Eat me Aida Gabriels / B'Rock Orchestra / Muziektheater Transparant / B-Classic
Nooit genoeg
Vraatzucht is vandaag wellicht de meest verspreide van alle hoofdzonden. Superrijken lijden aan de kwaal, maar ook bij gewone lui is koopkracht top of mind. Met ‘La grande bouffe’ (1973), de film van Marco Ferreri over vier mannen die zich doodvreten, in het achterhoofd bieden Aïda Gabriels en Dominique De Groen een overdadig muzikaal banket aan rond dat thema. Eten komt er niet op tafel, wel een overdaad aan vragen zonder antwoorden. Vijf fantastische spelers bezorgen je zo toch een indigestie. Een mentale.
‘Eat me’ wijkt, afgezien van het feit dat je een ticket moet hebben om erbij te zijn, sterk af van het sjabloon van een muziektheatervoorstelling. Niet omdat spelers en publiek het podium delen, noch omdat je vrij je plaats mag kiezen eens je via de zaal van het Concertgebouw het podium betreedt. Dat is al lang niet meer zo uitzonderlijk. Het ongewone is dat je als toeschouwer willens nillens deel wordt van het spektakel. De voorstelling is immers geïnspireerd op de haast vergeten vorm van een hoffelijk festijn, een banket met zang en dans uit het ancien régime, en daar hoort een zekere etiquette bij. Je moet meedoen met het spel.
Rad van fortuin
Je beseft dat niet meteen. Je komt als bezoeker terecht in een ruimte waar synthesizerklanken rond zoemen. Duidelijke aanwijzingen waar je kan gaan zitten of staan ontbreken echter. Je kan plaatsnemen op de praktikabels aan de randen van de vloer, maar er zijn ook vele tafels, groot en klein, vierkant en langwerpig in het midden van de ruimte, en dus in het vermoedelijke midden van de actie, waar stoelen rond geschaard staan. Waarom zou je ook daar niet kunnen gaan zitten? Een tekstscherm moedigt dat zelfs aan, maar waarschuwt tegelijk: “Remember: you don't possess your seat”. Dat blijkt later een vrije vertaling van: dit schouwspel is een stoelendans, een rad van fortuin.
Was het niet dat de stoelen goedkope plastic tuinstoelen zijn – ‘opgefleurd’ met zwarte verfstrepen, dat wel –, dat er tapijt ligt op de tafels in plaats van gesteven lakens, en dat de tafels wat slordig tegen elkaar aan staan, je zou denken dat je op een of ander galadiner beland was. Of eerder nog, een Venetiaans feest, want de man en de vrouw die je precieus gesticulerend opwachten dragen, net als alle andere spelers en muzikanten, het soort conventionele maskers die daar vanaf de barok ook in het dagelijkse leven gangbaar waren.
Je ziet geen mens meer, maar een fantastische verschijning, een marionet.
Hun kledij versterkt die indruk. Het is een samenraapsel van hedendaagse en historiserende stukken. Linde Carrijn draagt bijvoorbeeld een hedendaagse panty met een opvallend motief onder een wijduitstaande jurk met een enorme kleurige kraag. Je ziet geen mens meer, maar een fantastische verschijning, een marionet die net zo goed kon opduiken op een Venetiaans feest in de 18e eeuw als op een rave party. Haar lichaam is een kapstok voor wilde verbeelding.
Ondanks al die ongerijmdheden gedragen die gastheer en gastvrouw zich even bedillerig als een maître d’hôtel: ze sommeren schijnbaar willekeurig iemand die in het midden zit om de rand op te zoeken of halen koppels uit elkaar. Uiterst hoffelijk, zeker, met een sierlijke kniebuiging erbij, maar toch zo dwingend dat de meeste bezoekers ‘ja’ zeggen. Ze laten het zich welgevallen alsof het niet anders kan. Toch is dat niet zo: als ik botweg weiger te verkassen druipt de gastheer af.
Nooit genoeg
Die verhaspeling van oude en nieuwe kledingstukken verklapt in zekere zin al wat er te gebeuren staat: ‘Eat me’ zal, ook muzikaal, een mash up blijken van twee tijdperken: de overdaad van de barok en het ancien régime aan de ene kant, de hedendaagse sfeer van eindeloze feesten op harde techno muziek aan de andere. Met als eerste gemene deler: het is nooit genoeg.
Het stuk begint abrupt als Blandine Coulon zich uit haar troon hijst: een klomp rozig plastic, met druipers als een half gesmolten kaars waar je nog net een stapel tuinstoelen in herkent. Ze wandelt in haar pak van goudkleurige moiré stof koket naar het midden. “Brittany, opera singer past her peak. Hosting tonight” meldt het tekstscherm. Brittany? Spears? Niet als je haar loepzuivere mezzosopraan Monteverdi en even ook Mozart hoort zingen. Maar misschien wel als je ziet hoe achteloos verveeld ze haar act neerzet. Het is magisch: oud en hedendaags in één beeld, alweer.
Het lijkt alsof exclusief genot ons geboorterecht is en ons uiteindelijk zal bevrijden, of toch, naar ons ware zelf voeren.
In een hoek van de ruimte kondigt Timo Tembuyser ondertussen vanop een verhoog, met een vlammend rood doek op de achtergrond, als een Duce, in het Duits aan dat we een uitzonderlijke reis, een ruimtereis gaan maken én een uitzonderlijke maaltijd gaan beleven. Waar we heen gaan, wat we gaan eten, wat dit kost, laat staan wat dit betekent, hij rept er met geen woord over maar toch wordt dit volgens hem een reis naar ons diepste zelf. De tekst van Dominique De Groen rijgt hier (reclame-) slogans zo slim aan elkaar dat het lijkt alsof exclusief genot ons geboorterecht is en ons uiteindelijk zal bevrijden, of toch, naar ons ware zelf voeren.
In dat ene moment maakt ‘Eat me’ de verbinding tussen ‘vrijheid’ en consumptie/hebzucht. Waarlijk vrij is wie zich alles kan veroorloven en zich aan niets of niemand nog hoeft te storen. De hedendaagse figuur van ongebreidelde luxe, met een exclusieve ruimtereis als toppunt komt hier zo als een schaduw boven de oude vorm van pralerige, barokke luxe te liggen, als een overtreffende trap, maar dan zonder de oude formaliteit en plechtigheid. Met dreunende, beroezende techno.
Nothing else to lose
In ‘Eat me’ vervloeien zo een oude en een hedendaagse versie van ‘het is nooit genoeg’. Onder die weelde en vraatzucht/hebzucht sluimert echter een knagend gevoel dat het we het beste al hebben gehad. Dat we moeten pakken wat er nog te pakken valt. Après nous, le déluge. Of in de woorden van Janis Joplin, hier brutaal uit hun context gesleurd: ‘Freedom is just another word for nothing else to lose’. Zelfs op een exclusieve ruimtereis kan die gedachte je overvallen. Dat is de tweede gemene deler en meteen vraag van dit stuk: wat levert al dat hebben op? Wat ligt er achter de vrijheid die we kopen. Wat hebben we als we alles gehad hebben? Niets?
Romain Dayez vertolkt, in de rol van de sterrenchef Gaspard, die desillusie. Na zijn dertigste kreeg hij niets meer voor elkaar volgens het tekstscherm, maar nu maakt hij zijn comeback met een menu aan waarin hij de meest exquise ingrediënten vermengt met de meest degoutante -bij het dessert hoort ook stront - tot iets wat de smaakpapillen tart. Het ultieme genot dat omslaat in de ultieme weerzin. Al komt er dan niets op tafel.
Het B’Rock Orchestra barst uit in een onnavolgbare combinatie van techno- en barokmuziek.
Tegenover die kok staan twee stoorzenders. Criticus Caspar Clausen stelt dwangmatig vragen bij de betekenis van dit alles, maar komt niet tot antwoorden en nog minder tot actie. Linde Carrijn werpt zich op als de performancekunstenaar Cindy, die door haar acties de gang van zaken wel wil ontwrichten. Ondertussen klimt Coulon op de tafel om dramatisch het B’Rock Orchestra aan te kondigen. Onder leiding van componist en arrangeur Jonathan Bonny barst dat orkest uit in een onnavolgbare combinatie van techno- en barokmuziek.
Ergens in die wervelwind komt het publiek door toedoen van Carrijn volop in het vizier. Ze stapt op één toeschouwer af met de vraag “When you say yes, do you get what you want? And if you have it, is it enough?” Voor de vrouw weet waarop ze antwoordt ratelt en zingt Cindy verder. “Yes, you are allowed to choose. To say yes. But are you responsible for this yes? Who chooses when you choose? That precious soul inside of you? A thousand systems working through you? What is driving you? Is desire enough to lift you higher? Is choice the same as agency? Is participation the same as responsibility? Collective decision-making is where violence becomes nobody’s fault”.
De bevrijdende kater
Op die manier maakt ze een lachertje van de idee dat we een vrije wil zouden hebben. Onze vrije wil? Dat is niets meer dan een honger die bezit van ons denken en ons zijn heeft genomen, een autonome kracht waartegen geen verweer mogelijk is. Venijnig wordt Carrijn als ze de toeschouwers rond de tafel laat voelen dat ze niet meer dan makke schapen zijn als ze hen dwingt om naar elkaar te kijken. Ze laat het echter niet bij de gedachte dat de toeschouwer deel is van het gebeuren en dus medeverantwoordelijk. Ze laat voelen hoe toeschouwers ook voortdurend naar elkaar kijken, en niet alleen naar het spektakel, met een begerige of afkeurende blik. “Wijs iemand aan die je aantrekkelijk vindt”, en “Wijs iemand aan die je lelijk vindt” beveelt ze. En de kijkers volgen. Het leidt tot gegeneerde blikken over en weer tot Carrijn ons finaal laat applaudisseren voor onszelf.
De kater die volgt is ook het meest pakkende moment van de avond.
Op zo’n momenten blijkt de bijna roekeloze inzet van de performers. Ze weten immers niet hoe het publiek zal reageren. Zal het aanstoot nemen aan de bizarre recepten, zal het applaudisseren als het daarom gevraagd wordt, zal het ingaan op interpellaties? Ze moeten dus wel improviseren, en zingen op de koop toe, terwijl de muziek onstuitbaar verder jaagt. Dat gaat hen echter wonderwel goed af. Ze slepen het publiek mee in de beroezing van steeds luidere techno die eindigt met een rondedans met de tafels. Tegen die tijd zijn we allemaal van onze stoelen verjaagd en staan we wat verweesd toe te kijken. Hoe kan deze reis, deze roes eindigen? Met een kater?
Ja en nee. De kater die volgt is ook het meest pakkende moment van de avond. Coulon dringt zich tussen het publiek door naar het midden van de ruimte met luitiste Asako Ueda in haar zog. Daar ontdoen ze zich van hun masker voor een ‘Miserere’ van Monteverdi. Het klinkt als ‘Heb medelijden met ons, mensen in de greep van blinde hebzucht’. Want al begrijp je nauwelijks een woord van wat Coulon zingt, door haar ingetogen, smartelijke vertolking daalt aangrijpend het besef in dat onze vrijheid weinig voorstelt, dat onze verlangens zelden de onze zijn. Muziektheater dat zo’n gevoel in een goed uur kan laten resoneren in het publiek, dat kan tellen.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz