Agressively Modern Times Ferre Marnef
Sonische zelfsabotage
Theatermaker, muzikant en graficus Ferre Marnef staat terug op de planken en heeft ‘big shoes to fill’. In de concert-performance ‘Aggressively Modern Times’ onderzoekt hij met virtuoze sonische slapstick en ironische zelfspot wat het betekent om als artistieke projectariër productief te zijn. Dat hij samen met zijn vier kompanen als een volleerde Charlie Chaplin zichzelf steeds saboteert, is een erg nuttige en effectieve wijze om zijn punt aan de man te brengen.
Een dreigend zomers onweer wil de vertoning van ‘Aggressively Modern Times’ op de buitenkoer van het Gentse De Koer schijnbaar saboteren. In een poging de volgens de buienradar felle regen te ontlopen vangen we een halfuur later aan. Wanneer we dan toch starten vraagt Ferre Marnef of we niet bang zijn van de regen. "Nee," antwoordt het publiek in koor. "I am", floept performaner en muzikant Maya Mertens aka Vieze Meisje eruit. Samen met ook choreograaf Femke Gyselink, geluidskunstenaar Lawrence McGuire en acteur Jeroen Van der Ven zetten Marnef en Mertens toch door. Het zou zonde zijn voor al die Brusselaars die net als ik de première in Pilar misten en nu helemaal tot in Gent afreisden.
Die hele wachttijd horen we op de achtergrond blatende schapen. Waarschuwen zij ons voor de stilte voor de storm? Het achtergrondgeblaat verwijst vooral naar het gekende openingsbeeld van Charlie Chaplins ‘Modern Times’ (1936) waarin een opeengepakte kudde schapen overloopt in een massa arbeidskrachten die vanuit de metro de fabriek instroomt.
Niets van het scènebeeld doet echter denken aan de fabriek. Eerder kijken we naar een concertzaal of repetitiekot. Losse microfoons en snare-, bassdrums en toms van een drumstel met elk een replica uit geel koudschuim staan en liggen her en der verspreid. Aan de achterkant van het speelvlak hangt een rood theaterdoek. Het is beschilderd met een typisch concertpodium. Wat verder opvalt zijn de tracklist die op de grond plakt en in een hoek de gekende rode stofzuiger Henry met zijn aanstekelijke, stoute glimlach. Is de hedendaagse fabrieksarbeider een muzikant geworden?
De virtuoze post-fordist
Cultuurfilosoof Paulo Virno zou dat zeker bevestigen. In ‘A Grammar of the Multitude’ (2004) laat hij zien hoe arbeid tijdens het fordisme, het socio-economische systeem gebaseerd op de productiewijze van autofabrikant Henry Ford, nog draaide om het maken van een tastbaar product aan de lopende band zoals ook in ‘Modern Times’. Met het post-fordisme verschuift dat model naar dat van de virtuoos als prototype-werkkracht. Daarbij levert de virtuoze muzikant/danser/spreker niet langer een product maar is wat hij/zij/hen doet het product zelf. Denk aan een consultant die met een team een workshop doorloopt of een streamer die live content maakt op YouTube of Twitch. Hedendaagse arbeid mobiliseert zo vooral taal, communicatie, sociale samenwerking en creatief denkvermogen om waarde te realiseren. Arbeid verwordt zo tot een performatieve activiteit die gebeurt voor een publiek.
De slogans die worden ontrold lezen als een soort antikapitalistisch manifest.
Virno zou zich overigens ook wel kunnen vinden in de slogans die via een tergend traag afrolsysteem op bric-a-brac doeken doorlopend tijdens de voorstelling worden gepresenteerd. Eerst volgt nog de titel van de voorstelling ‘Aggressively Modern Times. A story of industry, individual enterprise – humanity crusading in the pursuit of happiness.’ Daarna ontrollen leuzen en aforismen als ‘Professionalism + Silence = Burn-out’; ‘Artists are immortal’; ‘Abolish monopolies’; ‘How many freelancers does it take to be free?’; ‘I love my job help me’ of ‘Abolish applications’. Samen vormen ze een soort antikapitalistisch manifest dat je ondanks zijn traagheid onmogelijk volledig kan lezen en volgen door alles wat er, zoals in de beste slapstick traditie, voor het doek zal voorvallen.
Sonische slapstick
Dat afrollen vormt trouwens het eerste nummer van onze vijf virtuoze allround-performers die samen muziek, theater, geluidskunst, dans, grafiek en alles daartussen combineren. Dat einde wordt maar duidelijk wanneer Marnef plots naar een micro loopt en enthousiast “Thank you! Next Song!” uitroept. Nadien volgen nog negen nummers. In ‘The Traditional Scientific Newtonian Clockwork Universe’ starten de muzikanten liggend op de trommels. Vervolgens glijden ze er traag als slakken over. Tot ze het tempo plotsklaps de hoogte in jagen en ze hectisch heen en weer met de trommels over de scène lopen. Het doet denken aan de scène waarin Chaplin vast komt te zitten in het radarwerk van zijn lopende band. Zien en horen we hier dan het productieproces van deze virtuoze muzikanten? Het leidt alleszins niet tot een eindproduct, want slechts bij een volgende “Thank you” weten we dat het nummer gedaan is.
Elk nummer toont steeds zijn eigen virtuoos gekunstel en geknutsel.
Nadien volgt de hit ‘The Atomized Individual Who Mistakes His Screens For The World As He Mistakes His Feeling For His Thoughts’. Of niet, want Mertens morst een glas water, en dus opnieuw break. Meteen schiet het vijftal in actie om alles op te kuisen. Maar klak-tikketak en kleng-klang, de dweilstokken en -koppen vliegen in het rond en landen na allerhande salto’s keer op keer op de grond. Platsjen en ploetsjen volgen wanneer steeds nattere dweilen op de vloer worden losgelaten. Net als in de vorige scène vormt het geheel een dolkomische en vooral sonische slapstick. De geluiden zijn zo heerlijk herkenbaar dat ik gewoon even mijn ogen sluit en me overgeef aan de grappige klankchaos.
Elk nummer toont steeds zijn eigen virtuoos gekunstel en geknutsel. Ergens lijk je hier inzicht te krijgen in de plunderfonische werkwijze van Sergeant, de band van Marnef. In die band, samen met leden Benjamin Cools en Geraldine Vanspauwen, plakt hij vanuit verknipte jams en loops samples aan elkaar tot even ontregelende als wonderlijke klankcollages. Hier in 'Agressively Modern Times' maakt het vijftal in een volgend nummer op erg vinddingrijke wijze geweldige, diep ontspannende geluiden met enkel wat plastieken buizen en ballonnen. Het leidt tot een rustpunt. Tot Van der Ven out of nowhere in koket Engels een relaas afsteekt over de onmogelijkheid je instrument te beheersen én er je beroep van te maken. Het voelt als een kritiek op virtuositeit, al blijft hij als een volleerd vakman rond het precieze punt draaien.
Projectmatige zelfsabotage
Rode draad door de nummers is het precaire bestaan van de kunstenaar als projectariër. Die blink uit in continue flexibel en constant beschikbaar zijn, werkt projectmatig en springt van het ene naar het andere en tussen projecten, is zelfsturend, doet de eigen boekhouding, is gedreven door intrinsieke passie en is stevig vernetwerkt, zegt nooit nee en grijpt elke kans, zelfs tot ver over de eigen grenzen. Tegelijk is die ook een ‘Me Inc.’ die zichzelf zichtbaar en opportunistisch in de markt zet als brand, en dat vaak ten koste van anderen. Dat leidt tot een opnieuw hilarische scène met reusachtige schoenen en zwarte skinsuits. De Kunstenaar-Ondernemer financieert en vermarkt bovendien ook de eigen projecten, wat hier de facto gebeurt met de verkoop van live met graffiti bespoten band merchandise met de treffende slogan ‘I love my job help me’. Een spiegel-scène toont treffend hoe iedereen maar meestapt in dat neoliberale model als een kudde schapen.
Er is al veel geschreven over het precaire bestaan van de kunstenaar en wat dat vertelt over onze tijd. ‘Aggressively Modern Times’ toont dat met aanstekelijk spel en geluid.
Kunstenaars zijn vrij, zo vrij dat ze kunnen doen wat ze willen wanneer ze dat willen. En die vrijheid willen ze zeker niet opgeven. Maar tegelijk leidt dat tot een hoop onzekerheid en precariteit. Die onzekerheid wordt dan weer gecounterd door (een retoriek van) zorg voor anderen en vriendschap om te volharden in een veld vol ondragelijke, structurele instabiliteit. Een naakte Marnef helpt zijn kompanen met het van buiten leren van moeilijke teksten uit o.a. ‘How to Be an Anticapitalist in the Twenty-First Century’ van Erik Olin Wright. Maar wanneer nochtans native speaker McGuire toch zijn complexe zinnen niet te pakken krijgt, slaat de sfeer om en mag hij beschikken. Tot zover dat (discours van) zorgen voor elkaar. At the end, staat Marnef eenzaam en alleen in zijn blootje.
Er is al veel geschreven over het precaire bestaan van de kunstenaar en wat dat vertelt over onze tijd. ‘Aggressively Modern Times’ toont via tien nummers, elk haast projecten op zichzelf, opnieuw zo’n portret van de kunstenaar als werker en reflecteert hoe het als werk geproduceerd wordt. Het doet dat met aanstekelijk spel en geluid, een hoop plagerige, ironische zelfspot en vooral een DIY-mentaliteit. Het neemt zichzelf nergens echt serieus. Soms voelt het zelfs als een wat luie uitvoering van alles wat er al over die kunstenaar-projectariër gezegd is. Zo saboteert ‘Aggressively Modern Times’ keer op keer zichzelf. Dat deze luie, acommerciële virtuozen hyperefficiënt en -effectief hun project van buiten naar binnen verplaatsen door een plotse regenbui en meteen verder doen alsof er niets aan de hand is, onderschrijft dat punt misschien nog het meest.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz