De zaak Makropoulos Opera Ballet Vlaanderen / Dennis Russell Davies / Kornél Mundruczó
Onleefbaar: het eeuwig leven
Precies honderd jaar oud, maar nog steeds van een moderniteit die de luisteraar perplex achterlaat: met ‘Věc Makropulos’ (1926) schreef Leoš Janáček een opera die letterlijk en figuurlijk ontsnapt aan tijd en ruimte. Komedie, thriller, of toch een met science fiction bestoven meditatie omtrent leven en dood? Kornél Mundruczó, naast cineast ook theater- en operaregisseur, omarmt het hele spectrum van het libretto, in wat een even ongrijpbare als esthetische enscenering is.
Van de negen opera’s die Leoš Janáček (1854 – 1928) zou voltooien, schreef hij bijna de helft in het laatste decennium van zijn leven. Dat ‘Katja Kabanova’ (1921), ‘Het sluwe vosje’ (1924) en ‘Uit een dodenhuis’ (1928) nog steeds tot de meest spraakmakende partituren uit het interbellum worden gerekend, berust op de artistieke vervolmaking van ’s mans stijl. Folklore, gesproken taal, weelderige orkestratie en een uiterst expressieve instrumentale zowel als vocale prosodie: Janáček integreerde deze elementen tot een volstrekt eigenzinnige muzikale grammatica.
De absurde sci-fi thriller ‘De zaak Makropoulos’, inhoudelijk het buitenbeentje binnen Janáčeks eerder op psychologie en verbeeldingskracht gefundeerde oeuvre, grossiert evenzeer in een idioom met een karakteristieke zeggingskracht. De compositie is een broeikas van drift en suspense, waarbij de partituur zich ontvouwt als een spanningsveld tussen het tastbare en het mysterie – stuurloos dobberend tussen het verlangen en het verlangde.
Bond zonder Naam
Het narratief is, zelfs naar de maatstaven van auteur Karel Čapek (1890 – 1938), behoorlijk surrealistisch. Nu het ellenlange proces ‘Gregor vs. Prus’, een conflict over een al lang verjaarde nalatenschap, zijn ontknoping nadert, duikt ineens Emilia Marty (Aušrinė Stundytė) op, een operadiva die via een levenselixir al 337 op aarde verblijft. Haar initialen verklappen dat ze een alter ego is voor zowel zigeunerin Eugenia Montez als voor minnares Ellian MacGregor en voor jonkvrouw Elina Makropulos, dochter van de lijfarts van wijlen keizer Rudolf II. Hoe die verschillende identiteiten in elkaar haken, lijkt Čapek minder te interesseren dan zijn gegoochel met uiteenlopende genres tot een ontroerend orgelpunt te brengen. Terwijl E.M. met haar schier oneindige jeugd alle mannen uit haar omgeving in haar macht lijkt te hebben, krijgt het bestaan voor haar almaar minder betekenis in het licht van de oneindige repetitie der dingen. In termen van Bond zonder Naam: er is sterfelijkheid nodig om het leven naar waarde te kunnen schatten.
Pas na haar aanraking met de dood, krijgt het bestaan voor E.M. terug een werkelijkheidsgehalte. Kornél Mundruczó verbeeldt die gedachte wondermooi, door in de finale alle decorstukken enkele meters boven de toneelvloer te laten zweven. De luister waarmee Emilia Marty zich als levende legende liet omringen, is plotsklaps verworden tot bijzaak. Moederziel alleen gelaten, kan de diva haar rol eindelijk tot op het laatst uitzingen. Haar graf is een baken van licht, de dood een welgekomen verlossing.
In haar luxueuze loft toont E.M. haar ware gelaat: kaal, in lompen gehuld en onderworpen aan baxters.
In wat voorafgaat, concentreert Mundruczó zich op de eenzaamheid en de existentiële erosie van Emilia Marty, die in schril contrast staat met de hyperkinetische bedrijvigheid om haar heen. In haar luxueuze loft toont E.M. haar ware gelaat: kaal, in lompen gehuld en onderworpen aan baxters. Dat ook haar afgetakelde façade nog steeds alom wordt aanbeden, is een moeilijk te verklaren anomalie binnen Mundruczó’s universum. Enkele opzichtige futuristische accenten of een overbodige videoprojectie splijten het visuele register verder uiteen. Verdienstelijk is weliswaar dat de regie het werk met een focus op de protagoniste daadwerkelijk interpreteert, maar met de atypische dramaturgie van voortdurende invallen door personages van emotioneel bordkarton weet Mundruczó zich nauwelijks raad.
Auditief vuurwerk
Is ‘De zaak Makropoulos’ überhaupt te ensceneren? Dat de opera niet zelden (semi-)concertant wordt opgevoerd, is een teken aan de wand: weinig regisseurs gaan de uitdaging aan, en eerlijk gezegd, het publiek heeft alleen al aan de muziek een vette kluif. Anno 2016 ging Mundruczó’s mise-en-scène niet onverdienstelijk in première bij Opera Ballet Vlaanderen onder het baton van Tomaš Netopil. Tien jaar later dirigeert de inmiddels hoogbejaarde Dennis Russell Davies het Orchestre National de Lille, met twee uur auditief vuurwerk tot gevolg. De Amerikaan lijkt, anders dan menig collega, nauwelijks detaillering uit te lichten. Transparantie en structurele helderheid zijn de basisprincipes van een uitvoering die aan de oppervlakte doodsimpel lijkt, maar in wezen aartsmoeilijk te realiseren is.
Is geen personage het eeuwig leven beschoren, dan toch zeker deze partituur…
Verder niets dan lof voor de orkestbak, met hout- en koperblazers in glansrollen. Vocaal zetten Aušrinė Stundytė, Denys Pivnitskyi, Robin Adams, Jan Hnyk en Paul Kaufmann op hun beurt uitnemende vertolkingen neer. Waar de regie zich halfslachtig verhoudt tot Čapeks rariteitenkabinet, ontrafelen dirigent en orkest de verrukkelijke veelzijdigheid van Janáčeks genie van de eerste tot de laatste noot. Is geen personage het eeuwig leven beschoren, dan toch zeker deze partituur…
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz