mate hoe de voorstelling kan worden ervaren en hoe de toeschouwer zich ertoe verhoudt. De supermarkt in de afgesloten ruimte, de schappen die het zicht belemmeren en de monitoren met beveiligingsbeelden suggereren de wereld van een supermarkt. Maar belangrijker: ze creëren een choreografie van kijken en ervaren die de meest spannende vragen oproept.

De weg van de minste weerstand

Aanvankelijk lijken die vragen tamelijk helder. Althans, de performer vertelt hoe zij zeven jaar geleden begon met winkeldiefstal en probeert haar handelen voortdurend, stap voor stap, moreel te rechtvaardigen. De thematiek lijkt zo die rechtvaardiging te betreffen. De supermarkt is voor haar het symptoom van aandeelhouderkapitalisme: een plek waar aandeelhouders belangrijker zijn geworden dan mensen, waar ecologische en sociale kosten worden afgewenteld op kleine producenten en consumenten, en waar individuele verantwoordelijkheid heeft plaatsgemaakt voor collectieve gemakzucht en zelfgenoegzaamheid. “Ethics my ass”, smaalt ze. Haar winkeldiefstal noemt ze een bescheiden poging om dat evenwicht te herstellen, een vorm van “micro justice”.

De positie van de performer en het register van systeemkritiek zijn evenwel een stuk minder eenduidig dan het in eerste instantie lijkt. Haar motieven blijken nogal dubbelzinnig; haar politieke argumenten gaan voortdurend hand in hand met heel andere drijfveren. Ze vertelt dat gestolen producten nu eenmaal beter smaken. Dat ze een dure smaak heeft. Dat ze geniet van de adrenaline, van de mogelijkheid om betrapt te worden, van de seksuele opwinding zelfs die het spel met beveiligingscamera’s oproept. Zijn dit ironische bekentenissen die haar politieke verhaal ondermijnen? Of maken ze juist zichtbaar hoe politieke overtuigingen, verlangens en zelfrechtvaardiging omslaan in een soort spottend zelfbewustzijn, of zelfs in elkaar overlopen?

Het is maar de vraag wie in deze voorstelling echt in het centrum staat.

Terwijl haar monoloog maar doorgaat, begint de verhouding tussen performer en publiek steeds meer op te vallen. De performer staat of zit in het absolute centrum van de ruimte en bevindt zich continu op hoogstens enkele meters afstand. Toch voelt het verrassend lastig om haar rechtstreeks te bekijken, en niet alleen door de eerder genoemde fysieke belemmeringen. Het kost sociale moeite om haar te bekijken. Je moet op je tenen staan, je bukken, tussen de schappen doorkijken. Je voelt je een gluurder, zeker wanneer haar kleren uitgaan. Het is maar de vraag wie in deze voorstelling echt in het centrum staat.

Zo roept de opstelling naast surveillance gemakkelijk associaties op met voyeurisme, thema’s die vaker terugkeren in Verhoevens werk. Maar zij lijkt ook nog iets anders te doen. De voorstelling zet een situatie op touw waarin onmiddellijke aanwezigheid en een lichamelijke verstandhouding lijken te worden afgetroefd door bemiddeling en haar representatie. Want de verleiding van het scherm, in combinatie met de stem die schalt uit de luidsprekers en je aandacht eveneens van de box wegtrekt, werkt. Verreweg de meeste bezoekers richten hun blik niet op de supermarktgang en de performer maar op de monitoren.

De performer is letterlijk aanwezig en vlakbij, maar we ervaren haar grotendeels via opnamen, luidsprekers en schermen en lijken daarvoor te kiezen. De weg van de minste weerstand? Dat lijkt meer dan een illustratie van de wereld die haar monoloog beschrijft. De scenografie is in zekere zin een weerspiegeling van die wereld zelf. Terwijl de performer spreekt over een samenleving waarin relaties, consumptie en identiteit steeds sterker door beelden worden vervangen, komt ook de verhouding tussen performer en publiek volgens precies die verhouding tot stand.

Zonder uitweg?

Die relatie verandert nog verder wanneer de performer een selfiecamera oppakt en zich tot haar denkbeeldige volgers richt. De beveiligingsbeelden worden aangevuld en langzaam vervangen door beelden die zij zelf maakt. Eerst is zij het object van toezicht, dan wordt zij zelf een producent van beelden, een content creator. Maar betekent dat ook dat zij de controle over haar representatie terugneemt? Of laat de voorstelling juist zien hoe moeilijk het is om buiten die beeldcultuur te treden? Buiten de logica van het kapitalisme te stappen? De influencer, de activist, de shoplifter en de performer blijken maar moeilijk van elkaar te onderscheiden, met één constante: consumptie.

Het maakt dat ook de zorgvuldige compositie van de voorstelling zelf begint te lezen als een spiegelbeeld van de orkestratie waarmee het kapitalisme alles in een consumptiegoed converteert. De voorstelling laat zich tegelijk niet helemaal reduceren tot een kritiek op het kapitalisme of consumentisme. Ze vormen althans niet het enige plot. Ze schept vooral de indruk van de afwezigheid van een buiten. Even belangrijk blijft daarmee de vraag hoe we onze morele posities onderbouwen en hoezeer dubbelzinnigheid daarin onontkoombaar lijkt. De performer probeert haar handelen voortdurend onder te brengen in een groter verhaal – over ecologie, ongelijkheid, woningnood enz. – en de voorstelling bevestigt noch verwerpt dat verhaal.

De supermarkt is tegelijk consumptieruimte en theater en het theater is tegelijk een supermarkt en een consumptieruimte – van beelden.

Uiteindelijk lijkt ‘Alles moet weg’ vooral de toeschouwer op elk front medeplichtig te willen maken. Als het verhaal van de performer onderzoekt hoe morele rechtvaardiging ontstaat, en hoe verlangens, overtuigingen en ideologie zich tot elkaar verhouden, dan gebeurt dat telkens op een manier die vragen over je eigen positie onvermijdelijk maakt. Dat lukt lang niet altijd en het zou een magere inzet zijn als het bleef bij de letterlijke tekst. 

Het zijn, boven alles, de scenografische choreografie en diens allegorische functie die de aangesneden thematiek interessant maken. De supermarkt is tegelijk consumptieruimte en theater en het theater is tegelijk een supermarkt en een consumptieruimte – van beelden. De shoplifter is activist, influencer, performer en misschien vooral iemand die probeert te overleven in een wereld waarin de logica van het consumptiekapitalisme zo dominant is dat het alles opslokt. Of ze zich er nu tegen probeert te verzetten of niet, als content creator maakt deze vermomde en gemaskerde protagonist er gulzig gebruik van – en in iedere situatie blijft de bezoeker die tamme consument, die meent dat ze na de voorstelling gewoon weer naar buiten kan, omdat nabijheid en daarmee een zekere vorm van inleving en identificatie gemakkelijk kunnen worden vermeden.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz