Performance

What happens with a dead fish? Lina Lapelyte / Pool is cool / Decoratelier

Een uitweg uit een onverbiddelijke cyclus

‘What happens with a dead fish’ is een voorstelling hors norme, zelfs op een avontuurlijk festival als het Kunstenfestivaldesarts. De Litouwse Lina Lapelyté grijpt het zwembad dat het festival bouwde aan het kanaal in Brussel aan voor een diep melancholische reflectie over het leven als een cyclus die zich van onze ambities en gedachten niets aantrekt. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
What happens with a dead fish?
Pieter T’Jonck Pierre Marchand brug, Anderlecht
Kunstenfestivaldesarts
meer info
06 juli 2021

Het nieuwe, tijdelijke openluchtzwembad dat ‘Pool is Cool’ en Decoratelier in elkaar staken aan de Biestebroekkaai in Brussel ziet er fantastisch uit. Het ligt aan een vernauwing in het Kanaal Brussel-Charleroi, vlak naast  de Pierre Marchand Brug. Dat betonnen gevaarte verbindt de rommelige verzameling industrieloodsen op ‘Klein Eiland’ met een onverwacht idyllische plek aan de overzijde van het kanaal, op de weg naar het centrum van Anderlecht.

Decoratelier bouwde rond een ondiepe kuip van 7 bij 17 m een geheel van kleedkamers en plankieren, die bekroond wordt door tribunes aan weerszijden van het bad. Die tribunes steunen slim af tegen het hoofd van de brug, zodat je vanaf de brug heel vlot kan afdalen. Een artificiële boom aan de kop van het zwembad voegt een leuke versiering toe aan een installatie die erg goed uitgekiend werd, met veel plaats om handdoeken en kledij te leggen of te hangen en leuke hoekjes om te zonnebaden.

Het Kunstenfestivaldesarts presenteert dit zwembad als één van de ‘voorstellingen’ van het festival. Een gouden greep: het slaat er twee vliegen in één klap mee. Plots bereikt het een ander publiek, maar de installatie vestigt ook de aandacht op een prangend probleem in Brussel: waar moeten jongeren heen op warme dagen als er nergens een zwembad is?

Het zwembad is echter ook voor enkele dagen het toneel van een performance van de Litouwse Lina Lapelyté. De naam zegt je misschien niets, maar goed om te weten is dat ze bij de opening van de Biënnale van Venetië in 2019 binnen de kortste keren van een geheimtip tot een monstersucces uitgroeide en de Gouden Leeuw voor het beste Nationale Paviljoen wegkaapte.

Met reden. Ook al lag het Litouwse paviljoen niet in de Giardini, maar in een wat afgelegen volksbuurt in de wijk Castello, je vond de locatie moeiteloos, want er stonden al van heel ver mensen aan te schuiven om toch maar een blik te kunnen werpen op haar installatie ‘Sun and Sea (Marina)’. In een oude industrieloods had ze een strand aangelegd. Daar verzamelden zich een hoop badgasten. Het leek sprekend op een echt strand aan zee, met jong en oud, dik en dun, mooi en lelijk door elkaar. Families met kinderen zochten er een plekje tussen jonge koppels of uitgezakte bejaarden. En maar schransen en zonnebrandolie smeren. Je zag het allemaal vanaf een gaanderij op de etage.

Het was een bevreemdend zicht, alleen al door de landerigheid en verveling die de performers uitstraalden. Die leek als twee druppels water op die van een echt dagje aan zee. In een oude fabriek in de lagunestad kreeg dat iets surrealistisch, zeker als de bewoners van dit strand het op een zingen zetten: zeurderige, licht poppy deuntjes, met eindeloos lange teksten. Ze raakten allerlei thema’s aan, van het absurde van toerisme en consumptie tot zwaarmoedige overwegingen over de teloorgang van de planeet (waar dat toerisme dan weer debet aan is natuurlijk).

Diezelfde Lina lapelyté streek nu dus neer aan het zwembad in Brussel. De performance die ze er toont is minder grootschalig dan die in Venetië, maar daarom niet minder belangwekkend. Ook hier gaat het over verlies en een onbestemd onbehagen in de cultuur. Het begint als een ritueel, geleid door twintig mensen die allen dezelfde grijzige, glanzende overall met kap van flinterdunne kunststof dragen.

Onverbiddelijkheid die zinloosheid wordt

Ze overhandigen tientallen half bolvormige schalen aan toeschouwers, met de vraag om ze verder door te geven. Het zijn vreemde dingen: het materiaal is porselein, maar aan de buitenkant lijken ze  door een patroon van lijnen en een bobbelige sinaasappelhuid op rubberen ballen om te sporten. In twee gesneden ballen dan wel, die aan de binnenzijde het kunstig craquelé van Japans sierporselein vertonen. De schalen evoceren daardoor zowel zwembadpret (de bal) als verfijnd eetgenot (het craquelé).

Die schalen glijden uiteindelijk het zwembad in, waar ze ronddobberen in clusters tegen de randen. De twintig performers gaan meteen mee het bad in. Ze nemen er plaats op en voor een schavot dat zich onder het wateroppervlak bevindt. Dat schavot lijkt op het ereschavot van een sportwedstrijd, met dat verschil dat de laagste positie zich in het midden bevindt, en er aan elke zijde daarvan drie stappen omhoog zijn.

Eens opgesteld heffen de performers een dromerig  lied aan, dat ze misschien wel twintig keer herhalen. Het bevat niets dan vragen. ‘Wat gebeurt er met eten dat over tijd is? Wat gebeurt er met teruggenomen hout? Wat gebeurt er met je lichaamsvloeistoffen? Wat gebeurt er als je er niet bent? Wat gebeurt er met je haar dat uitvalt? Wat gebeurt er als je een signaal mist? Wat gebeurt er, wat gebeurt er? (3x)’.

Geen vragen waar je meteen een antwoord op hebt. Daar gaat het dus ook niet om. Het gaat alweer over de vage onrust over wat we betekenen, over waar we vandaan komen en waar we heen gaan.  Dat wordt symbolisch gerepresenteerd als op het einde van het lied de twee performers op het hoogste schavot in het water vallen en terugkeren naar de laagste trap ervan. Het beeld dat we zien verandert zo net zo min als het lied, op de posities van de performers na. We zien een onverbiddelijke cyclus. Een rad van fortuin. Onverbiddelijkheid die zinloosheid wordt. Blind toeval. Even toevallig als het getik als de dobberende schalen elkaar raken. (Hier leek overigens iets mis te lopen: het geluid moest blijkbaar versterkt worden, maar dat werkte maar half).

De cyclus komt tot een einde met een tweede treurlitanie. De performers verspreiden zich in het water. Ze zingen nu over hun lichaam dat ontbindt tot voedsel voor de vissen, maar dan ook over ‘wat gaan we eten’. Ook daar weer: een cyclus. Ondertussen laten ze de schalen vol water lopen zodat ze naar de bodem zinken. Zelf drijven ze finaal ruggelings op het water, als dode vissen. De kunststof pakken die ze dragen roepen nu onmiskenbaar glanzende vissenhuiden op.

Als je goed luistert hoor je ook een tegengeluid, een gedachte die de zinloze, onverbiddelijke cyclus van leven en dood tegenspreekt. ‘What happens when you forget to breathe? What happens if the air is not what you need?’ En dan de laatste zin: ‘What happens when you have no needs?’. Als je het zo leest: woorden die een diepe depressie, vermoeide verzaking uitdrukken. Wat als je uit de cyclus stapt? Uit de tredmolen? Het is een vraag die blijft zinderen. 

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Abonneren Login