Jeugdtheater

Oh oh oh dennenboom hetpaleis / Kim Karssen & Hendrik Kegels

Bomen, het zijn net mensen

Met ‘Oh oh oh dennenboom’ (6+) maken Kim Karssen en Hendrik Kegels bij hetpaleis een rebels anti-kerstsprookje voor de grote zaal. Dat is tenminste het opzet: op de bühne verdrinkt de potentieel subversieve en filosofische kern een beetje in het gewoel die de traditie - een feestelijke eindejaarsproductie - van de makers eist. 

Oh oh oh dennenboom
Evelyne Coussens hetpaleis, Antwerpen
26 december 2025

Wat als… de bomen konden spreken? Sinds de bestseller ‘Het verborgen leven van bomen’ (2016) van de Duitse boswachter en schrijver Peter Wohlleben houden we misschien wel voor het eerst rekening met die mogelijkheid, op een manier die voorbijgaat aan de fictionele Disney- en Efteling-invulling van de ‘sprekende boom’. Wohlleben stelt in zijn (wetenschappelijk ook behoorlijk gecontesteerde) boek dat bomen voelen, horen, ruiken, elkaar helpen en voeden via een ondergronds netwerk van schimmels. De populariteit van de idee spoort met een (voor het Westen: nieuwe) opvatting rond het niet-menselijke als dragers van intelligentie en bewustzijn, zie ook het werk van de Franse filosoof Bruno Latour. 

Iets van die ideeën schemert door in ‘Oh oh oh dennenboom’, de traditionele eindejaarsproductie voor de grote zaal bij hetpaleis. Het Antwerpse jeugdtheater vroeg aan het Nederlandse makersduo Kim Karssen en Hendrik Kegels, bekend van beeldend absurdistisch werk voor een jong publiek (onder meer ‘KIER’ en ‘Nietes’), om de voorstelling vorm te geven. Dat vorm geven doen ze uiteraard niet alleen: een grotezaalproductie vraagt om body en dus staat er een grotere cast (naast Kegels ook Frank Focketyn, Adina Macpherson, Thomas Dudkiewicz, Annelotte van Aarst), een combo van drie muzikanten (Erik Bogaerts, Nabou Claerhout, Robin Aerts) maar vooral een arsenaal aan decor- en lichteffecten klaar om de ruimte te vullen. 

Elk jaar rond deze tijd verliest de bomengemeenschap leden aan de ‘zagers’.

We kijken uit op een donker, schijnbaar dichtbebost dennenwoud. Boom voor boom ontwaakt, met een eigen karakter en identiteit. Er is de dominante Cynthia (een heerlijk klassiek zingende Van Aarst), de oude Quirinus die ooit een aanval van de mens overleefde (Kegels), de jonge Mini (Dudkiewicz, met zijn eindeloze arsenaal aan stemmetjes) en de levensmoeë Emo (een aandoenlijke Focketyn). De wat verlegen Ronald (de jazzy stem van Macpherson) wil stiekem een kerstboom zijn, maar dat is in de dennengemeenschap zowat de hoogste vorm van verraad: het K-woord geldt als vloek, de mens als duivel. Elk jaar rond deze tijd verliest de bomengemeenschap leden aan de ‘zagers’, die gewapend met kettingzaag en bijl hun slachtoffers komen uitkiezen. En ja hoor, daar zijn ze al: ‘Gilbert en George’ (Kegels en Dudkiewicz) dienen zich aan als schorriemorrie van het ergste soort. Of zijn ook zij maar radertjes in een kapitalistisch en vervreemdend systeem dat hen overstijgt? De ‘totale leegverkoop’ van het bos is een pars pro toto voor de totale uitputting van de hele planeet - de mens incluis. 

Kerstsprookje met sprekende bomen

Dit kerstsprookje bestaat uit gelaagde verhaallijnen die mooi op elkaar ingrijpen. Het trauma van de door mensen gemartelde Quirinus, de doodswens van de neerslachtige Emo wiens takken kaal zijn uit gebrek aan zelfvertrouwen, het verlangen van Ronald om zich te ‘outen’ als kerstboom: ze tonen aan dat een gemeenschap ook altijd een verzameling van individuen is. In de stoere borsten van de op het eerste gezicht plat-vulgaire Gilbert en George schuilt eenzaamheid en een groot verlangen naar vriendschap en (homo-erotische?) liefde. Bij boom en mens speelt het tekort van ‘niet gezien worden’ en ‘niet zichzelf mogen zijn’. In beide ‘kampen’ blijkt een verrader-aan-de-soort te schuilen (door een individu dat trouw aan zichzelf wil blijven). Het is een hyper-actuele psychologisering van een hedendaags discours kortom, waarin de spanning tussen een normatieve gemeenschap en individuele verlangens boven komt drijven.

Kegels en Karssen hebben een eigen, absurdistische stijl, maar uitvergroot tot in de grote zaal gaat deze (voor het eerst) de diepgang in de weg zitten.

Daarbovenop spinnen Karssen en Kegels als ‘toplaag’ de filosofische vraag naar dominantie van de mens over het niet-menselijke. Niet alleen binnen de gemeenschappen ontstaan spanningen, maar wanneer een van de mensen de bomen ‘ziet’ en ontdekt dat ze spreken, communiceren, gevoelens hebben, komen mens en boom tegenover elkaar te staan. ‘We zijn geen bos, we zijn boos’! De bomen zeggen ‘genoeg’ en verklaren de mens de oorlog. Nog voor het uiteindelijk tot toenadering en dialoog kan komen (want 'Luisteren doet groeien’) volgt eerst een ietwat knullig-grotesk bomen-Armageddon waarin bomen de lucht in gaan, mensen worden gegijzeld en kettingzagen in slow motion in het rond zwaaien. 

Dat laatste is misschien wel het belangrijkste obstakel dat ons verhindert om de betekenis van dit sprookje ten volle te laten binnenkomen. Kegels en Karssen hebben een eigen, absurdistische stijl, maar uitvergroot tot in de grote zaal gaat deze (voor het eerst) de diepgang in de weg zitten. Je vraagt je af of de groteske dimensies van spel, decor, licht en geluid nog wel toestaan dat er iets wordt gevoeld. Uitzondering vormen de liedjes, die heel even de actie stilzetten en inzoomen op wat er eigenlijk aan de hand is. ‘Als je maar geeft, om alles wat leeft’ - wanneer Frank Focketyn het zingt, met zijn breekbare stem, dan luister je. Ik weet niet goed of je de makers dit verlies aan dialoog (ironisch, want daar is het in deze voorstelling net om te doen) tussen zaal en bühne kan kwalijk nemen - het lijkt er eerder op dat ze zijn overrompeld door een genre (het eindejaarspektakel) dat in heel wat opzichten tégen hun artistieke idee werkt. 

Om echt subversief en gewaagd te zijn, is ‘Oh oh oh dennenboom’ toch echt veel te antropomorf.

Maar er is nog een hinderpaal, eentje die niets te maken heeft met de vormelijke vereisten van de grote zaal. Om echt subversief en gewaagd te zijn, is ‘Oh oh oh dennenboom’ toch echt veel te antropomorf. De parallel tussen bomen en mensen zorgt dramaturgisch gezien voor een heldere en mooie verdubbeling van de emotionele processen, voor herkenbaarheid en identificatie bij een jong publiek, maar het staat een echt ‘rebelse’ lezing in de weg. Bomen zijn net mensen, dus de grote verzoening tussen boom en mens die aan het einde volgt betekent niets meer dan een verzoening tussen gelijken - geen aanvaarding van het andere.

Het punt van Wohlleben, Latour en consoorten is juist dat we van bomen moeten houden en ze respecteren in hun boom-zijn, toch? En dat we kunnen houden van het niet-menselijke, ook en juist als dat anders is? ‘Oh oh oh dennenboom’ verschilt uiteindelijk qua benadering niets van ‘De Sprookjesboom’ in de Efteling, met zijn aandoenlijke grote ogen en diepe basstem. ‘Je kan van veel dingen houden’, zo wordt er gezongen, maar blijkbaar toch vooral van dingen die lijken op jezelf. Dat laatste meegeven aan zesjarigen is een gemiste kans.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Steunen Login