Circus

Terces Johann Le Guillerm

Magie van mens en machine

Een dunne grijze paardenstaart, een broek in matadorstijl, een blote borst onder een wijdvallende jacquet: deze Tim Burton-achtige figuur staat er helemaal alleen. Zonder glimlach, in opperste concentratie, vouwt hij een vel papier tot een papieren vliegtuigje en laat het opvliegen. We hebben het allemaal ooi wel eens gedaan. Zo begint ‘Terces’ van Johann Le Guillerm, het boegbeeld van het Franse hedendaagse circus. In zijn wereld is minder meer, veel, veel meer.

Uitgelicht door Oonagh Duckworth
Terces
Oonagh Duckworth Festival Villeneuve en scène, in het kader van het Festival d'Avignon
02 augustus 2026

Le Guillerm, die op een haast nerdy manier geobsedeerd is door hoe dingen in elkaar passen, omschrijft zijn voorstelling als zijn ‘Laboratorium in een circusring’. ‘Terces’ is een anagram van ‘Secret’, de naam van twee van zijn eerdere voorstellingen (‘Secrets 1 en 2’). Hij blaast grote delen ervan in ‘Terces’ nieuw leven in, maakt er nieuwe combinaties mee en vult ze aan met nieuw materiaal. Tercer is echter ook het Franse woord voor het land ten derde male omploegen om het losser te maken. In het Engels is het bovendien ook het derde canonieke uur, 9 uur ’s ochtends, en een oproep tot gebed. Impliciete, onderling verweven betekenissen behoren dan ook tot het handelsmerk van Le Guillerm.

Circus heruitgevonden

Le Guillerm behoorde in 1985 tot de eerste lichting studenten die de prestigieuze École nationale supérieure des arts du cirque (ENSAC) in Châlons-en-Champagne bezochten. Hoewel hij zich toelegde op koorddansen en clownerie, week hij al snel af van het traditionele circus. Hij ging de kunstvorm te herdefiniëren als alles wat wordt gedaan zoals ze „niet worden gedaan, niet meer worden gedaan of nog nooit eerder zijn gedaan”.

Een circustent, een circusring en een voorstelling opgebouwd uit numéros zijn de enige elementen van het traditionele circus die zijn overgebleven. In die context ontplooit Le Guillerm’s poëtische stijl van mechanica in beweging zich. Zonder tromgeroffel of een theatraal „ta-da“ komt de ene na de andere, ingewikkelde, handgemaakte machine de vloer op, zonder enig ander doel dan mooi en intrigerend te zijn. Ze stuwen zichzelf vooruit. Hun aarzelende beweging komt voort uit subtiele verschuivingen in hun interne werking: klotsende vloeistof zet een reusachtige waterpas in beweging, en dat gewicht zet dan weer wielen in beweging; kettingen als trapveren dalen neer van hoog naar laag en kantelen daarbij trechtervormige vazen om.

Gebogen draadfiguurtjes, verlicht door ronddraaiende vuren, werpen schaduwen die onmiskenbaar geslachtsgemeenschap uitbeelden. Zelfs de hangende schijnwerpers, die twee techniekers manipuleren als marionetten vanuit de nok van de tent waar gebruikelijk de trapezeartiest zou staan, worden onderdeel van de choreografie, net als de vloerlampen die aan touwen en katrollen heen en weer schuiven. Het doet me denken aan werken van Peter Fischli en David Weissof misschien Wallace en Gromit — , maar de enscenering van Le Guillerm, die geen spatje schattigheid, glamour of glitter vertoont, verleent aan de gebeurtenissen een plechtigheid die grenst aan een kerkritueel.

Lichaam en machine

Hoe virtuoos deze elegante en esthetische constructies ook zijn, het is pas als Le Guillerm zijn eigen lichaam verbindt met de structuren of ‘architexturen’ die hij voor onze ogen bouwt, dat magie, metafoor en mens versmelten. Een van de meest memorabele scènes begint wanneer stapels en stapels boeken in de ring worden gegooid. Le Guillerm, met potloden geklemd tussen alle huidplooien van zijn lichaam – achter zijn oren, tussen onderarm en bovenarm, tussen kin en schouder – begint de boeken steeds hoger op te stapelen in twee kolommen. We zien hem geleidelijk de stapels uit balans brengen. Vlak voor ze onvermijdelijk omvallen klimt hij er tegenop en wringt zich ertussen. Plots ontstaat zo onder onze ogen een perfect stabiele boog van boeken, met het gespierde lijf van de artiest als sluitsteen – een beeld om duimen en vingers bij af te likken.

Zijn nauwgezette en onvermoeibare geknutsel aan de materialen en modellen die onze wereld vormgeven, voelt vandaag de dag verlossend aan.

Daarna gaat Le Guillerm alweer met grote ernst de confrontatie aan met een levensgroot Mikado-spel. Met de hulp van twee even geconcentreerde toneelknechten vormt hij de stokken tot een accordeonachtige ladder die hij vervolgens met elkaar verweeft tot een steigerachtige, puntige koepel. Al zijn er geen bouten of touwen om iets bij elkaar te houden, alles houdt louter door precies afgewogen spanningen stand, toch slingert Le Guillerm, op zijn 57e nog steeds behendig, zich op de koepel. We slaan een kreet van verbazing uit. Hij staat er bovenop, zegevierend, op het hoogtepunt van zijn kunst.

Al zijn plezier, vermaak en verwondering nog steeds een wezenlijk deel van de ervaring, er schuilt toch onmiskenbaar een poëtische meta-boodschap in de precaire en kwetsbare schoonheid van de evenwichtsoefening tussen mens, beweging en machine. Je kan er niet omheen, vooral als je ‘Terces’ meemaakt tijdens het Festival van Avignon, te midden van een hittegolf waarbij de temperatuur om middernacht nog steeds 35 °C bedraagt en overal bosbranden woeden. Le Guillerm mag dan niet langer als een nieuwkomer worden beschouwd, vandaag de dag voelt zijn nauwgezette en onvermoeibare geknutsel aan de materialen en modellen die onze wereld vormgeven, verlossend aan.

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz