Dans

Figures of Speech Femke Gyselinck / GRIP & Lander Gyselinck

Dans is ritme is dans is ritme...

Femke Gyselinck, danseres en choreografe, en Lander Gyselinck, drummer, zijn broer en zus. Ze maakten tien jaar geleden al eens samen de voorstelling ‘Flamer’ . Ze wisselden daarin van rol. Femke zat aan de drums, Lander danste. ‘Figures of speech’ gaat verder op dat idee: dans en ritme spelen hier voortdurend haasje over in een wonderlijke fusie. Het stuk demonstreert zo met verve dat dans en ritme elkaar oproepen en nodig hebben. Meer is het niet. Meer moet het ook niet zijn.         

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Figures of Speech
Pieter T’Jonck Concertgebouw, Brugge
11 april 2026

De dansers en muzikanten – al zie je geen verschil tussen beiden - staan al op het podium als het publiek de zaal binnenkomt. Op zich niet ongebruikelijk. Ongewoon is echter dat ze allemaal bevroren lijken in één of andere danspositie. Tarek Halaby  is de uitzondering die de regel bevestigt: in het schaarse licht van de verticale lichtstrips die het podium omkransen schuifelt hij achteraan op de vloer heen en weer, met de rug naar het publiek. Zijn armen staan omhoog in een hoek, maar niet helemaal gelijk, zodat het lijkt alsof hij zijn evenwicht zoekt.

Als het zaallicht dooft ontdooien alle performers en beginnen net zo heen en weer te schuiven, in stilte. Als bij toverslag vaart er dan in al die lichamen tegelijk een vonkje swing. De armen wiebelen nu net niet synchroon, een eerste zweem van de complexe ritmes die de voorstelling gaan beheersen. Dat ritme zet door als een paar dansers hun gewicht van het ene naar het andere been verplaatsen en meteen gaan huppelen, om even later ook een been met een ruk op te trekken.

Als vanzelf leidt die crowd tot crowdsurfing: de groep heft Femke Gyselinck  de lucht in.

Amanda Barrio Charmelo leidt uit dat trekkebenen nog een nieuw patroon af: ze wandelt voor langs het podium met opgetrokken knieën en geeft er dan een ferme klets op. Wandelen wordt percussie. Ook die figuur verbreidt zich als een lopend vuurtje terwijl de dansers steeds dichter op elkaar, in een steeds hechter patroon, rug naar de zaal, over de vloer zwerven. Als vanzelf leidt die crowd tot crowdsurfing: de groep heft Femke Gyselinck  de lucht in. In een lange vlucht naar rechts zakt dit bouwsel van lijven dan in elkaar tot een innig verstrengelde ring.

Polyritmiek

De scène bevat in miniatuur alles wat de voorstelling zal bieden: een polyritmiek van vele, vernuftig verweven figuren. Pas dan volgt de muziek. De vier muzikanten in de groep, Lander Gyselinck, Hui-Chi Li, Mien Heyvaert en Wouter Van Asselbergh vatten plaats achter vier drumstellen, aangevuld met andere percussie zoals twee marimba's en een vibrafoon. Een uur lang produceren ze een steeds weer verrassend, polyritmisch, swingend klanktapijt. Niets klinkt hier ooit ‘zomaar’ als een trommel, een grote trom of een cymbaal: de akoestische mogelijkheden van elk instrument worden tot het uiterste benut.

Nu zijn het de dansers die volgen. Verspreid over het voortoneel in een wat onbestemde orde demonstreren ze nieuw materiaal. Sommigen laten de vingers van hun twee handen fladderend naar elkaar toe bewegen, alsof ze zochten naar aanraking. Anderen stappen wat waggelend rond met de armen in vreemde hoeken boven het hoofd. Veel dansers halen later zijdelings uit met armen die ze dan weer schichtig intrekken, alsof ze iets naar zich toe wouden halen. Pas dan komen ze ook van de grond, met grote sprongen die dan bruusk stilvallen. Op een wonderlijke manier lopen al die figuren echter precies in de pas met de duivels complexe percussie.

Dat blijkt nog sterker als de dansers min of meer op één lijn vooraan komen te staan. Nu bewegen telkens maar één of twee dansers voluit, terwijl de anderen zich gedeisd houden. Toch kunnen ze ook dan niet verhelen dat hun hele lijf trilt van verlangen om mee loos te gaan. Het is een levendig beeld van solisten die, net als de percussionisten, toch uiterst precies op elkaar inspelen.

Solisten én teamspelers

 ‘Figures of speech’ geeft die solisten daarna even vrij baan. JB Portier is de eerste met een lange solo. Er volgen er nog meer tot die van Sue Yeon Youn uitloopt in een trio met Tarek Halaby en Femke Gyselinck. Het samenspel van percussie en bewegende lijven wordt daarna zo aanstekelijk dat ik mezelf erop betrap mee te wippen op mijn stoel.

De verhoudingen tussen muzikanten en dansers keren nog één keer om. Halaby en Barrio Charmelo voeren in stilte een kleine pas de deux op. Op het einde dwingt zij hem zacht maar beslist op handen en voeten en laat zich dan dwars neerploffen op zijn rug. Halaby begint daarop een stotend gehijg uit te brengen, waar zij weer op inspeelt. Een na een vervoegen de anderen hen, ook de muzikanten, om een kluwen van ritmisch ademende, kreunende, hijgende en steunende lijven te vormen.  De dansers hebben hier de partituur overgenomen en de muzikanten erin meegesleept.

De sound is steeds voller, de bewegingen steeds heftiger, maar alles nog steeds even precies.

De verhoudingen veranderen nogmaals als enkel de twee vrouwelijke percussionisten de tot dan toe onaangeroerde marimba's bespelen. Het is de aanzet van een lang uitgesponnen finale waarin zowel de dansers als de muzikanten alle remmen lossen: de sound is steeds voller, de bewegingen steeds heftiger, maar alles nog steeds even precies. Femke Gyselinck begint zo plots als een razende heen en weer te trippelen, vooruit en achteruit, alsof er ze door een wesp gestoken werd. Thomas Vantuycom, die tot dan wat op de achtergrond bleef, laat zien waar zijn machtige lijf toe in staat is in wilde glij-valbewegingen en grootse sprongen.

De sobere scenografie van Aslι Ciçek en de subtiele belichting van Elke Verachtert spelen een grote rol in de visuele impact die dit heeft. De lichtstrips rondom de vloer omarmen het spel en houden het samen terwijl de voortdurend wisselende lichtinval, met een kleur die varieert van blauwig wit tot wazig oranje en een enkele keer schemerig rood, de dansers ook figuurlijk in steeds nieuw licht zet.

‘Figures of speech’ eindigt als een heuse show van wat iedereen in zijn mars heeft. Een licht ironische kers op de taart is het moment waarop alle dansers op één lijn achter elkaar gaan staan en om beurt, als in een Broadwayshow, naar voor komen om hun meest virtuoze sprong of armzwaai te demonstreren voor ze opzij springen voor de volgende. (Het leek me ook een knipoog naar Trisha Brown: ook zij had – denk maar aan haar opera ‘L’ Orfeo’ - een voorliefde voor zo’n simpele magie.) En dan komt alles nog eens samen in een laatste uitspatting van klank en beeld, ritme en beweging.

Op dat hoogtepunt stopt de voorstelling. Net op tijd, want de elektriciteit die in de zaal ging hangen wil zich ontladen: het laatste ritme is een oorverdovend applaus van het publiek. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz