Toneel

De Jaren Piet Arfeuille / Theater Malpertuis

Waar bleven de beelden?

Piet Arfeuille brengt bij Theater Malpertuis de ‘collectieve autobiografie’ ‘De Jaren’ van Annie Ernaux met een intergenerationele cast naar het theater. Maar waar Ernaux met haar boek de vluchtige en vergankelijke essentie van ons leven raakt, slaagt hij er niet in net die essentie ten tonele te voeren.

De Jaren
Jasper Delva Theater Malpertuis, Tielt
29 september 2025

Nobelprijswinnaar Annie Ernaux schreef aan de hand van onder meer foto's, objecten en muziek ‘De jaren’ (2008), door The New York Times omschreven als 'een collectieve autobiografie'. Hoewel Ernaux herinneringen noteert zonder specifieke verteller – ze schrijft niet vanuit een 'ik', maar vanuit een ‘on’ (‘men, ‘je’ of 'wij') – voel je je als lezer enorm betrokken bij haar levensloop tussen 1941 en 2006, van klein meisje tot oudere vrouw.

De opzet van ‘De jaren’ is tweeledig: Ernaux wil niet alleen het leven schetsen van ‘een vrouw’, meer bepaald ‘van haar leven, vanaf haar geboorte tijdens de Tweede Wereldoorlog tot aan de huidige dag’, maar tegelijk ‘het collectieve geheugen terugvinden in een individueel geheugen’. Het is het verhaal van het leven van ‘één bijzonder iemand […] opgenomen […] in de beweging van een generatie’.

De enscenering van Piet Arfeuille speelt zich af in een zo goed als lege ruimte. De vloer van witte vierkante panelen geven de scène een steriele indruk. Her en der staan bankjes uit metalen buizen. Het toneelbeeld heeft zo iets van het soort white cube waar helden uit sci-fi films weleens in belanden als ze uit de tijd vallen. Muzikant Henrik Lasure vult die ruimte met gezapige, eveneens on-tijdelijke elevator music. Niets, maar dan ook niets suggereert een periode of een plek.

Rond één van die bankjes in de buurt van Lasure verzamelt zich een intergenerationele cast: Viviane De Muynck, Els Dottermans, Carine van Bruggen en Kiana Porte. De Muynck geeft een treffende introductie over terugkijken in en op de tijd. Meteen daarna bevinden we ons in het Frankrijk van eind jaren veertig. De dan zevenjarige Ernaux wordt omringd door volwassenen die het trauma van de oorlog nog volop aan het verwerken zijn. 

Net als de magistrale bewerking van Eline Arbo kiest ook Piet Arfeuille voor het opsplitsen van de hoofdrol. Het jonge tweetal van Bruggen en Porte neemt het woord wanneer we een jonge Ernaux horen over de schooltijd en eerste communies. Ze blikken vooruit. De Muynck treedt dan weer naar voren als een terugblikkende – oudere? – Ernaux. Dottermans geeft dan weer op schalkse manier concreet kleur aan de overschouwende herinneringen die De Muynck ophaalt. De vier vrouwen vormen samen Ernaux, maar dan schijnbaar elk op een ander moment

Dat initiële leeftijdsgebonden onderscheid verdwijnt echter. Het viertal begint subtiel te wisselen tussen vooruit- en achteruitkijken. Jeugdherinneringen zijn niet langer per se voor de jonge Porte, de mijmeringen van een vrouw op leeftijd, niet alleen nog voor de oude De Muynck. Arfeuille maakt zo zichtbaar hoe Ernaux als oudere vrouw soms terugdenkt aan de manier waarop ze als kind of jongere keek naar en dacht over het leven. Tegelijk laat hij zien hoe de jonge Ernaux zich haar toekomstige leven inbeeldde.

De vier vrouwen laten zo samen flitsen uit een leven zien. Ze beschrijven en overschouwen, steeds vanuit die collectieve ‘wij’ of ‘je’, de dagen van weleer zoals Ernaux die meemaakte. Samen springen ze door de tijd, zonder dat ze elk een tijdsblok of vertelperspectief krijgen toegewezen. Dat is opvallend anders dan bij Arbo die elk van haar vijf actrices een Ernaux op een bepaald moment in haar leven liet spelen en de anderen een beschouwende blik liet werpen. Meer nog dan Arbo benadrukt Arfeuille zo het gedeelde leven. Het viertal vormt samen Ernaux.

Arfeuille geeft de gewoontes van toen - de taal die mensen gebruikten, de commentaar die men gaf op gebeurtenissen en voorwerpen - een meer persoonlijk karakter

De voorstelling valt daarna uiteen in een opeenvolging van verschillende periodes uit het leven van Ernaux. In de eerste levensfases doen de vier vrouwen dat op een haast lyrische wijze gevoed door een collectief enthousiasme dat zich ook laat voelen in het boek. ‘Vooruitgang was de horizon van een ieders bestaan, je moet met je tijd mee’, verklaart De Muynck. Dottermans valt haar bij en somt allerhande nieuwe producten op: tampax, de bic balpen, nylonkousen, tandpasta met chlorofyl, gedroogde soep uit een pakje. Later weerklinkt in het spel dan weer een zwierige of melancholische ondertoon die vooral in de passages over mei ‘68 voelbaar wordt. Het is misschien daarom ook dat Lasure al dat ophalen van collectieve herinneringen constant aanvult met melancholische achtergronddeuntjes.

Die eerste scènes leveren vooral theater op dat je met de woorden van Ernaux zelf kan omschrijven als ‘statische shots’. Het komt goed overeen met de trage, stille wereld waarin Ernaux als kind opgroeit. Later doorheen de voorstelling neemt het tempo wel toe, maar toch blijft het allemaal erg immobiel, haast zonder dynamiek, ondanks een energieke dansscène. Dat Ernaux in het boek net toont hoe in een maatschappij die voortdurend in beweging is de perceptie van tijd zelf verandert, gaat zo verloren. De overgang naar de snelle, moderne wereld, bepaald door de ‘springerige, vlugge muisklik op het scherm’, komt niet echt aan bod.

In tegenstelling tot het boek starten deze nieuwe fases niet met de beschrijving van een foto maar met Lasure die als een externe verteller plaats en context – ‘1948, zeven jaar’ – verduidelijkt. Dat is een op zijn minst opvallend keuze die wat haaks staat op het boek, maar wel kenmerkend voor de benadering van Arfeuille. Hij laat de gedetailleerde beschrijvingen van foto’s en video’s niet werkelijk  bovendrijven als ‘boekstaven van de specifieke tekenen des tijds’. Arfeuille geeft de gewoontes van toen - de taal die mensen gebruikten, de commentaar die men gaf op gebeurtenissen en voorwerpen - een meer persoonlijk karakter, en dat des te meer doordat hij af en toe zelfs een direct ‘ik’-perspectief hanteert.

Door die meer persoonlijk benadering gaat Arfeuille haast tegen de opzet van de roman in. Want  dienen de treffend geformuleerde beschrijvingen van foto’s net niet om de persoonlijke herinneringen van Ernaux in de mate van het mogelijke objectief te staven met tastbare bewijzen? En is het niet net via net die vele herinneringsbeelden van culturele gewoontes en materiële objecten dat Ernaux laat zien hoe mentaliteiten, zeden en ideeën in sneltempo veranderen tussen 1941 en 2006?

Arfeuille worstelt bovendien met de politieke duidingen waarmee Ernaux haar tekst doorspekt.

Arfeuille weet met zijn opzet treffend de gedeelde aard van het leven van een vrouw in beeld te brengen. Hij vat goed de glijdende vertelling in onvoltooid verleden tijd die Ernaux beschrijft op het einde van het boek. Maar door zijn meer persoonlijke benadering, die bovendien niet zo’n scherp en concreet beeld schetst van een bepaalde periode voelt zijn vertelling soms (te) particulier.

Arfeuille worstelt bovendien met de politieke duidingen waarmee Ernaux haar tekst doorspekt. Verwijzingen naar invloedrijke politieke en maatschappelijke gebeurtenissen zoals de Algerijnse onafhankelijkheid of de Vietnamoorlog voelen eerder als een verplicht nummer dan een betekenisvol moment. Ze dragen niet altijd evenveel bij aan het begrijpen van de levens van de vier vrouwen, of liever deze vrouw. Dat verweven van het persoonlijke en politieke mag dan beter werken in de pakkende scène over de verdoken abortus in 1959, het neemt niet weg dat  Arfeuille de politiek-historische achtergrond met moeite naar het podium vertaald krijgt.

Lasure zet het einde van de voorstelling in met een muzikaal intermezzo dat doet denken aan Nickelback, die hun grootste hit ‘How You Remind Me’ scoorde in eindperiode van het boek. Het is een jazzy nummer op snelle percussie, met dromerig gezang door Lasure zelf. De typische, eerder vage beschrijvingen van de tijd nadien die nog volgen, zoals ‘de technologische onkunde van oma’ illustreren het gebrek aan scherpe herinneringsbeelden, de ondiepte van de tijd in deze voorstelling.

In ‘Het voorval’ schrijft Ernaux dat we geen enkele zekerheid hebben over onze vroegere gevoelens en gedachten, ‘gezien het onstoffelijke en weinig beklijvende karakter van wat er zoal in je hoofd omgaat’. Om vat te krijgen op de tijd biedt daarom enkel het stoffelijke geheugen standvastigheid: materiële zaken als liedjes, kleren en reclame zijn bewijzen voor de werkelijkheid. Net dat concrete ontbreekt in deze opvoering.

"Beelden zullen verdwijnen, woorden zullen verdwijnen, en wij zullen vergeten worden… Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn’’ sluit De Muynck de voorstelling af met de begin- en eindzin van het boek. Ernaux vatte met haar magnum opus de vluchtige en vergankelijke essentie van een en ons leven aan de hand van verglijdende en vooral nauwgezette beschrijvingen van herinneringsbeelden doorheen het leven van een vrouw en haar generatie. Dat net die beelden hier niet hun rol krijgen, maakt dat Arfeuille en zijn intergenerationale cast net niet de tot die essentie raken.        

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Steunen Login