Toneel / Performance

Indoor weather Bosse Provoost & Ezra veldhuis / Toneelhuis

Theater na de mens

‘Indoor weather’ is het sluitstuk van de vijfjarige residentie van Ezra Veldhuis en Bosse Provoost in het Toneelhuis. Ze zetten in dat stuk het onderzoek verder dat o.m. in ‘SUN-SET’ gevoerd werd naar een theatrale verbeelding die de mens schrapt als middelpunt van het gebeuren. De groeiende klimaatcrisis speelt daarin zeker mee. Deze keer werken ze echter niet met de black box maar is de Bourla-schouwburg hun instrument. Het levert veel, en belangwekkend materiaal op, maar dramaturgisch is er nog werk aan de winkel. 

Indoor weather
Pieter T’Jonck Toneelhuis Antwerpen
In het kader van Love at First Sight #6
meer info
19 september 2021

 ‘Indoor weather’ is een van die stukken die al lang begonnen lijkt als je de zaal binnenkomt. (Het is ook een stuk dat iedere kijker enigszins anders zal zien en ervaren trouwens). Op het schraal verlichte podium lopen een paar vreemd uitgedoste figuren rond. Er klinkt geluid als uit een radio. Geen spoor van een decor echter. Wel gaan trekken onophoudelijk, volgens een onvoorspelbaar protocol, op en neer boven de podiumvloer. Alsof ze oefenden voor een toekomstige taak. In de diepte ontwaar je een vreemd technologisch gevaarte, een samenstel van machines en lampen zonder duidelijke contouren.

Als ik ga zitten treft me een vreemd detail: in de benedenloge naast het podium steekt een hand uit van tussen de gordijnen. Ze houdt een zware, rond uitgefreesde stok vast. Het soort stok waarmee vroeger het begin van een voorstelling werd aangekondigd met drie zware dreunen. Dat is ook precies wat de hand zonder lijf doet rond 8 u, als de voorstelling verondersteld wordt te beginnen. Toch dooft het zaallicht niet meteen, maar op het podium klinkt wel steeds luider een sombere soundscape (Benne Dousselaere); De belichting wordt ook intenser en gerichter. En de trekken vervolgen hun dans, steeds wilder.

De hele toneeltoren komt nu tot leven. Er klinkt een rauw geluid ergens boven in de toneeltoren, waar je ook lichtjes ziet flikkeren van de machinisten. Plots stort een hoop bruinig gruis naar beneden. Een door kabels overwoekerd personage (Benjamin Cools) draaft aanstonds op om het gruis met een brede borstel weg te nemen. Een ander personage, dat vergroeid lijkt met de stofzuiger op zijn rug (Kristien De Proost), loopt een beetje doelloos kringetjes terwijl het woorden prevelt waar je, door de distorsie op de geluidsversterking, erg weinig van verstaat.

De hand die met de stok het begin van het stuk aankondigde blijkt toe te behoren aan een poesjenel-achtig personage (Lobke Leirens). Het komt schichtig tevoorschijn van tussen de gordijnen en klopt nog eens met de stok op de grond, als om zijn aanwezigheid te legitimeren. Maar dan wordt het onweerstaanbaar aangetrokken door het gruis dat nu met de regelmaat van de klok uit de lucht komt vallen. Het hinkelt-springt erheen, met de stok als steun, en grist wat van het spul weg. Net dan zendt de machine in de achtergrond verblindende lichtflitsen uit die het wezentje wegjagen.

Dan is er nog de man die midden op het podium ligt. Nathan Ooms is de enige die een menselijke vorm behouden heeft, geen mensmachine of pop is. Hij tuurt naar de trekken -of slaapt hij?- en komt af en toe overeind als ze dicht bij de vloer komen. Dan lijkt hij zich ermee te meten, met de armen omhoog gestrekt. Al die tijd geeft het ding in de diepte tekens van leven door lichtflitsen en vreemde geluiden, als een vage drieging. Dreigend zijn ook de gifgroene lichtvlekken die over het podium glijden, gevolgd door rookwolken.

Stilaan ontstaat zo een zekere routine: alle figuren op het podium lijken verzonken in een taak of bezigheid die ze, tegen beter weten in, blijven herhalen, zonder elkaar op te merken, zelfs niet als ze zo nagenoeg tegen elkaar opbotsen. De kabelman blijft het podium leegvegen, de poesjenel blijft gruis graaien en eten, al wordt ze er doodziek van, het stofzuigerwezen blijft praten en rondjes draaien. En de ‘last man standing’ blijft maar naar de trekken grijpen.

Toch is er een evolutie: de actie stroomt langzaam over naar het auditorium. Het stofzuigerwezen loopt steeds grotere rondjes, tot het door de hele zaal gaat. De poesjenel stort af en toe van de rand van het podium. De kabelman verschijnt her en der op balkons met spots die hij onzeker richt of met een rookmachine. Je hebt niet zelden de indruk te kijken naar een bizarre kruising tussen een film van Andrei Tarkovski als ‘Stalker’ en een fantasy film. Vreemd is dat niet, want de beelden zijn deels ontleend aan ‘Southern reach’, een trilogie van  de Amerikaanse auteur Jeff Vandermeer. Die speelt zich af in een wereld waar dingen en mensen muteren tot nieuwe wezens met nieuwe vermogens.

Die fantasy wereld loopt echter stilaan op zijn einde als alleen Ooms achterblijft op het podium. Hij ‘ontdekt’ nu plots de grote klankkast die midden op het podium al de hele tijd doelloos lijkt te wachten, maar nu met brom- en piepgeluiden reageert op de acties van de man. Binnen de logica van het verhaal van Vandermeer zou je deze scène kunnen lezen als het moment waarop mens en ding opgaan in een soort symbiotische relatie.

Dan wordt het stil. Voor een hele tijd vallen de trekken, stil, en valt er ook niets meer naar beneden, op een snipper aluminiumfolie na. Alle personages zijn definitief verdwenen. Maar gedaan is het niet, want de hele theatermachine komt nu weer, en veel nadrukkelijker nog, tot leven. De trekken zijn nu niet meer naakt: er hangen grote doeken aan in vele vale tinten paarsbruin en grijs. In de achtergrond beweegt een helwit klein doek op en neer. Fel oranje lichtbatterijen in de toneeltoren creëren verbazende clair-obscur effecten, die uitzwermen over het publiek. Je komt al snel ogen te kort om het verbluffende spektakel te volgen, al is er dan geen plot meer. Het is alsof Gordon Craig, de Engelse theatermaker en scenograaf die als eerste theater zonder acteurs verzon, weer tot leven gekomen is.

Dit tweede deel is een verbazende ervaring. Hier komt de voorstelling tot bloei. Jammer is echter dat het een ervaring is die weinig sporen nalaat, en weinig gedachten oplevert achteraf. Veel minder in elk geval na het kleine meesterwerk ‘SUN-SET’ dat Provoost en Veldhuis een jaar geleden presenteerden in V36.

Theater als een wereld met een eigen handelingsbekwaamheid

Hoe dat komt is niet zo gemakkelijk te zeggen. In een interview dat ik had met de makers spraken ze over dit soort theater als een beeld of metafoor voor een wereld die oneindig veel complexer in elkaar blijkt te zitten dan we vermoeden. Een wereld die een eigen ‘handelingsbekwaamheid’ heeft waar we ons, door de menselijke waan dat alles onder controle  is, nauwelijks van bewust zijn tot die wereld terugslaat, zoals nu het geval is met de klimaatcrisis.

Dat kan ik, als een dramaturgische gedachte, herkennen, maar ze kwam bij het kijken nog zelden bij me op. Ik vermoed dat de reden is dat de menselijke aanwezigheid te vroeg en niet altijd op de meest efficiënte manier ingezet werd. Een tweede reden is dat de teksten die Kristien De Proost uitspreekt nauwelijks te begrijpen zijn, en zo geen extra betekenislaag toevoegen, hoewel het gedicht ‘Det’ van de Deense dichteres Inger Christensen toch een taalbouwsel zijn dat het ‘menselijke’ als alfa en omega van de wereld ondergraaft.

Het probleem met mensen op een podium is dat ze, willens nillens, de aandacht naar zich toezuigen, en een menselijke plot en betekenis doen vermoeden. De voorstelling zelf geeft die gedachte voedsel in het personage van de poesjenel, die een heel drama lijkt te beleven. Alleen: de aard van dat drama, de band met wat elders gebeurt is niet te achterhalen. Daar is de voorstelling dus overgedetermineerd.

In de regie van de andere personages is ze echter ondergedetermineerd. Het werd me bijvoorbeeld maar niet duidelijk hoe Nathan Ooms zich verhoudt tot die trekken, waarom hij wel of niet reageert. Een sterke suggestie komt er pas in het duet met de klankkast. Ook de verhouding tussen de personages, wat ze weten of zien van elkaar, blijft vaag omschreven en soms zelfs wat stuntelig vormgegeven.

Daardoor raak je als kijker onthecht van de voorstelling. Je zoekt een verhaal of betekenis en vindt die niet. Je zou dan kunnen denken dat de personages een allegorie zijn van ‘ontreddering’ of ‘vervreemding’. Maar dat helpt je nooit veel vooruit -allegorieën zijn dan ook altijd nogal krukkige vervangmiddelen voor scherpe gedachten. Hoe anders zou het geweest zijn als je eerst het podium loos had laten gaan, en dan pas figuren er op los had gelaten? Zouden ze dan niet veel meer als ding tussen de dingen verschenen zijn. Als ‘maar’ een deel van een onnaspeurbare natuur? Had die vreemde machine in de achtergrond niet veel meer het eerste kwartier of zelfs half uur van het stuk moeten beheersen?

Die problemen manifesteren zich het sterkst in het personage van De Proost, de hybriede tussen mens en stofzuiger. Zij waagt zich het diepst in de ruimte van het publiek, waar ze werktuiglijk alles blijft stofzuigen. Het zou de logica zelf zijn dat ze dan ook toeschouwers stofzuigt – het zou verduidelijken dat ze overgestapt is op een wereldbeeld waarin materie en mens niet meer onderscheiden zijn.

Het meest prangende probleem is echter dat haar stem losgekoppeld is van haar lijf, en ergens hoog boven de zaal weerklinkt. Daar moet ze de concurrentie aangaan met het indringende geluidsontwerp dat de ervaring sterk stuurt , volgens de niet altijd subtiele geplogenheden van fantasy films. In die strijd delft de tekst het onderspit. Ik had ze op voorhand gelezen, en zelfs dan pikte ik er nagenoeg niets van op. Hoe anders zou het niet zijn als de geluidsversterking in de stofzuiger zit, en dicht bij de figuur van De Proost blijft. Dan zou ze op haar tocht gericht de aandacht kunnen kapen, doen luisteren. Want die teksten zijn heel bijzonder. Ze herhalen obsessief woorden en gedachten tot elke betekenis verdampt in woordkramerij. Dat zit heel dicht op de grondgedachte van de voorstelling: taal als een systeem dat de mens overstijgt.

Is dit dan een mislukt werk? Ver van. Er zit heel veel boeiend materiaal in, maar het ding staat dramaturgisch en qua spelregie nog niet op punt. Dat merk je ook aan de nogal belabberde zaaltekst die eindigt met de bizarre opmerking ‘BEGRIJPEN HOEFT NIET, ERVAREN IS GENOEG’. Dat lijkt me onzin. Er zou moeten staan: ‘LAAT ERVAREN OOK BEGRIJPEN WORDEN, IEDER OP ZIJN MANIER’. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren