Norma De Munt
Beelden op zoek naar drama
Na een eerdere productie in het covidjaar 2021 brengt de Munt Vincenzo Bellini’s ‘Norma’ in de regie van Christophe Coppens opnieuw op de planken. In een uitgesproken beeldende enscenering lijkt Coppens het drama te willen verplaatsen naar een hedendaagse wereld, maar de inhoudelijke en theatrale uitwerking blijft opvallend terughoudend.
Het verhaal van ‘Norma’ beschrijft een driehoeksrelatie tegen de achtergrond van een sluimerend politiek conflict. De Gallische druïdepriesteres Norma heeft een geheime verhouding en twee kinderen met Pollione, proconsul van de Romeinse bezetter. Die bedriegt haar echter met de jongere priesteres Adalgisa. Wanneer Norma dit te weten komt, stelt ze Pollione voor de keuze: of hij laat Adalgisa vallen en kiest voor haar, of hij wordt geofferd als startschot voor de Gallische opstand tegen de Romeinen. Pollione kiest voor Adalgisa, maar het is uiteindelijk Norma die haar eigen verraad bekent en op de brandstapel eindigt, in haar zelfopoffering gevolgd door Pollione.
Zelfs tijdens het iconische ‘Casta Diva’ hangt er een auto boven Norma, die ook enige tijd heen en weer bengelt.
De enscenering verplaatst dit verhaal naar een wereld van beton en autowrakken die doet denken aan een stedelijke achterbuurt of een verlaten industriezone. In een grijze open ruimte is er slechts hier en daar plaats voor een troosteloos plukje groen, dat het verval alleen maar sterker benadrukt. Terugkerend motief zijn de auto’s (en wrakken) die op allerlei manieren op de bühne komen: bungelend uit de hoogte, opgetrokken uit een plas water of eenvoudigweg voortgeduwd over de grond. Zo hangt er zelfs tijdens het iconische ‘Casta Diva’ een auto boven Norma, die ook enige tijd heen en weer bengelt. Het verbaast dan ook niet dat het een auto is die in de slotscène op de bühne wordt gereden en in brand wordt gestoken met Norma en Pollione erin.
Een façade van urgentie
Het blijft lastig om in deze scenografie iets te lezen wat de auto’s boven de status van visueel leidmotief verheft. De visuele aankleding suggereert een actualiteit die verder nauwelijks wordt uitgewerkt. In de ouverture wordt weliswaar het thema van geweld van de massa aangesneden via een steeds wreder wordende afranseling, zichtbaar door een gleuf op middenhoogte in de betonnen muur vooraan de scène: schoppen en slaan, verscheuren als honden, uiteindelijk levend verbranden. In wat volgt is de rol van die groep – het koor – echter beperkt tot datgene wat de partituur voorschrijft. Nergens is voelbaar dat er vanuit de regie zelf een inhoudelijk belang aan wordt toegedicht.
De regie lijkt dan ook meer geïnteresseerd in het creëren van afzonderlijke, grootse beelden. Voor elke scène wordt een op zichzelf overtuigend tableau geschapen, maar de verdere dramatische invulling daarvan ontbreekt bijna volledig. Behalve in de grootsheid van de beelden en in de ouverture wordt het medium theater dan ook nauwelijks ingezet; de beelden zijn bijna volledig statisch. Het resultaat is een voorstelling die weliswaar uitgesproken beeldend is, maar daarin soms ook gemakzuchtig aandoet, alsof het scheppen van beelden gelijkstaat aan een visie op een werk als ‘Norma’.
Visueel staat deze ‘Norma’ misschien wel in deze tijd, maar de regie lijkt zich niet echt de vraag te stellen wie Norma, Pollione en Adalgisa vandaag zouden zijn.
Het lijkt er dan ook op dat een doorgedreven inhoudelijke visie in deze enscenering wordt tegengewerkt door een erg dienende personenregie. Wellicht laat de vocaal uitdagende muziek van Bellini weinig speelruimte voor een regisseur om de zangers volledig naar zijn hand te zetten, maar dan nog is er op sommige momenten geen enkele dramatische noodzaak kenbaar in de manier waarop de personages zich bewegen. Wanneer Enea Scala (Pollione) tijdens zijn eerste scène het podium volledig inneemt en zijn armen breed uitstrekt als het clichébeeld van een wat teugelloze operazanger, vraag je je toch af waar de regie hier precies heeft ingegrepen. Visueel staat deze ‘Norma’ dan misschien wel in deze tijd, maar de regie lijkt zich niet echt de vraag te stellen wie Norma, Pollione en Adalgisa vandaag zouden zijn.
Dramatische vervlakking
Enigszins paradoxaal is dat de bewegingsvrijheid die de zangers krijgen door het gebrek aan personenregie hen er net van weerhoudt om ver boven de oppervlakte uit te stijgen. Veelal blijven ze in de eerste plaats zanger, pas in de tweede plaats vertolker van een personage.
Sally Matthews is als Norma overtuigend, al blijft haar vertolking voornamelijk in de eerste akte wat vlak, alsof de focus eerder lag op het beheersen van de veeleisende partituur dan op het drama. Bij Enea Scala (Pollione) overstijgt zijn vocale prestatiedrang geregeld de dramatische noodzaak: niet alleen in zijn eerste scène maar ook in de recitatieven die hij vrijwel met dezelfde intensiteit uitvoert als de aria’s. Zijn verder zeer degelijke zangprestatie gaat dan ook ten onder aan die dramatische vervlakking. Raffaela Lupinacci als Adalgisa is een positieve uitzondering: haar stem heeft voldoende expressief reliëf om haar personage ondanks de beperkte personenregie dramatisch gestalte te geven.
In de beeldende kracht van deze voorstelling toont Coppens een ambitie die geen gevolg vindt in het drama zelf. De scenografie bevat potentieel, maar de inhoudelijke interpretatie is terughoudend (zo niet afwezig) en laat zo ook de personages in de steek. Deze ‘Norma’ krijgt dan wel een hedendaags jasje aangemeten, maar de vraag wie eronder zit blijft onbeantwoord.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz