Toneel

Smoke De Roovers/Skagen/De Nieuwe Tijd

Levens die in rook opgaan

112 minuten duurde de ‘Smoke’, de film van Wayne Wang naar een roman van Paul Auster uit 1990. Op een goede 80 minuten jagen Skagen, De Roovers en De Nieuwe Tijd datzelfde verhaal erdoor in hun toneelbewerking van de roman. Daardoor worden de flarden van levensgeschiedenissen, die als rookslierten voorbijdrijven in dit portret van New York ruwer, scherper, burlesker. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Smoke
Pieter T’Jonck Garage Berens, Ijzerlaan 3, Antwerpen
Wintervuur 2019
meer info
05 januari 2020

‘Smoke’ valt nauwelijks na te vertellen. In de sigarenwinkel van Auggie (Robbie Cleiren) passeren vele figuren, elk met hun levensverhaal. Door hun praatjes komen we flarden van te weten. Af en toe wijkt het verhaal uit naar een andere locatie zoals een appartement of een pompstation, waar je iets meer te weten komt over de achtergronden van Auggie’s klandizie, maar nooit hun hele verhaal.

Deze figuren laten dan ook nauwelijks sporen na. Hun levens verdwijnen even snel en zijn even gewichtloos als rookslierten. De enige die wel sporen nalaat is schrijver Paul Benjamin (Mathijs Scheepers). Hij is trouwens de enige die weet hoe je het gewicht van rook kan meten -als dat geen metafoor is voor de taak van een schrijver. Helaas, nadat zijn vrouw bij een vuurgevecht op straat overleed lijdt hij onder een writer’s block.

Toch raken de levens van mensen die verder weinig of niets met elkaar te maken hebben elkaar in die sigarenwinkel even, met kleine en soms grote gevolgen. Zo is er de klaploper Rachid (Nick Renzo Garcia) die per toeval Paul redt als hij bijna onder een vrachtwagen loopt. Paul vangt hem op maar dan blijkt Rachid in vreemde zaakje verwikkeld en heet hij blijkbaar niet Rachid maar Thomas Jefferson Cole. Later blijkt dat wel eens de zoon kon zijn van Cyrus Cole (Luc Nuyens), de eigenaar van een pompstation.

Auggie laat het allemaal aan zich voorbijgaan. Toch koestert hij in het geheim het project om iets te bewaren van al die voorbijglijdende levens en gebeurtenissen. Elke morgen neemt hij een foto van de buurt, op hetzelfde ogenblik en dezelfde plek. Zo is hij, naast Paul Benjamin, een tweede alter ego van Paul Auster. Tot ook hij betrokken raakt in een paar geschiedenissen die even sleur van elke dag doorbreken.

Zijn ex-lief Ruby (Suzanne Grotenhuis) duikt plots op met het verhaal van een dochter, Felicity (Ikram Alouad), die een kind verwacht en hulp behoeft. Tot overmaat van ramp loopt zijn kleine sigarenzwendel uit op een sisser als Rachid de winkel -en de sigarenvoorraad- onder water laat lopen. Uiteindelijk redt hij Paul Benjamin van de dreigende deadline voor een kerstverhaal door hem het onwaarschijnlijke verhaal op te dissen over de manier waarop hij aan zijn fototoestel kwam.

De locatie van deze enscenering is uniek: de voormalige Garage Berens aan de Ijzerlaan, vlakbij het ‘Eilandje’ van de oude haven van Antwerpen. Als zoveel autohandels heeft het een immense glazen vitrine. De scenografie van Stef Stessel staat letterlijk in deze etalage, terwijl de publiekstribunes naar de achterzijde van de ruimte geduwd zijn. Als je toekomt kijk je dus meteen binnen in de coulissen achter het decor, waar de acteurs ijsberen of hun tekst doornemen, nog  voor je de ruimte betreedt.

Toch is coulissen niet het juiste woord: de scenografie is een soort sculptuur. Ze bestaat uit een vierkant patroon van 64 of 81 (ik heb ze niet geteld) balkvormige houten dozen met een basis van zowat 60 bij 60 cm. De hoogtes variëren enorm, van zo’n 20 cm tot zo’n 2 meter. Tussen die balken zijn nauwe gangen, ook weer zo’n 60 cm breed. Het patroon is 45° gekanteld tegenover de tribune, zodat je er doorheen kan kijken tot waar vooral aan de achterzijde de dozen te hoog worden.

Het is allemaal zo voorbij. Levens van een ondraaglijke lichtheid.

Je kan het beeld op veel manieren lezen, bijvoorbeeld als een representatie van het stratenpatroon van New York, waar het verhaal zich afspeelt, maar ook als een representatie van levenslijnen die elkaar in dit doolhof nogal willekeurig kruisen -of net ontlopen. Hoe dan abstraheert het de actie radicaal. Het pittoreske van de locaties in de film van Wayne Wang moet je hier zelf erbij verzinnen.

Daar blijft het niet bij, want het gezelschap haalt het verhaal ook naar Europa toe, niet alleen als ze het over euro’s in plaats van dollars hebben, maar ook door af en toe Antwerps dialect boven te halen (wat overigens hilarisch is als Grotenhuis, met haar duidelijk Noord-Nederlandse tongval, haar steentje bijdraagt).

Het meest opvallende van deze regie is echter dat de lichte melancholie in het verhaal van Auster hier verruild werd voor een burleske, soms komische toonzetting. De personages verschijnen hier als halve en hele losers . Ze leven van dag tot dag. Toch belanden ze altijd weer op hun pootjes, zij het met letterlijke of figuurlijke schrammen.

Niet dat ze daar een groot talent voor hebben. Ze trekken ook weinig lessen uit wat hen overkomt. Nee, ze hebben gewoon geen andere keus dan verder aanmodderen. Hun levens hebben niets tragisch. Het zijn bittere komedies. Het pijnlijkste voorbeeld is wel Felicity. Ze pleegt abortus maar gelooft rotsvast dat het met haar nieuwe vriendje weer allemaal goed komt. Je ziet van ver hoe dat zal aflopen. Hoe na dat vriendje wel weer een ander zal volgen. Het is allemaal zo voorbij, het zijn levens van een ondraaglijke lichtheid.

Dat verklaart waarom het ensemble de scènes er in een rotvaart doorjaagt: zo hoort het in een komedie. Die bitter-komische toon wordt al bij de eerste scène aangeslagen als Willy (een nevenrol van Alouad) in de winkel uitzinnig jeremieert over een wissel in zijn favoriete voetbalploeg. Alouad brengt het als een pastiche van de overdreven dramatiek van treurende vrouwen in het Zuiden. Haar handelwijze is zo buiten proportie dat het haast een zelfstandige comedy act wordt.

Dat is echter ook de achillespees van de voorstelling: het evenwicht tussen het flegmatieke spel van Cleiren of het realisme van Scheepers en vondsten als die van Alouad is meer dan eens zoek. Dat vertroebelt ook de inzet van de voorstelling.

Die herken je wel in de laatste scène, die enigszins afwijkt van de film. Mathijs Scheepers verdenkt Robbie ervan dat hij het verhaal over de kerstavond waarop hij zijn fototoestel verwierf verzonnen heeft. Maar je ziet hem ook denken: ‘si non e vero, e bene trovato’. Het leven is mooi, als je er maar het juiste verhaal bij verzint. Dat is wat alle personages in dit stuk voortdurend doen, op Paul na. Ongeacht of het verhaal klopt of met haken en ogen aan elkaar hangt.

Het euvel van deze enscenering is dat de speldramaturgie ook al met haken en ogen, met teveel vondsten en acteertrucs, aan elkaar hangt. Dat is jammer, want deze ‘Smoke’ benadert het verhaal op een interessante en soms verbluffend efficiënte manier, in een spannende scenografie. Jazzmuziek en songs van Tom Waits zetten de scènes vaak verrassend juist in de verf. Daar zouden ze toch eens op moeten doorwerken.