Falstaff De Munt / Alain Altinoglu / Laurent Pelly
Kolder in contrapunt
Zowel Opera Ballet Vlaanderen als De Munt openen hun seizoen met een zwanenzang. Respectievelijk ‘Parsifal’ (1882) en ‘Falstaff’ (1893) vormen namelijk Wagners en Verdi’s afscheid van de bühne. Hoewel beide partituren slechts een decennium uit elkaar liggen in de tijd, zijn hun onderlinge verschillen gigantisch. Mediteert Wagner over existentiële wonden en liturgische verlossing, dan voert Verdi de fratsen van een geile bok ten tonele. Laurent Pelly, inmiddels voor de zesde keer te gast bij De Munt, blijkt uitermate geknipt om deze komedie te regisseren.
Hoewel ‘Falstaff’ ontleend is aan het oeuvre van niemand minder dan William Shakespeare, schreef het icoon der Engelse letteren nooit een toneelstuk met die naam. Sir John Falstaff duikt als personage wel op in ‘Henry IV’ en ‘The Merry Wives of Windsor’, in de hoedanigheid van geruïneerd edelman met grootheidswaan – een incarnatie van wereldvreemde zelfgenoegzaamheid. Verdi’s librettist Arrigo Boito recycleerde uiteenlopend materiaal van Shakespeare en bricoleerde op die manier ‘Falstaff’ bij elkaar. Hoewel het om een soort literaire collage gaat, voelt het libretto aan als een homogeen en sluitend geheel, waarvan de plot zich aan een rotvaart ontvouwt.
Het verhaal is snel verteld: de gevallen aristocraat Sir John Falstaff meent zijn financiële zorgen te kunnen oplossen door twee dames uit de burgerij simultaan het hof te maken. Zij komen echter op het spoor van zijn snode plannen, en willen hem een lesje leren. Dat ook een jaloerse echtgenoot een duit in het zakje wil doen, komt hem duur te staan. Iedereen draait iedereen kortom een rad voor ogen, en niemand ontspringt de dans. Of, om het met Falstaffs woorden te zeggen: “tutto nel mondo è burla” (“alles in de wereld is gekheid”).
Dirigent Alain Altinoglu amuseert zich zonder poeha met Verdi’s fratsen.
Dat Giuseppe Verdi (1813 – 1901) in de avondschemer van zijn artistieke leven nog een komedie componeert, mag gerust verbazingwekkend heten. Na het fiasco ‘Un giorno di regno’ (1840) leek de componist nooit meer te zullen terugkeren naar het genre. ‘Falstaff’ bracht daar verandering in, en hoe! De partituur is een geraffineerd staaltje kolder, waarbij de teneur van het narratief in het muzikale DNA wordt doorgetrokken. Kwebbelende ensembles, scheldtirades op geraffineerde vocalen, ettelijke referaten naar de muziekgeschiedenis via de orkestratie: Verdi ging veel verder dan het demonstreren van de hilariteit van het libretto.
Niet toevallig speelt contrapunt een wezenlijke rol in de partituur, als symbool voor de mathematische esthetiek van harmonieleer – noem het de muzikale evenknie van Shakespeare’s taalvuurwerk. Daarnaast knipoogt Verdi ook naar zijn eigen oeuvre, onder meer met een haast letterlijk citaat uit zijn eigen ‘Otello’. Omdat een lekenpubliek dergelijke slimmigheden niet herkent, wordt de partituur wel eens verweten dat de humor te celebraal zit ingekapseld om heus aan het lachen te brengen. Evenwel niet zo bij dirigent Alain Altinoglu, die zich zonder poeha amuseert met Verdi’s fratsen.
Hoewel met intellectueel raffinement geconcipieerd, laat chef-dirigent Alain Altinoglu zich niet door de geestelijke rijkdom van het werk verlammen. Wel integendeel, want voor hem vormt ze de motor van een intuïtief en aanstekelijk plezier, dat afstraalt op alle geledingen van het Muntorkest. Altinoglu blijft weg van bombarie evenals van een karikaturaal register. Zijn lezing drijft daarentegen op het naturel van Verdi’s muzikale kwinkslagen en op de instinctmatige vermakelijkheid van de compositorische taal.
Wat in ettelijke opnames gekunsteld of op zijn minst ingewikkeld klinkt, verandert Altinoglu in kabbelend klatergoud. Van een ronkende fuga tot soepele meerstemmigheid die haar transparantie weet te behouden: de dirigent lijkt vooral geen punt te willen maken van ingrepen allerhande, net om een viscerale sensatie van scherts tot wasdom te laten komen. Zodoende verzorgt de man een ronduit fabuleuze interpretatie, waarbij de duizelingwekkend virtuoze ensembles steeds op hun poten terecht komen. Eens te meer levert de dirigent een proeve van zijn meesterschap: alleen al zijn ongeveinsde esprit inspireert zowel musici als zangers tot opperbeste prestaties.
Pelly’s decors ademen een sprookjesachtige speelsheid. Geen Disney, maar vintage Grimm.
De zonder uitzondering uitnemende cast wordt aangevoerd door Sir Simon Keenlyside, zelf over halfweg de zestig. Ondanks die leeftijd zet de Britse bariton een even kwieke als krolse titelrol neer, die dankzij Pelly’s regie-ingrepen meer dan gemiddeld weet te charmeren. Behendig gekadreerd en perfect uitgelicht, loodst de mise-en-scène het publiek voor elk bedrijf trouwens een gans andere wereld binnen. Van de claustrofobische kroeg met scheve muren waar Falstaff zijn laatste centen verzuipt tot een aristocratische burgerwoning die herleid is tot een trappencomplex zonder einde: zoals zo vaak ademen Pelly’s decors een sprookjesachtige speelsheid, die in dit geval naadloos aansluit bij Verdi’s universum.
De haast gechoreografeerde persoonsregie, bijvoorbeeld bij de introductie van de Windsor-dames, maakt de muziek als het ware zichtbaar. Door de handeling gedistingeerd-burlesk op te voeren, wordt ze het perfecte verlengstuk van het orkest, dat het komische register eveneens op beknopte én verfijnde wijze exposeert. Doorheen het laatste bedrijf, waarin de salonintriges verruild worden voor een macaber visioen in een door zogezegde schimmen bewoond woud, krijgt Pelly’s feeërieke kosmos een donkere rafelrand. Zelfs in hun elfenvermomming stomen de bedrogenen van woede. Bij Pelly kortom geen Disney, maar vintage Grimm. Hoewel het slotwoord alles in perspectief plaatst onder het motto “tutti gabbàti!” (“iedereen is gefopt!”) – een treffend resumé van hoe Altinoglu en Pelly de postume schaterlach van Verdi modern en toch tijdloos weten te verwerkelijken.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz