Performance

The latecomers Jozef Wouters / Decoratelier

Omgekeerde archeologie

Decoratelier, het artistieke bedrijf van Jozef Wouters en de zijnen verhuisde recent naar een verlaten fabriek in hartje Sint-Jans-Molenbeek. Daar is een merkwaardig universum ontstaan. We zijn er te gast. We dalen af in kelders, in grotten, alsof we keken naar een soort archeologische site waarin trage mensen leven, tussen hout, klei, katrollen, schuimrubber. Dit zijn ‘The Latecomers’. Gaat deze wereld ten onder, of blaast men haar nieuw leven in? Dat blijft in het midden.

The latecomers
Klaas Tindemans Decoratelier, Kortrijkstraat Sint-Jans-Molenbeek, in het kader van Kunstenfestivaldesarts 2026
21 mei 2026

Toen de  huur van zowel het Decoratelier van Jozef Wouters als van het sociaal restaurant Cassonade opgezegd werd in de Manchesterstraat omwille van een upgrade van die site vonden ze samen een leegstaand fabriekspand in de Kortrijkstraat. Ook dat is slechts een tijdelijk verblijf. De gemeente Sint-Jans-Molenbeek wil de site afbreken en er een park van maken. Molenbeek heeft talloze kleine parken, maar het kunnen er natuurlijk nooit genoeg zijn.

Bodemvervuiling

Dat plan stuit echter op onoverkomelijke praktische bezwaren. De fabriek was een installatie voor galvanisatie, een techniek om staal en andere metalen elektrolytisch te voorzien van een laagje zink, koper of tin om ze te verduurzamen of veredelen. Voor bodemvervuiling had men destijds weinig oog, zodat de grond van de Kortijkstraat verzadigd is van zware metalen en ander chemisch afval. Hoeveel en tot op welke diepte weet men niet, daarvoor zijn de bodemkaarten van Molenbeek lang niet precies genoeg. Zo ging dat toen, en wie weet nog altijd.

Het plan is nu om alle vervuiling te bedekken met overvloedig veel ‘gezonde’ grond zodat gras en bomen kunnen groeien en spelende kinderen niet ziek worden. Molenbeek mag geen Hoboken worden. Tegelijk gaat zo wel een stuk geschiedenis verloren, een deel van het verleden van het industriële Molenbeek, van de mensen die rond de fabriek woonden, daar een leven opbouwden. Er is geen stadsarcheoloog die de operatie begeleidt. Alles wordt onherroepelijk dichtgegooid. Significante details in het verhaal van de industrialisatie, dat zeker geen simpel vooruitgangsverhaal is, worden zo uitgewist.

Omgekeerde archeologie: je begraaft zelf gefabriceerde brokstukken van een al dan niet fictief verleden voor de archeologen die nooit zullen komen.

Ter compensatie van dit plaatselijk geheugenverlies maken Jozef Wouters en Decoratelier, met Cassonade als genereuze gastheer, voor wie nostalgisch terugblikt op de industriële bloei van weleer hun eigen verhaal. Ze bouwen in ‘The Latecomers’ hun eigen archeologische site,. Omgekeerde archeologie dus: je begraaft de brokstukken van een al dan niet fictief verleden, je fabriceert die brokstukken zélf, en je legt ze klaar voor de archeologen die nooit zullen komen.

We worden dus verwelkomd in Cassonade. Daar zijn nog onderdelen te zien van de set van het interieur van de oude locatie. Dat zijn decorstukken, ooit gebruikt voor de TV-serie ‘Grond’, over een Marokkaans-Belgische begrafenisonderneming. In het midden van de ruimte staat een vierkante zuil, met tegels bekleed. Enkele mensen zetten zich aan een tafel die rond die zuil gebouwd is. Verbazing alom als de zuil plots opgetrokken wordt en een fel licht op de tafel werpt.

Archeologische mijmeringen

Op het nu vrije tafelblad zetten medewerkers voorwerpen neer. De performers geven er half geïmproviseerd commentaar op. Een ei brengt een gesprek over oorsprong op gang. Bij een maquette van een  trap (de echte trap zien we ook, aan de rand van de ruimte) gaat het over gevaar, want bij de bovenste trede gaapt een afgrond. Op het balkon van dit zaaltje maakt iemand ondertussen radio (of een podcast). De reporter vertelt over de achtergrond van het gebouw en betreurt het gebrek aan archeologische aandacht. Hij zal de mijmeringen bij de objecten rond de zuil af en toe onderbreken, ‘objectiveren’ als het ware. De objecten, als waren het potscherven van 2000 jaar terug, gaan zo subtiel deel uitmaken van het materieel erfgoed van deze plek. Ook de zuil zelf, in maquettevorm en met arabesken versierd, verschijnt, met commentaar.

Er heerst een soort tijdloosheid waarin de seizoenen de werkzaamheden en de herinneringen ordenen.

Voor het tweede deel wandelen we naar achteren, naar een plaats waar grotten in klei zijn geboetseerd, die enigszins doen denken aan de troglodieten in de Sahara, pleisterplaatsen van de bedoeïenen. Een tiental performers, gewapend met een mobiele bewakingscamera, graven voorwerpen op. Sommige zijn herkenbaar (een dobbelsteen), de meeste ondefinieerbaar. Ze geven die aan elkaar door en zo ontstaat een stapel telkens weer veranderende vondsten. Op de radio vertelt een archeologe over de bijzondere uitdaging die een industriële site vormt voor haar werk. Het gaat steeds meer op een traag, repetitief ritueel lijken. De bewegingen zijn nauwkeurig. Zelfs een vormeloos klontertje klei verdient respect. De hele ruimte baadt in de beige kleuren van woestijnzand. Er heerst een soort tijdloosheid waarin de seizoenen – elke zomer trekt een (imaginair) team archeologen naar de site, zoals destijds naar het Turkse Sagalassos – de werkzaamheden en de herinneringen ordenen.

Verleden tegenover heden

Daarna gaat de tocht verder naar nog meer afgelegen, vergeten plekken. We passeren enkele maquettes – de trap-met-afgrond staat er ook weer, nu iets groter – en kijken op naar een reusachtige gevel, een dik doek waarin vensters en bakstenen gesculpteerd zijn, als bas-reliëf. De performers lopen rond in een onoverzichtelijk decor, ze planten korenaren in de gevel, ze schilderen bloemen op de grond, ze steken kaarsjes aan, ze zetten thee op een plek waar de koekjes en de taarten ook van klei zijn. We weten niet meer waar we moeten kijken, er gebeurt teveel.

Mensen gaan liggen op de stoffige grond, ze worden door anderen bedekt met voorwerpen, zoals een overleden farao in een piramide (deze dingen gaan mee naar het hiernamaals), of met spiegels, zodat we onszelf herkennen in het dode verleden. De gevel zakt naar beneden, wordt neergelegd, er ontstaat een veld met korenaren. Uit het plafond zakt een reusachtige vis, bekleed met zilverpapier (een hint naar galvanisatie?), poppen uit schuimrubber liggen naast échte mensen.

Een verleden waarvan men wenst dat toekomstige generaties de vreugde én de tristesse ervan helder kunnen begrijpen.

Tussendoor drinken deze arbeiders thee zonder iets te zeggen. Het ritme is heel gelijkmatig, de handelingen zeer secuur. Ambient muziek onderstreept het gebeuren, maar dit middelmatige geluid is irritant, vloekt met zoveel respect voor mensen en dingen, of ze nu dood of levend, bewaard of vergaan, begraven of opgegraven zijn. Het is niet de hel van Dante waar we naar kijken, hoe triest de schijndoden soms ook ogen, het is een bewegend beeld van een niet echt doelgerichte reconstructie van een imaginair verleden, een verleden waarvan men wenst dat toekomstige generaties de vreugde én de tristesse ervan helder kunnen begrijpen. Over de interpretatie van dit veld van ruïnes kan geen eensgezindheid ontstaan, en maar goed ook.

‘The Latecomers’ toont figuren die te laat komen om het échte verleden op te graven. De gemeente Sint-Jans-Molenbeek, het bureaucratische heden, gooit immers alles dicht. Dus creëren ze, met tomeloze liefde, hun eigen geschiedenis, en die is verwarrend. Zoals we zelf ook geen vat hebben op ons geheugen, zoals we niet kunnen beslissen tot welke herinneringen we toegang hebben, en dat wordt met het ouder worden almaar lastiger. Tijdloosheid en eindigheid liggen dan dicht bij elkaar. Echt treuren over de vergankelijkheid van deze industriële plek is moeilijk, de ecologische ramp die dit heeft aangericht, plus het onvermogen om de reële omvang ervan in kaart te brengen, dat is wat we kunnen onthouden.

Jozef Wouters en de zijnen brengen dat verhaal van vervuiling niet expliciet ter sprake in de voorstelling, maar de ruïnes die ze knutselen zijn geen ‘vervallen’ romantische tempeltjes in een 19deëeuwse tuin. Dit is een woestijn – de beige kleuren zeggen alles, en het stof waait soms op – die fossielen bedekt. Het is beter die, na dit ontzagwekkende toonmoment, onaangeroerd te laten en, hopelijk in de nabije toekomst, kinderen in het gras te laten spelen. Dan kan Decoratelier verder trekken, zoals de bedoeïenen. Of klinkt dit ook te romantisch? 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz