Toneel

De intrede Tom Ternest & Silke Thorrez / De Schaduw ism De Spil

Community theater par excellence

Wie zich zou afvragen wat theater nog te betekenen heeft voor de gemeenschap, moet deze maand naar Beveren bij Roeselare. In een leegstaande hangar presenteren Tom Ternest en Silke Thorrez daar met 120 lokale spelers in een decor van 70 meter breed ‘De intrede’: een beeldende voorstelling over een straatje zonder eind, als spiegel van een wereld zonder bestemming. Met de ambitie van FC Bergman, de spektakelwaarde van Studio 100 en de ziel van het betere sociaal-artistieke werk: dit een ongezien huzarenstuk.

Uitgelicht door Wouter Hillaert
De intrede
Wouter Hillaert Op locatie op de VDL-site in Beveren/Roeselare
14 oktober 2025

Je kan een hele geschiedenis schrijven van hoe de straat figureert in het 21e-eeuwse theater. Dat ‘straatbeeld’ is hoe langer hoe minder fictioneel geworden, maar wel meer en meer poëtisch. In ‘Het Blauwe Uur’ (2003) liet Lotte van den Berg bij het krieken van de dag een echte straat ontwaken voor het oog van een okselfris publiek. Thomas Verstraeten bouwde voor ‘Familiestraat’ (2021) zijn eigen Antwerpse straat na in karton, op ware grootte en met vele buren mee op scène. Bij Martha!tentatief maakten ze ‘Honderd’ (2024) dan weer met evenveel bewoners van de lange Bisschoppenhoflaan in Deurne. Is het nostalgie naar het pre-digitale tijdperk, die herhaalde hang van makers naar de straat als betekenisgevend kader? Of net een vooruitziend voorstel voor een te herwinnen toekomst? Hoeveel mensen wonen vandaag nog echt in hun straat, meer dan op hun adres?

Zeventig meter lang strekt hun straat zich nu uit, over de hele breedte van een enorme hangar. 

De straat van ‘De intrede’ is een zot werkstuk van Piet De Doncker van het West-Vlaamse ontwerpersduo De IJslandvaarders, die met Ternest ook al samenwerkte voor andere grootse locatieprojecten als ‘SUKR’, ‘Zwins’ of ‘Animal Farm’. Samen met veel vrijwillige bouwers is er de hele zomer aan getimmerd. Zeventig meter lang strekt hun straat zich nu uit, over de hele breedte van een enorme hangar op de VDL-site in Beveren – waar ooit bussen werden gebouwd. Ze bestaat uit een lange reeks houten huizen en huisjes van één etage: van links het kot van een ruziënd koppel vol brol in de voortuin tot uiterst rechts de woonst van een (populistisch?) politicus met een immense billboard voor zijn eigen kop. 

Halfweg hebben Ternest en Thorrez gekozen voor de kerk in het midden, ook al is die haar centrale functie duidelijk kwijtgespeeld. ’s Nachts wordt er graffiti tegen haar muur gespoten en komen er dronkenlappen uit zwalpen. Dat zegt meteen alles over de maatschappelijke basisanalyse waarop ‘De intrede’ zich fundeert: het leven onder de kerktoren is zijn sociaal verband verloren aan atomisering en individualisering, aan de realiteit van de digitale bubbel. Deze straat is nog wel een rij, maar niet langer een orde. Zo komt ze ook tot leven: als een onoverzichtelijke choreografie van parallelle leventjes, die elkaar op het voetpad kruisen als losse solo’s, duetten en kleine roedels. Omdat we er als publiek vlak voor zitten over bijna dezelfde breedte als de straat, heeft niemand het geheel in ogenschouw.

Dat gebrek aan ruimtelijke focus bepaalt ook de hele dramaturgie van de voorstelling, of toch van het eerste deel. Daarin volgen we enkele dagen en nachten vol tranches de vie, op het randje van stereotypie: een schoolklasje in ganzenpas achter de meester met zijn fluitje, een snikkende vrouw op haar fiets, een jonge activist met een protestbord zonder opschrift, drie kuierende stadswachten in een paars hesje, vier wegenwerkers in overalls, een jongetje dat ’s nachts steeds ontsnapt langs de regenpijp, een dakloos meisje met twee Ikea-tassen, een vader met een darts-verslaving op zijn oprit, een ordentelijke burger die telkens voor zonsopgang zijn hond uitlaat, een pakjesbezorgster met steeds grotere stapels, skatende jongeren, de lokale middenstandster die steeds nieuwe shops opent na het failliet van de vorige, een kroostrijk gezin waarvan de ouders de hele tijd babybedjes in elkaar knutselen… Het loopt en ijlt en lummelt allemaal door elkaar, van links naar rechts en weer terug. Je mist meer dan je ziet. Je ziet meer dan je direct vat. Er is gewoon zoveel tegelijk te aanschouwen.

Hoe zijn Ternest en Thorrez er ooit in geslaagd om zoveel simultaneïteit in te oefenen met zowat 120 amateur-spelers van alle leeftijden? 

‘De intrede’ documenteert dus het leven zoals het is, maar dan wel zo representatief gecomponeerd dat het duidelijk een afbeelding wil zijn. De politiek, de economie, het onderwijs, de religie, de zorg, de sociale ontheemding: Ternest en Thorrez streven in alle versplintering toch ergens een maatschappelijke volledigheid na, een summum van verschil. Tegelijk blijven ze genoeg theatermaker om met hun massa spelers af en toe gedeelde gebeurtenissen in te schuiven: een technofuif in de kerk, een heuse lijnbus die een paar keer als magnetiserende lijm door de straat komt rijden, alle spelers die in groep op hun stoep stilhouden wanneer een zwarte lijkwagen één bewoner komt inladen… Het zijn verbindende rituelen die de zooi toch ritmeren, die voor poëzie zorgen en tegelijk het geloof in een vorm van collectiviteit hooghouden. Samen zorgen ze voor een indrukwekkende compositie.

Hoe zijn Ternest en Thorrez er ooit in geslaagd om zoveel simultaneïteit in te oefenen met zowat 120 amateur-spelers van alle leeftijden, waaronder veel leerlingen van de lokale academies STAP en SASK Roeselare en ook spelers met een beperking van Groep Gidts? Hun mierenhoop doorloopt een vlot gesmeerd script van elkaar kruisen, samenklitten en weer oplossen, alsof er eigenlijk 120 verschillende scriptjes zijn. Sommige kleuren koddig, andere beklemmend, nog andere magisch-realistisch. Maar wat is hun gezamenlijke basisverhaal?  

Het grote verschil tussen het theater en de wereld van vandaag is dat het theater zonder bestemming op zeker moment zijn spanning verliest. Halfweg de voorstelling, vlak na alweer zo’n sterk ‘collectief’ moment waarop iedereen tegelijk naar de smartphone grijpt, duikt daarom ineens een lokale nieuwsreporter met een cameraman op. Het is Silke Thorrez zelf die die rol vlot op zich neemt, met een flinke knipoog erbij. Als lokale nieuwsjager injecteert ze niet alleen de enige tekst in de voorstelling, maar geeft ze het hele palet ook een draai en een verhaal: er blijkt een Verlosser op komst naar de straat. Prompt wordt de staalkaart een stuk, verandert de circulaire opbouw in een narratieve lijn.

Ook visueel krijgt de voorstelling nu meer focus: met de parallelle projectie van Thorrez’ live nieuwsbeelden op een zestal huizen over de hele breedte van de straat, krijgen we nu allemaal hetzelfde te zien: een soort van religieuze revival, waarbij de nieuwscamera in beeld brengt hoe mijnheer pastoor vanop zijn kansel de kerk weer inwijdt en aan de lopende band bekeerlingen begint te dopen aan twee opspuitende fonteinen. Zowel de kerk als de traditionele media blijken hier dus toch nog een verbindende rol te kunnen spelen: ze fabriceren een gedeeld verhaal.

'De Intrede’ paart massaspektakel met de allure van musicals à la ’40-45’ en ‘Red Star Line’ aan wat die commerciële musicals zelden doen: hedendaagse politieke vragen stellen over en aan ‘de massa’.

Of is het allemaal maar ironie? De parade waarop ‘De intrede’ eindigt, inspireert zich op Ensors befaamde schilderij ‘De intocht van Christus te Brussel in 1889’. Alleen blijkt hier een arbeidersvrouw in werkplunje het kruis te torsen. Eerder knalde ook al Marie Davidsons wrange technosong ‘Work It’ door de boxen: “Work it, work to be a winner!” De impliciete boodschap valt moeilijk te negeren: zolang de neoliberale orde ons als werkratten blijft uitputten, zal elke georganiseerde poging tot gemeenschapsvorming vooral een vorm van opium blijken. Ook de feestelijke carnavalstoet die de langverwachte Verlosser moet binnenvoeren – compleet met plaatselijke fanfare De Verbroedering, de folkloristische reuzen van Roeselare en lokale middenstanders die het graaiende publiek van snoepen voorzien – toont zich met zijn laatste prachtige praalwagen een lege doos.

Precies in dat dubieuze slotbeeld toont zich de uitzonderlijke mix waar ‘De intrede’ in excelleert: het paart massaspektakel met de allure van musicals à la ’40-45’ en ‘Red Star Line’ aan wat die commerciële musicals zelden doen: hedendaagse politieke vragen stellen over en aan ‘de massa’. In een en dezelfde beweging vormt de voorstelling zelf het antwoord op haar hele probleemanalyse over onze gemiste gemeenschap. Aan alles voel je dat dit vijfde sociaal-artistieke regioproject van De Schaduw en De Spil, een reeks die bijna twintig jaar geleden begon met ‘Midzomernachtsdroom’, intussen een hele lokale gemeenschap weet samen te brengen: niet alleen door alle naarstige vrijwilligerswerk dat er geïnvesteerd is in kostuums, decor en de productie van deze megacreatie, maar ook door de massa’s die erop afkomen: er zijn al zo’n zevenduizend kaartjes voor verkocht.

Ver van de grootstedelijke driehoek van Vlaanderen toont ‘De intrede’ waar theater groots in kan zijn, door de kracht van communitytheater ten gronde door te denken, zonder tegelijk ergens voor op de buik te gaan. Tom Ternest presteert dat niet voor het eerst. Als ik iemand zou moeten voordragen voor de Ultima Podiumkunsten van dit jaar… Elke theaterliefhebber zou dit unieke locatiespektakel moeten zien. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz