BULK Wunderbaum
De haven slaapt nooit
Het heeft iets wanhopigs, deze muziektheatervoorstelling van Wunderbaum – alsof de redelijke taal tekortschiet en de Nederlandse theatergroep alleen nog maar woorden kan bijeenbrengen; zingend, zeggend, schreeuwend. Hoe kan theater vandaag nog iets vertellen over de consumptiemaatschappij en zijn monsterlijke politieke, sociale, ecologische en psychologische gevolgen? ‘BULK’ balanceert tussen gimmick en grimmigheid en valt net aan de juiste kant.
Wat een uitzicht, daar op de Oostendse scheepswerf waar ‘BULK’ zijn Belgische première kent. Tegen het canvas van de zachtjes zakkende zon kijken we uit over de vaargeul, met links de oude Oostendse vismijn – of wat ervan over is – en rechts de majestueuze woontorens van het nieuwe stadsdeel Oosteroever, waar de kapitaalkrachtigen hun stekje hebben. Er zijn er die werken en er zijn er die genieten van de opbrengst van dat werk. Wie wil weten hoe de wereld in elkaar zit volgt gewoon de stroom aan geld en consumptiegoederen: hun richting en aard vertellen meer over de politieke en sociale machtsverhoudingen dan eender welk politicologisch naslagwerk.
Tegen het decor van globale handel zet de Nederlandse spelersgroep Wunderbaum zijn container op, met daarin muzikanten Moritz Bossmann en Wilhem Hinkel – all the way from Berlin, want het zou naïef zijn om te denken dat de culturele sector niét meespeelt in het globale neoliberale spel. Ze zit net zo goed gevangen in de logica van verkoopbaarheid en concurrentiedrang als eender welk andere domein, alleen zijn andere sectoren er gewoon wat eerlijker over. Dat Wunderbaum in juli vorig jaar het nieuws kreeg zijn structurele subsidies te verliezen maakt ‘BULK’ extra wrang. ‘Misschien moeten we heel even opnieuw beginnen’, is een terugkerend mantra in de voorstelling – maar zo’n reset op commando had de groep wellicht niet voorzien.
De korte introductie tot ‘BULK’ is een gesprek via radioverbinding met het traffic control center dat de inkomende en uitgaande schepen monitort in de Belgische havens, en de mastodonten – soms tot 399 meter lang – voorziet van loodsen. Het is een schoolinterviewtje dat het publiek iets leert over de bijna niet te bevatten omvang van deze economische slagader (tot 24.000 containers op één schip, zestig schepen per dag) maar ook over de kwetsbaarheid van de productieketen: één loods die zijn dagje niet heeft en de wereldhandel valt zowat stil. De vijf spelers (Maartje Remmers, Matijs Jansen, Walter Bart, Wine Dierickx, Marleen Scholten) lijken vooral benieuwd naar de inhoud van al deze containers en daar trapt ‘BULK’ mee af: onder aanzwellende drumslagen van Bossmann sommen ze samen de namen van snoepjes op die de haven worden binnengebracht. Ze gaan er absurd lang mee door, om daarna associatief over te gaan naar diepvriesproducten, koelboxen, parasols en zomerspullen.
Wunderbaum probeert via de eindeloze opsomming van spullen vat te krijgen op wat dat dat is, dat veel bekritiseerde begrip ‘consumptie’.
De tekst kondigt zich vanaf nu aan als een aaneenschakeling van woorden binnen bepaalde betekenisvelden, die op hun beurt schijnbaar associatief aan elkaar worden geschakeld, maar niets is minder waar. De opsomming van exuberante luxeproducten (‘Een toiletpapierhouder met bluetooth! Een churros maker!’ Een digitale hoed!’) komt vlak voor de woordenwolk van materiaal voor grensbewaking – en zo komen we vanzelf van de tot onnozelheid gedreven luxe van de een naar datgene wat nodig is om deze luxe te vrijwaren en ‘beschermen’: detectiepoortjes, handboeien, inkt voor paspoorten. De opsommingen doorkruisen ruimte maar ook tijd: wie peper, goud, edelstenen hoort wordt mentaal terug geslingerd naar het kolonialisme van de VOC-tijden, een kolonialisme dat vandaag op zijn best is vervangen door een lagelonenslavernij. Dat de goederen voor het verzorgen en perfectioneren van het lichaam (dagcrème - nachtcrème - fillers - botox…) vervloeien naar de opsomming van allerlei soorten doodskisten is ook al geen toeval, maar een memento mori. In verschillende muzikale formats probeert Wunderbaum zo via de eindeloze opsomming van spullen vat te krijgen op wat dat dat is, dat veel bekritiseerde begrip ‘consumptie’: een koorzang over graansoorten, een slaapliedje over chemicaliën, een Duitse rap over airbags. De woordenreeksen zijn ontdaan van verdere inhoudelijke mededeling, ze zijn enkel nog vorm, een vorm die tot uitputting leidt.
Het gaat niet alleen om wat er in onze havens binnenkomt, maar ook over de richting waarin de goederen zich bewegen en de impact van hun ononderbroken beweging – de radioverbinding met het controlecentrum blijft op de achtergrond voortdurend aan, de haven slaapt nooit. Met een hoog stemmetje zingt Matijs Jansen een lied over het illegaal verschepen van vuilnis (‘asbest aangemeld als Duplo’) en het herverpakken van voedingsmiddelen om hun ware herkomst te verdoezelen. Zonder dat Wunderbaum daar één coherente zin aan wijdt is de strekking duidelijk: de toys from China komen massaal en goedkoop onze richting uit, de brokstukken daarvan dumpen we in minder kapitaalkrachtige landen. Degene die ooit oprecht dacht dat vrijhandel voor vrede en welvaart voor iedereen zou zorgen (die illusie met die bootjes en hoog tij) zou zich vandaag omdraaien in zijn graf. Ook wapens en oorlogstuig maken bovendien frictieloos deel uit van de handelsketen: met hetzelfde gemak (en dezelfde ‘neutrale’ benadering, het is maar handel) verschepen we zowel Leopard tanks als Tamagotchi’s. De belofte van vrede door wereldhandel is een al lang doorprikte leugen, over globale rechtvaardigheid zullen we maar helemaal zwijgen.
Meer nog dan de politieke implicaties van de globalisering onthouden we uit ‘BULK’ de fysieke en mentale ervaring van veelheid – door de gekozen vorm, die van de nevenschikking zonder grammatica, overheerst de sensatie van het consumeren als een blinde, alles wegvagende stroom, die niet alleen verantwoordelijk is voor het verdwijnen van Amazonewouden, maar ook binnenin ons alles vernietigt. Materialisme is de nieuwe religie, en zo vervormt de taal van ‘I think I miss the church’ naar ‘Ik wil een nieuwe jurk’. En zo staat ook de radioverbinding in ons hoofd nooit uit, waardoor we eenvoudige behoeften als rust en slaap opnieuw gaan uitbesteden aan bedrijven die ons verkopen wat we nodig hebben: power food - power nap - power yoga. Dat dat systeem afstevent op een crash, ziet een kind.
Het lijkt een hartverscheurende laatste poging om iets gezegd te krijgen over datgene waarover al zo veel verontwaardigde theatervoorstellingen zijn gemaakt.
Met de vorm die Wunderbaum kiest voor deze maatschappijkritiek – een schijnbaar onuitputtelijke aaneenrijging van liedjes en choreografieën – neemt de groep een risico. Voorspelbaarheid ligt op de loer, en dan wordt de vraag ‘Wat gaan ze nu weer opsommen?’ niet meer dan een oninteressante grap. In de zwakste momenten verliest ‘BULK’ effectief zijn spankracht en wordt het een flauwe pastiche, maar op zijn best – en dat is eigenlijk wanneer de droge opsomming van woorden overheerst – lijkt het een hartverscheurende laatste poging om iets gezegd te krijgen over datgene waarover al zo veel verontwaardigde theatervoorstellingen zijn gemaakt. Dan doet de taal zelf het werk: de veelheid aan woorden werkt als een mantra, niet eentje dat tot rust brengt, maar eentje dat met verstomming slaat. Het teveel slaat ons plat. Stoppen, even gaan liggen en misschien opnieuw iets voelen is dan een bewuste daad van verzet. Om daarna opnieuw te beginnen, net zoals Wunderbaum zelf dat zal moeten doen. De vraag is natuurlijk: hoe?
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz