Midzomernachtsdroom Muziektheater Transparant / Casco Phil
Zinnen zonder bovenzinnelijkheid
Een toverbos met feeën, gedaanteverwisselingen, een liefdeselixir en een toneelstuk binnen het toneelstuk: geen werk uit Shakespeare’s oeuvre stelt hedendaagse regisseurs zo op de proef als ‘A Midsummer Night’s Dream’. Wil een uitvoering zich als modern profileren, dan moet men een loopje nemen met het letterlijke sprookjesuniversum. Dat heeft Tom Goossens alleszins uitstekend aangevoeld. Met een dijk van een spelerskwartet beent hij ‘Midzomernachtsdroom’ uit tot er slechts kolder overblijft.
Hoewel Goossens nog maar een prille dertiger is, staat zijn naam nu al garant voor een specifiek type opera of muziektheater. Op nog geen decennium tijd werd zijn ensemble DESCHONECOMPANIE een begrip binnen de sector. Van Mozart en Rossini over Verdi tot Strauss en Grieg: met een speelse toets doorprikt Goossens keer op keer de wolk van ernst die dikwijls ten onrechte rondom het klassieke repertoire hangt. Ook ‘Midzomernachtsdroom’ volgt dat procedé, met een volledig geadapteerd narratief waarin Shakespeare’s bron grotendeels wordt uitgegomd. Door de plot extreem te vereenvoudigen en er een flinterdun verhaaltje overheen te leggen, creëert Goossens echter ruimte voor continue scherts en voor de muziek zelf. Het kamerensemble, bestaande uit leden van Casco Phil, ziet zich bijgevolg niet stiefmoederlijk weggezet, maar wordt integendeel geëmancipeerd als deel van de handeling.
Vanuit de onderbuik
Benjamin Haemhouts arrangeerde het onsterfelijke opus 61 van Felix Mendelssohn – geconcipieerd voor klassiek romantisch orkest – op zakformaat, meer specifiek voor een zevenkoppig kamerensemble met vijf strijkers, fluit en klarinet. Die bezetting genereert uiteraard geen symfonische sonoriteit, maar Haemhouts weet uit welk hout pijlen te maken. Zijn arrangementen capteren de lichtheid en de vindingrijkheid van de originele partituur, overigens uitmuntend uitgevoerd door een perfect op elkaar ingespeeld septet. De kleinere bezetting laat bovendien interactie met de spelers toe, en die kans laat Goossens niet onbenut. De musici worden willens nillens deel van de commotie op scène, waar klasbakken als Koen De Graeve en Peter Van den Begin maar wat graag op inspelen.
Goossens bedacht zelf de rijmelarijen, waarvoor desnoods zelfs een cola zero wordt bovengehaald, zolang het maar klinkt.
Slechts aan het slot komt het spelerskwartet toe aan een opvoering van ‘Pyramus & Thisbe’, een kunstmatig toneelfragment dat Shakespeare zelf ontleende aan de Griekse mythologie. Wat voorafgaat, is het gekonkel binnen een toneelgroep. Koen De Graeve, in het echte leven de partner van Ariane Van Vliet, wil van de gelegenheid profiteren om een affaire aan te knopen met Tine Reymer, door haar als zijn tegenspeelster aan zich te binden. Reymer voelt daar echter weinig voor, net als haar echtgenoot (ook buiten de schouwburg) Peter Van den Begin. De twee bedenken een plan om De Graeve en Van Vliet terug te verzoenen, maar dat gaat – hoe kan het ook anders? – behoorlijk mis. Knap is hoe Goossens de intrige ent op Shakespeare, en toch ver wegblijft van diens veelvoud aan karakters en kunstgrepen. Goossens bedacht zelf de spitse rijmelarijen, waarvoor desnoods zelfs een cola zero wordt bovengehaald, zolang het maar klinkt. Noem het exemplarisch voor ‘s mans praktijk: wars van heilige huisjes en esthetische etiquette, wordt er vanuit de onderbuik gegrapt en gegrold.
Slapstick en narratieve farce
Poëzie levert dat niet op, ontroerend inzicht al evenmin. Goossens trekt voluit de kaart van slapstick en narratieve farce, met de snedigheid van de betere boulevardkomedie en bovendien met verve uitgevoerd door de twee acteurskoppels. De spelers voelen zich zienderogen in hun sas, en meten de plaisanterieën almaar breder uit, zodat de opvoering in gestaag crescendo richting een geestige finale evolueert. Referaten naar de populaire cultuur (The Masked Singer, no kidding) en Mendelssohns koorzang herschreven op maat van adolescenten: hoed af voor de virtuositeit waarmee Goossens de complexiteit van de traditie countert. Hij laat eeuwenoud materiaal fris resoneren met de werkelijkheid van niet-ingewijden, met ontwapenende eenvoud en een feilloos instinct voor theatrale fratsen.
Is een dergelijk ludiek fratsenkabinet een legitieme manier van moderniseren, en wat heeft Mendelssohn daar nog mee te maken?
En toch. Wat in deze compacte komedie quasi volledig verloren gaat, is Shakespeare’s dichterlijke meditatie op de fricties die het leven gestalte geven. Het publiek hoort en ziet nauwelijks de intellectueel-esthetische wrijving tussen man en vrouw, droom en realiteit, rationele orde en irrationele liefdeschaos. Hoe vlot zijn woordkramerij ook klinkt, steeds kiest Goossens de weg van de minste weerstand. Wat op de lachspieren werkt, is instinctmatige kluchtigheid: hyperbolische situatiehumor, exuberant spel, potsierlijk trammelant. Is een dergelijk ludiek fratsenkabinet een legitieme manier van moderniseren, en wat heeft Mendelssohn daar nog mee te maken? Misschien moeten wij ons afvragen welke waarde het geijkte repertoire nog heeft als het wordt ontdaan van al haar bovenzinnelijke luister?
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz