Bartók/Beethoven/Schönberg Opera Ballet Vlaanderen / Anne Teresa De Keersmaeker
Brandend actuele klassiekers
‘A la flamande’ is de slagzin van Opera Ballet Vllaanderen (OBV) dit seizoen. Het gaat uiteraard niet om asperges, wel om de vraag in welk Vlaanderen we willen leven. Toegepast op dans gaat het over wat dans uit Vlaanderen sinds de jaren 1980 zo bijzonder maakte. Die steekt dan ook sterk af bij het gros van de buitenlandse dans door een zekere tegendraadsheid, bewegingen die niet voluit mooi, lieflijk, virtuoos zijn, maar ook hun tegendeel. Geen krachtiger voorbeeld daarvan dan het oeuvre van Anne Teresa De Keersmaeker. OBV eert haar werk door drie van haar klassiekers op het repertoire te nemen.
‘Quatuor n°4’ was oorspronkelijk een (belangrijk) deel van de voorstelling ‘Bartók/Aantekeningen’ (1985) maar keerde een jaar later al terug in ‘Bartók/Mikrokosmos’ (1986). Het opmerkelijke aan de dans is dat ze de complexe structuur van het vijfdelige strijkkwartet van Béla Bartók wel volgt wat het ritme betreft, maar de ingewikkelde contrapuntische aard ervan als het ware negeert: de vier danseressen voeren, op enkele schaarse momenten na, de dans unisono uit.
Rokjes en bottines
De vier vrouwen dragen wijd uitwaaierende, schoolse rokken en een zwart bloesje, maar wel met stevige bottines. Ze hebben, in hun landerige eerste passen, als de strijkers nog zwijgen, of in de uitgelaten sprongen later, beslist iets van jonge vrouwen die maar net de schoolbanken verlieten, maar zeker geen doetjes zijn. Zoals ze door hun haren strijken of flirterig en wat pesterig hun rokken optillen weten ze duidelijk al heel goed welk effect ze hebben en hoe intimiderend ze kunnen zijn. Toch voel je ook onzekerheid en een verlangen naar de grote liefde.
De vier dansers van OBV (ik zag Valeria Marangelli, Lisa Mariani, Cassandra Martin en Madison Vormastek) hebben de vormentaal van het ondertussen veertig jaar oude origineel perfect onder de knie. Het strijkkwartet van OBV, Maximilian Lohse, Nandor Forkas, Béatrice Derolez en Jadranka Gasparovic, begeleidt hun uitstekend. Toch miste ik iets, al kan ik er nauwelijks de vinger op leggen. Het heeft te maken met de manier waarop mensen, vrouwen in dit geval, zich houden.
De aandacht verschuift van het theatrale van de dans naar de nog steeds verbluffende structuur van de choreografie.
Hoe mensen zich voordoen is namelijk zoiets wat bijna onmerkbaar verandert doorheen de tijd. Toen De Keersmaeker het werk veertig jaar geleden creëerde stileerde ze treffend hoe jonge vrouwen toen naar buiten kwamen: vol branie, uitdagend, maar kwetsbaarder dan ze zouden toegeven. Het materiaal was de vertolkers van toen op het lijf geschreven. Zoals ze toen samenzweerderig rondsprongen, ik zie het jonge vrouwen vandaag niet meer zo snel doen. Hoe secuur de danseressen van OBV de bewegingen vandaag ook uitvoeren, je voelt dat het minder ‘hun ding’ is, dat ze de bewegingen niet zo persoonlijk beleven. Dat heeft ook zijn voordeel: de aandacht verschuift van het theatrale van de dans naar de nog steeds verbluffende structuur van de choreografie. Maar misschien beeld ik het me ook maar in, uit nostalgie naar de jaren 1980?
Explosief
Dat gevoel van een tijd die onherroepelijk voorbij is had ik veel minder bij de ‘Grosse Fuge’. Ludwig van Ludwig van Beethoven schreef het werk in 1825 oorspronkelijk als slot van zijn laatste strijkkwartet nr. 13 maar gaf het daarna, met een gewijzigd einde, uit als een apart werk. Het werd hem destijds niet in dank afgenomen, maar zelfs vandaag is het door zijn complexe fugatische variaties op twee thema’s geen werk dat je snel mee neuriet. Maar het staat wel als een huis. De Keersmaeker verwerkte het aanvankelijk als een apart deel in ‘Erts (1992), een voorstelling zo barstensvol ideeën en thema’s dat ze er nog jaren op verder zou werken.
‘Grosse Fuge’ was het meest dansante deel van deze voorstelling waar ook video een hartig woordje in meesprak. Het werd gebracht door vier mannen en één vrouw, Cynthia Loemij, maar de energie was duidelijk mannelijk. Anders dan bij ‘Bartók’ is er hier een krachtige relatie tussen de architectuur van Beethoven en die van de choreografie. Het is een dans van wijdse sprongen en krachtige uithalen, maar ook een dans die de spanning tussen verticaliteit – springen in de lucht – en horizontaliteit – rollen over de grond – tot het uiterste exploreert met een explosieve energie. Dat explosieve is aan de acht dansers van OBV meer dan besteed: ze doen het werk alle recht aan.
Warme gloed
De kers op de taart van deze compilatievoorstelling is ‘Verklärte Nacht’ op de gelijknamige muziek van Arnold Schönberg. De componist inspireerde zich op een verhaal van Richard Dehmel over een vrouw die haar geliefde bekent dat ze het kind van een ander draagt. Die bevestigt daarop zijn liefde en zegt grootmoedig toe om mee zorg te dragen voor het kind. Het is een, voor Schönbergs doen, ongewoon romantische, oor-strelende compositie. De eerste versie dateert van 1899, maar de componist keerde er herhaaldelijk naar terug, onder meer met de bewerking voor strijkorkest (1917) die we hier horen. Het strijkorkest van OBV onder leiding van Alain Franco brengt het met veel detail, en verleent het werk zo een warme gloed.
De Keersmaeker brengt het verhaal als een reeks variaties van de complexe emoties die de muziek verklankt.
De Keersmaeker creëerde het werk voor het eerst in 1995, ter gelegenheid van een avond rond Schönberg in de Munt, maar nam het later op in ‘Woud’ (1997). In die voorstelling stonden vijf mannen tegenover twee vrouwen (Samantha Van Wissen en Cynthia Loemij) in een dromerig decor van Gilles Aillaud. Hij liet een fel licht, als van een volle maan, door een woud van naakte boomstammen schijnen. De mannen bleven lange tijd bewegingloos, rug naar het publiek, naar die bomen staren terwijl van Wissen en vervolgens Loemij hun stille wanhoop dansten. De Keersmaeker volgt inderdaad het verhaal, maar dan niet als een plot met goede afloop, maar als een reeks variaties, dicht tegen de muziek aan, van de complexe emoties die de muziek verklankt. Het eindigt, anders dan bij Dehmel, niet ondubbelzinnig goed: De Keersmaeker laat de choreografie uitlopen op een open, zij het hoopvol einde.
De versie die te zien is bij OBV herneemt deze configuratie, maar dan met acht vrouwen en acht mannen. Toch verandert dat weinig aan de subtiele, fysieke evocatie van de schuchtere toenadering van een vrouw tot een man die haar – naar de moraal van de late 19e eeuw – had kunnen ‘verstoten’. Het verhaal krijgt, door de vele variaties en nuances, een haast tijdloze waarde als een vertolking van pijnpunten en momenten van verbinding, in een eeuwige strijd én zoektocht naar nabijheid. Op zijn manier blijft dat brandend actueel.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz