KID. hetpaleis / BOG. / Theater Artemis
Volwassenen op hun nummertje
Omdat de voorstelling intussen even oud is als de kinderen in de zaal, hebben hetpaleis, BOG. en Theater Artemis na acht jaar ‘KID.’ weer uit de kast gehaald. Het idee achter deze familieproductie blijft even simpel als slim: splits de ouders van hun kids, zet de ene groep achter het podium en de andere op de tribune, en geef ze allebei een lesje in wat voor een raar dier ‘de volwassene’ is. Dat blijkt overigens vanzelf.
Wij, de volwassenen, komen terecht op wat bankjes in een rommelige backstage. Voor ons openbaart zich geen vlak podium, maar de achterkant van een hoge houten wand met laddertjes, lichtkasten, kabels, metalen frames: allemaal technische toestanden die van het theater meer een machine dan magie maken.
Ook de fantasie blijkt hier goedkoop. Uit toneelkisten puilen pluizige dierenpakken uit de carnavalswinkel: een beer, een big, een kat, een kikker, een clown… Het voelt alsof we niet acht, maar vijftig jaar terug gekatapulteerd worden in het jeugdtheater: alles ligt klaar om de kindjes met dwaze dierenfiguren te doen kraaien van plezier. Van de andere kant van de wand horen wij ze intussen kwetterend binnenkomen. Waarom zitten wij aan deze kant?
Meteen maakt BOG. duidelijk dat het niet louter zal gaan spelen met de machinerie van toneel, maar vooral ook met de grenzen van kindertheater.
Een voorstelling langs achteren laten bekijken is niet nieuw. Dat was het ook al niet meer in 2017, toen BOG. als nog jong Vlaams-Nederlandse collectief ‘KID.’ afleverde als hun eerste show voor kinderen. Denk bijvoorbeeld aan Michael Frayns deurenkomedie ‘Noises Off’ (1982), die SKaGeN ooit hilarisch opvoerde als ‘Deurdedeurdeur’ en waarin je de achterkant te zien krijgt van een pikante farce die zich intussen voltrekt op het voortoneel (en dus achter doek). Hetzelfde principe paste De Warme Winkel in 2015 toe in De achterkant: een voorstelling die zich afspeelde in de coulissen van de Amsterdamse Stadsschouwburg, terwijl Toneelgroep Amsterdam tegelijk ‘Lange dagreis naar de nacht’ aan het opvoeren was.
Achterkant-voorstellingen ontluisteren het theater als een schijnmachine en draaien alles om. Acteurs zijn op terwijl ze af zijn. De essentie gebeurt elders, wij krijgen als voyeurs het restafval te zien: alles wat doorgaans niet voor ons bedoeld is. Dat draagt vanzelf al iets komisch in zich. Je ziet de toneelspeler naakt.
In ‘KID.’ is dat ook letterlijk zo, of toch in zekere zin. Wanneer Judith de Joode, Simon Van Buyten en Sanne Vanderbruggen ons ongekleed verwelkomen, gebeurt dat met een hartelijke grijns. Meteen wordt duidelijk dat ze niet louter zullen gaan spelen met de machinerie van toneel, maar vooral ook met de grenzen van kindertheater: hoever kunnen en mogen zij gaan met onze kroost aan de andere kant van de wand, terwijl wij er voor één keer niet de kloek over kunnen spelen? We krijgen wel het recht om op elk moment op te stappen met ons kind, maar dan moeten we over het toneel… Heerlijk speelt ‘KID.’ met wat volwassenen van kinderen onderscheidt: ingebakken blokkades door sociale controle.
Humor aan de voorkant levert vanzelf stille tragiek aan de achterkant.
De scherpe dichotomie die BOG. als een muur door zijn publiek heeft gedreven, trekt het collectief vervolgens helemaal door in zijn dramaturgie. Voor de duur van de voorstelling wordt de werkelijkheid herleid tot slechts twee werelden: ‘voor’ en ‘achter’ en ‘kind’ en ‘volwassene’. Anders dan in veel andere achterkant-voorstellingen speelt het echte werk zich in ‘KID’ wél af aan de voorkant, op het toneel. Zodra de drie spelers hun dierenpakjes hebben aangetrokken en onder luid gejoel over de muur zijn geklauterd, krijgen wij er aan de achterkant nog weinig van te zien. We horen wel alles.
Dat is ook precies de bedoeling, want het gaat daar op het podium vooral over ons: ‘de volwassene’. Als in een lesje biologie leggen de verklede beesten aan onze kinderen uit hoe het volwassen dier eruitziet (“met veel haar, daar en daar en natuurlijk ook dáár!”), hoe het ruikt (“met vieze koffiewalmen uit de mond”) of met welke voorwerpen het zijn existentie bevestigt (“van de hogedrukreiniger tot de plooifiets”). Zo essentialistisch het lesje, zo kleurrijk en specifiek zijn de typerende voorbeelden waarmee achttien-plus geportretteerd wordt voor acht-plus.
Daarin is BOG. op zijn best: met opsommingen van alledaagse details die van lieverlee een heel leven in beeld brengen, plus de vergankelijkheid ervan. Humor aan de voorkant levert vanzelf stille tragiek aan de achterkant. Hoge werkdruk, burn-out, overspel, de strijd tegen veroudering, de eenzaamheid van verantwoordelijkheid: allerlei schaduwkanten van het volwassen leven passeren gewoon als trivia, maar net omdat volwassenen meeluisteren naar hoe kinderen ze aanhoren, worden ze tegelijk relatief en dubbel pijnlijk.
De hand van eindregisseur Jetse Batelaan van Artemis herken je dan weer in de geniepige wijze waarop de rollen meer en meer worden omgekeerd. Terwijl kinderen aan de voorkant dingen te horen krijgen die doorgaans enkel voor volwassen oren bestemd zijn – vooral “seks” wordt een heel ding – worden de volwassenen aan de achterkant ingezet als willoze kinderen: om bij scènewissels een jingle te kwelen, om genummerde bordjes met volwassen gedachten omhoog te steken, om over de muur tabak en smartphones te leveren als bewijsmateriaal. Ons enthousiasme blijkt zo groot dat het één Batelaanse bende wordt. Al vormt verschil de mosterd van deze voorstelling, gelijk is het genot aan beide kanten. Zelfs als volwassenen kopen we het als zoete broodjes.
Wat is het familieleven, als doorlopende schuifpuzzel tussen jong en oud, toch een wonderlijke constructie!
Toch is ‘KID.’ zoveel meer dan lol met elk onze leeftijd. Door de oversocialisering van volwassenen en de ondersocialisering van kinderen maximaal uit te buiten, ontpopt het zich tot meta-familietheater van de bovenste plank: in de verkleedkleren van klassieke animatie veegt het net de vloer aan met de nieuwe puriteinse sfeer in veel jeugdtheater. Zo bewijst deze productie nog maar eens hoe vruchtbaar het kan zijn om makers uit het volwassenen-circuit te vragen om ook eens voor kinderen te werken – een traditie die in de jaren negentig begon bij Oda Van Neygen in BRONKS, en die Els Debodt nu ook bij hetpaleis al meerdere jaren consequent doortrekt.
Wanneer ‘KID.’ zijn dichotomie tussen jong en oud aan het slot dan toch doorbreekt, en er zo ruimte komt voor de nuance dat ook volwassen lang niet alles onder controle hebben, daalt er zelfs een lichte existentiële sfeer over de voorstelling neer: wat is het familieleven, als doorlopende schuifpuzzel tussen jong en oud, toch een wonderlijke constructie! Het heeft zijn voor- en zijn achterkant, zijn dierlijke en zijn menselijke grond, zijn hik en zijn slik. Maar als wieg van het leven is het – veel meer dan een tweedeling – één gemeenschap waarin de onvolkomenheid van de ene generatie aangevuld wordt door de kunde van de andere.
Of toch bij het soort kinderen en ouders dat naar zulke maffe én meesterlijk opgebouwde creaties als ‘KID.’ kan komen kijken. Toen, vandaag en hopelijk over acht jaar nog een keer.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz