Performance

Mount average Julian Hetzel

Oidipous in kolonieland

‘Mount average’ van Julian Hetzel is een installatie die de monumenten van ons koloniaal verleden vermorzelt tot gruis en er klei van maakt. Daar mogen bezoekers van de installatie dan zelf een nieuw toekomstbeeld mee boetseren. Maar het is Hetzel er niet om te doen onze creativiteit te bevorderen. Hij heeft het over schuld, over de culturele erfzonde van het kolonialisme 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Mount average
Pieter T’Jonck De Grote Post, Oostende meer info
22 oktober 2021

Slechts weinig toeschouwers appreciëren het om in de loop van een stuk in de actie betrokken worden. Ze ervaren het als een schending van hun integriteit. Ze willen wel toeschouwen hoe personages in hun ongeluk lopen, ze willen zich zelfs inleven in dat lot en beseffen hoe fragiel het menselijk bestaan is. Maar zo’n empathie is iets heel anders dan deel hebben aan, een rol opnemen in een drama.

Toch is er een soort theater -als dat nog het juiste woord is- dat  inzet op een persoonlijke, dramatische -handelingsmatige- betrokkenheid op een werk door je mee te nemen op een hoogst individuele trip. Daarbij kom je heel vaak ‘jezelf tegen’ zoals dat dan heet. Je mag je eigen Oidipous worden, die zijn gruwelijke existentiële schuld gaandeweg ontdekt.

Dat gebeurt doorgaans wel op een relatief ‘veilige’ manier: je krijgt een tijdsslot, pakweg tussen 15 en 16u, en dan kan je je gewone leven weer hervatten, ongeacht hoe diep je geraakt werd door de gebeurtenissen. Maar essentieel is wel dit: als theater, in zijn klassieke vorm, een publieke katharsis beoogt, dan levert zo’n ervaringstheater katharsis in peepshow formaat. Met je eigen lijf als het beloerde en zichzelf beloerende object. Zonder pottenkijkers. Je kan je dus laten gaan.

‘Mount average’ van Julian Hetzel is zo’n propositie. Een voorstel, een uitnodiging tot reflectie, of een ‘uitdaging’. Maar geen voorstelling, want er is geen publiek is. Je bent hier als individu, dat betrokken wordt in een  scripted reality.  Er zijn naast jou dan wel twee of drie anderen die tegelijk meedoen, maar daar heb je nauwelijks contact mee. Je bent wezenlijk alleen met jezelf tegenover een situatie waarin je met zachte dwang gevraag wordt positie te nemen, te ageren, te acteren.

Welk effect dat sorteert, welke lessen je daaruit trekt, wat je begrijpt hangt wellicht sterk af van je eigendunk of zelfhaat, en ook wel, in dit stuk toch, van je ideologische positie in recente vraagstukken als dekolonisatie en identiteit, met op de achtergrond de allergrootse vraag: stevenen we af op een onomkeerbare ramp voor de mensheid?

Het duivelse van dit werk is echter dat je na afloop vaststelt dat wat jij, als deelnemer, ervaart, denkt en doet er allemaal weinig toe doet. Of je nu links of rechts denkt, progressief of reactionair bent, als je buiten gaat besef je hoe futiel dat is in het licht van een koloniale geschiedenis waar je objectief part noch deel aan hebt, maar die toch in je bloedbaan zit. Ook zo is Oidipous het rolmodel: hij kon het evenmin helpen dat zijn vader hem als boreling verstootte. Toch hij richtte rampen aan.

Dat besef je allemaal niet als je begint aan ‘Mount average’. Je wordt een zaaltje binnen geloodst waar een man (Pitcho Womba Konga) aan een tafel frenetiek graait in een hoop vloeibare klei, waarmee hij ook zijn gelaat besmeurt. Hij stelt enkele vragen. Hoe zien we de toekomst? Wat is onze grootste angst? Wat betekent de natuur voor ons? Daarna richt hij zich tot elke bezoeker apart met één van die vragen. Maar wat antwoord je op vragen die zo groot zijn dat een antwoord haast noodwendig onzinnig wordt? Zo voel ik het toch. Met de lastige bijsmaak dat ik inderdaad niet zou weten hoe je over de toekomst nog een samenhangende gedachte kan formuleren.

De kleimens bevrijd ons echter van ons eigen sombere gepeins door na de vragenronde zelf een antwoord  te formuleren. Het verleden is onze grootste angst, stelt hij. Het verleden wil de toekomst koloniseren met oude denkbeelden, maar de echte, de gewilde toekomst is vloeibaar (‘liquid’) omdat de aarde, de natuur dat ook is: leven, de mens inbegrepen bestaat voor het overgrote deel uit vloeistof. Als we allemaal water zijn, waar dienen alle onderscheidingen, alle dammen en dammetjes dan toe? Goede vraag natuurlijk. Omdat we het wereldzwembad een beetje te intimiderend vinden?

In een volgend kamertje worden we hoogst individueel uitgenodigd om een blok klei te bewerken. Maar we zien die niet. We moeten onze handen steken door gaten in een muur en dan op de tast aan het werk gaan. Een stem vraagt ons om met de helft van de klei een beeld van de toekomst te scheppen. Met de andere helft moeten we daarna onze grootste angst uitbeelden. Versta: wat hebben we meegedragen van de lessen die de kleimens ons eerder mee gaf?

Het is een interessant moment, omdat het je met je neus drukt op de letterlijke onvoorstelbaarheid van die vragen, op ons onvermogen om de toekomst of angst een aanschouwelijke vorm te geven. Konden ze ons niet vragen een vaasje te boetseren? De toekomst lijkt hier allerminst ‘liquid’, eerder een zwart gat.

De volgende twee kamers kaderen deze vragen echter scherp, en uitgesproken ideologisch. In de eerste kamer haalt een mechanische band schuurpapier een al schuin weggezakt beeld van Leopold II onderuit. Het schuurstof vormt op de grond een figuur waar je moeiteloos het Afrikaans continent in herkent. Op het gelaat van onze koloniale koning  worden daarna beelden van andere ‘foute’ heersers en ideologen geprojecteerd. Je herkent Adolf Hitler, maar ook Mobutu Sese Seko. Het begeleidende discours op de klankband volgt gaat van Eric Zemmour tot Donald Trump. De gemene deler: ze wilden allemaal een fictief ‘goed verleden’ restaureren, maar dat komt steeds weer neer op een verhaal dat als een zuur invreet op de toekomst.

Hier wordt dus duidelijk wat de kleimens in het begin zei: het verleden koloniseert het heden, zolang we niet onze schuld erkennen en er ook mee aan de slag gaan. Ook al is het niet letterlijk ‘onze’ schuld, eerder een erfzonde. Dit is echt oedipaal.

De volgende kamer verlaat dat ideologisch perspectief weer: een vrouw (Jana De Kockere) legt je uit dat je je hier in een recyclage-installatie bevindt. Beelden van koloniale heldenbeelden worden hier vergruisd tot poeder dat de grondstof wordt van de grijze klei die we zagen in het begin. Dat is natuurlijk niet echt waar, maar er staan in deze kamer wel vergruizingapparaten die de bewering toch enige waarschijnlijkheid verlenen. Misschien komt er inderdaad een moment dat we standbeelden van foute heersers gewoon vergruizen en nuttig verwerken? We krijgen in elk geval een zo’n klomp klei mee die we kunnen plaatsen op een aanrecht in het volgende lokaal.

Dat lokaal is het echt confronterende moment van ‘Mount average’. We zien hier handen die door ronde gaten in een wand op de tast de blokken klei manipuleren die we er net tevoren zelf plaatsten. We beseffen wat ze proberen, want we hebben het zelf twee staties eerder gedaan: blind een beeld van ‘de toekomst’ en van ‘de grootste angst’ boetseren.

We kijken naar onze eigen stuntelige pogingen om die al te grote vragen te beantwoorden. We zijn aan de andere zijde van de peepshow beland en begluren onszelf. Wat we zien is onbeholpenheid. Of is het ontkenning? Waarom gooit niemand dat blok klei woedend weg? Waarom zegt niemand dat deze vragen niet om aan te zien zijn? Waarom verdragen we dit obscene beeld van onze eigen onmacht?

De laatste statie in deze tocht wrijft het zout in de wonde. Je belandt in een theaterzaal, waar een suppoost een kleisculpuur bewaakt en besproeit. Een transportband laat af en toe een stuk klei neerploffen op die massa. Het zijn de boetseerwerkjes die je een kwartier tevoren nog met volle concentratie zat te bedenken. Hier worden ze een nonsensicaal kunstwerk. De suppoost (Kristien de Proost) komt bijna niet bij van het lachen als ze ziet hoe aandachtig we kijken naar die hoop klei op een sokkel. Tussendoor hikt ze vragend het woord ‘Hope?’ op. In een lachstuip voegt ze daar ‘Nope!’ aan toe. Steeds weer. Dachten jullie zonden af te kopen met een kwartiertje kleien lijkt ze te zeggen.

Het is alsof je in de scène in ‘Lescharmes discrets de la bourgeoisie’ van Luis Bunuel beland was, waar de kip die het zondagse maal moet bekronen van plastic blijkt te zijn. Een wereld waarin welvoeglijkheid maar een heel dun laagje schijn is bovenop een hoogst onwelriekende brei van graaizucht en andere hoofdzonden die de protagonisten halsstarrig ontkennen. Maar boontje komt om zijn loontje. Dat ondervond Oidipous al, met schade en schande. Hier komen we er zonder schande, maar wel met schade -in de vorm van schaamte- vanaf.

Als je dan weer buitenkomt is er het nieuws. Truckers die niet meer willen trucken. Chinezen die onze overvloed bedreigen. Leraarstekorten. Klimaatproblemen. Systeemfouten die zichtbaar maken dat de wereld stilaan genoeg heeft van die Europeanen die dachten dat de wereld van hen was om te exploiteren. Dat verhaal blijkt nu  een plastic kip. Die is best taai te verteren. Om niet te spreken van de reële schuld om ze op ons bord te laten belanden. Boontje komt om zijn loontje. Julian Hetzel laat ons Oidipous spelen in een verhaal dat niet om bloedschuld, maar maatschappelijke schuld draait. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren