Theater

1.2.3 Poquelin tg Stan

Komedie in overdrive

Veel heb je niet nodig om toneel te spelen. Met een verhoog, zodat je goed zichtbaar bent, kom je al een heel eind. Kostuums flans je met een beetje fantasie en een hoop oude kleren snel in elkaar. Het belangrijkste is echter een goede tekst en een direct contact met het publiek. Dat is de hele idee achter ‘1,2,3 Poquelin’ van tg STAN en gasten: gewoon spelen, op steengoede teksten van Molière. Na de overdaad van Julien Gosselin’s ‘Maldoror’ was dit stuk voor mij een verademing in Avignon. Niet dat het vlekkeloos verliep, maar ook dat is nu eenmaal eigen aan theater.         

1.2.3 Poquelin
Pieter T’Jonck Carrière de Boulbon, in het kader van het Festival d' Avignon
27 juli 2026

Een gok is het natuurlijk wel. Acht Vlamingen – tg STAN is voor de gelegenheid uitgebreid met Els Dottermans, Tine Embrechts, Bert Haelvoet, Robbie Cleiren, Willy Thomas en Stijn Van Opstal – draaien er op één avond zo’n zeven stukken van Frankrijks grootste theaterauteur, Molière, Jean-Baptiste Poquelin (1622-1673) door. Ze doen dat in het hol van de leeuw, op het meest Franse van alle festivals. Ze doen dat bovendien in het originele zeventiende-eeuwse Frans van Molière, een taal vol vernuftige rijmen en metrums waar zelfs Fransen vandaag hun tong op breken.

Driemaal is scheepsrecht

Tg STAN is wel niet aan zijn proefstuk toe. In 2003 creëerde het gezelschap al ‘Poquelin’, gebaseerd op ‘Médecin malgré lui’, ‘Sganarelle’ en ‘Le Malade Imaginaire’. Een jaar later volgde een succesvolle tournée in het Frans. In 2017 deden ze dat over met ‘Poquelin 2’, gebaseerd op ‘L’avare’ en ‘Le bourgeois gentilhomme’. Ook dat stuk vierde triomfen in Frankrijk. Ik kwam bij die voorstelling haast niet meer bij van het lachen, zo gevat maakten de spelers door hun spel duidelijk dat Molières sarcastische kijk op het menselijk bedrijf nog altijd relevant is. De potsierlijke karikaturen die ze opvoerden bleken nauwelijks meer dan een lichte uitvergroting van de karikaturen die de werkelijkheid buiten het theater bevolken. Net als in Molières tijd wellicht.

Zo formuleerden het zelf heel gevat in 2003. Molière steekt de draak met “Gedwongen huwelijken, onmogelijke liefdes, dokters, zogenaamde dokters, filosofen, zogenaamde filosofen, goede manieren, zogenaamde goede manieren, hoorndragers, zogenaamde hoorndragers, overspel, kritiek, verstoppen, afluisteren, terzijdes, knechten en meiden, feministen, misverstanden, dansen, muziek, maskers, stokslagen, madammen en meneren, meisjes en vrouwen, slimmeriken en dommeriken, appels en peren, gierigaards en geldkisten, zieken en zogenaamde zieken, komedianten, éénakters en kluchten, komedies en balletten, zonen en dochters, vaders en moeders, sonnetten en gedichten, poëzie en proza, brieven en plots, slagen en verwondingen, eten en drinken, vreten en stinken, pruiken en kletskoppen, snorren en baarden, vallen en opstaan, tafels en stoelen, zitten en liggen, op en af”. Voor deze nieuwe versie luidt het simpelweg: “Gegarandeerd zijn paternalisme, domheid, ontrouw, geweld, achterdocht, gierigheid, egoïsme en bezitsdrang. Kortom, buitengewoon 2026…”.

Het verschil met de vorige ‘Poquelins’ is dat de spelers zich deze keer niet konden warmlopen in het Nederlands. ‘1,2,3 Poquelin’ ging in première in het Frans, in Lyon, en reisde meteen daarna naar Avignon waar het te zien is in de Carrières de Boulbon. Die steengroeve, op zo’n 13 km van Avignon, is een legendarische plek omdat Peter Brook ze voor het eerst bespeelde voor het even legendarische ‘Mahabharata’ (1985). Sinds Tiago Rodrigues het festival leidt is die plek terug een vaste speellocatie.

Arena of schouwburg?

Een gewoon theater is de carrière de Boulbon allerminst: hoge, indrukwekkende rotswanden vormen een immense arena die mee de sfeer bepaalt, welk stuk je er ook speelt. Er is bovendien plaats voor minstens 1200 toeschouwers. Een heel verschil met een klassieke schouwburg zoals de Bourla schouwburg in Antwerpen, waar het publiek bij ‘Poquelin 2’ heel dicht op de actie zat. Om nog dichter bij het publiek te komen bouwde tg STAN toen zelfs een klein schavot over de eerste rijen in de zaal heen, zodat de spelers werkelijk te midden van de mensen stonden. Daar maakten de spelers trouwens duchtig gebruik van met allerlei (geïmproviseerde) terzijdes richting publiek.

Dat probeert tg STAN ook in de steengroeve waar te maken. De publiekstribune staat niet, zoals gebruikelijk, frontaal voor de speelvloer, maar is opgebroken in drie stukken die een U vormen, met tussenin een ‘parterre’ met houten banken. Het podium is een naar verhouding klein verhoog met daarop in het midden een piepklein verhoogd schavot. De situatie lijkt zo heel sterk op die van een theater à l’italienne zoals de Bourla, en imiteert zelfs het schavot dat ‘Poquelin 2’ bepaalde. Zelfs de toneellijst wordt opgeroepen door de stelling achter de speelvloer. Om de gelijkenis compleet te maken hijsen de spelers als het stuk begint een roodfluwelen gordijn halfweg omhoog vanaf de vloer.

De situatie lijkt heel sterk op die van een theater à l’italienne zoals de Bourla schouwburg

Toch is er ook een groot verschil met de klassieke schouwburgsituatie. Omwille van de lange speelduur begint het gezelschap al rond 21 u te spelen, als het duister nog niet volledig ingevallen is. Dat is in Avignon best ongewoon, want voorstellingen in de buitenlucht beginnen er doorgaans pas om 22 u, als het duister genoeg is. Zelfs dan eindigt de voorstelling echter pas rond 02u ‘s ochtends. Om 21u zijn de rotspartijen in de achtergrond echter nog nadrukkelijk aanwezig en slorpen ze alle aandacht op. Ze wegen letterlijk zwaar op het spel.

De spelers doen er nochtans alles aan om de toeschouwers bij de zaak te betrekken. Nog voor het begint slaan vooral de vrouwelijke spelers genoeglijke praatjes met het publiek. Wat een verschil met de voorstellingen waar de acteur onzichtbaar blijft tot het doek opgaat en achteraf ook weer verdwijnt. Het ensemble verzorgt ook een leuke hors-d'oeuvre: een korte compilatie, niet meer dan een kwartier lang, dat alle ondeugden van Molières personages al eens aanstipt in bloemrijke woorden. Toch blijkt ‘L’avare’ net iets te lang om de aandacht van de kijkers vast te houden, hoe verwoed Willy Thomas, in zijn onnavolgbare interpretatie van de onuitstaanbare, vrekkige geilaard Harpagon, ook uitreikt naar het publiek. Hij loopt zelfs even de tribunes op om zijn gestolen geldkoffer te zoeken. Toch komt de sfeer er maar moeizaam in.

Eind goed al goed

Het tij keert gelukkig helemaal na een rommelige pauze, als het duister helemaal ingevallen is. In sneltreinvaart passeren ‘Le mariage forcé ‘, ‘Les égotistes’ (volgens Jolente De Keersmaeker een postuum stuk), ‘Le médecin malgré lui’ en ‘Le malade imaginaire’ de revue. Ik ben dan verhuisd naar de ‘parterre’. Zo vlakbij de spelers geniet ik nu met volle teugen. ‘Les égotistes’ is zelfs gewoon fantastisch. De Keersmaeker, Embrechts en Dottermans hangen kronkelend van behaagzucht en lust aan de lippen van de potsierlijk verwaande ‘geniale’ literator De Schrijver en zijn aangever Bert Haelvoet.  De kreten van bewondering en liefde voor de poëzie verhelen niet dat zowel de mannen als hun fans meer met zichzelf en hun lieve lust dan met de kunst begaan zijn. Ik moet nog vaker proesten van het lachen als Stijn Van Opstal en Els Dottermans elkaar, in regelrechte commedia dell’ arte traditie, met knuppels van schuimrubber (een vast item in haast alle stukken trouwens) nog maar eens te lijf gaan in ‘Le médecin malgré lui’.

De spelers maken niet alleen hun personages belachelijk, ze steken ook de draak met zichzelf.

De spelers maken er vanaf nu haast een erezaak van om elke verspreking en elke vergetelheid op te drijven tot een scène binnen de scène. Wanneer ze een woord niet uitgesproken krijgen volgt ook geregeld een harstgrondige vloek in het Vlaams. Tot groot vermaak van het Franse publiek waarvan een groot deel de teksten klaarblijkelijk haast even goed kent als de spelers. Ze maken zo niet alleen hun personages belachelijk, ze steken ook de draak met zichzelf. Dat maakt het allemaal levensecht: de spelers stuntelen zich door de stukken met veel verbeelding en evenveel zelfspot zoals wij, toeschouwers, ons ook (zij het vaak met iets minder zelfspot) door het leven stuntelen. Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was, maar dan in overdrive. Zoiets valt gewoon niet te verfilmen, want hoe langer het duurt, hoe meer de reacties van het publiek mee gaan spelen. Er zitten soms zelfs evenveel souffleurs op de banken voor het podium als erachter.

Ik beeld me in dat deze ‘1,2,3 Poquelin’ nog veel beter zou werken mocht het opgevoerd worden in een ouderwetse zaal, met zeeën van tijd. Beginnen om drie uur en eindigen rond middernacht, met tussendoor eten en drinken en met het licht aan in de zaal zodat iedereen elkaar ziet en iedereen zijn rol kan spelen. Zoals het er in de 17e eeuw aan toe ging. Misschien een idee voor Antwerpen, Brussel of Gent? Of Luik?         

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz