Dans / Performance

Derniers Feux Némo Flouret

Vonkende dromen

De Franse choreograaf en danser Némo Flouret bouwde na zijn studies aan PARTS in Brussel gestaag aan een oeuvre van in situ voorstellingen. Hij zocht verlaten industriële ruimtes op, maar creëerde in de Denon vleugel van het het Louvre in Parijs ook het weergaloze ‘Forêt’ in samenwerking met Anne Teresa de Keersmaeker. Met de inzichten die hij zo opdeed, en met de fantastische performers die hij bijeen bracht, presenteert hij nu ‘Derniers Feux’ op het Festival d’ Avignon, en wel op de Cour du Lycée Saint-Joseph, een neoklassiek binnenplein van een eerbiedwaardige school die tijdens het Festival dient als openluchttheater. Hij toont die beroemde plek zoals je hem nooit eerder zag. Met een bom van een voorstelling.         

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Derniers Feux
Pieter T’Jonck Cour du Lycée Saint-Joseph, Avignon, in het kader van het Festival d' Avignon
21 juli 2025

De scenografie van ‘Derniers Feux’, een ontwerp van Philippe Quesne, lijkt de eenvoud zelf. Ze bestaat in hoofdzaak uit een grote buizenstelling met twee etages. Schoren houden het gevaarte overeind. Aan één van de poten van de stelling is een lange staak verbonden, met een rood knipperlicht aan de top. Het bijzondere van deze scenografie is dan ook niet wat ze doet, maar wat ze achterwege liet. Doorgaans hangt een licht grid van alu vakwerken boven het binnenplein van de Lycée St-Joseph. Hier ontbreekt dat. De belichting beperkt zich tot lampen die op de grond staan of maakt gebruik van de stralers die tijdens het schooljaar de plek verlichten. Je ziet deze strenge ruimte dus voor één keer gewoon zoals ze is. Het enige verschil met een gewone schooldag is het geluid als van een gierende wind die weerklinkt terwijl publiek binnenkomt, en ook daarna nog lang aanhoudt.

Bij het begin van de voorstelling doven de lichten boven de publiekstribune, maar gaan er nog geen op boven het speelveld. Zonder enig ander licht dan dat van de sterrenhemel, komt trompettist Susana Santos Silva de vloer op van links. Je ontwaart haar enkel doordat haar witte kledij er vaag tegen afsteekt. Zo blaast ze een eerste, langgerekte toon. Na enkele tellen volgt een tweede, en een derde trompetstoot, iets hoger, bijna zoals de trompetten die elke voorstelling op het Festival openen, maar dan uitgesponnen in de tijd. Die trompetstoten doen de spanning stijgen. Als de toon begint te zweven en zelfs onzuiver wordt, volgt iets als een free jazz improvisatie op akoestische en harmonische figuren, met het gehuil van de wind en occasioneel hondengeblaf als ‘backing vocals’. Terwijl de noten steeds sneller komen, ontploft plots vuurwerk overal op de stelling. In een flits is dat spektakel ook weer voorbij. En begint de voorstelling echt. Als een poging om dat ene wonderlijke, maar ook schrikbarende moment terug te halen.

Meteen is er hectische energie. Windmachines slaan aan, zware spots schijnen erdoor heen. Andere spots zetten de stelling in fel, wit licht. Philomène Jander, Rafa Galdino en Wan-Lun Yu staan ervoor te dansen als bezeten: ze laten hun armen molenwieken en stoten terwijl ze hun hele lijf voor- en achterwaarts gooien, alsof ze energie te veel hadden. Ruben Orio begeleidt hen met regelmatige, droge tikken op een trommel. Per-Anders Kraudy Solli schreeuwt ondertussen regieaanwijzingen in een megafoon voor de resterende vijf performers. Ze slepen gehaast meterslange houten latten en enorme kartonplaten aan. Ze voeren ook een hoop grotere en kleinere houten of kartonnen letters aan die samen de woorden ‘Derniers feux’ zouden kunnen vormen. Ondertussen zijn de trompetklanken in een elektronische loop geraakt, zodat het binnenplein schettert van de trompetecho’s en huilende wind.

Wat volgt is als een koortsdroom, opgejaagd door de onverstoorbare tikken op de trommel.     

Wat volgt is als een koortsdroom, opgejaagd door de onverstoorbare tikken op de trommel. De kostuums van de dansers dragen sterk bij tot dat effect. Al is 'kostuum' misschien niet het juiste woord voor de ontwerpen van Satoshi Kondo, de huisontwerper van het Japanse modehuis Issey Miyake. Het zijn eerder sculpturen. Soms ruimvallende stukken met vreemde uitsteeksels en bolle volumes in felle kleuren, soms ingewikkeld gedrapeerde lappen van stugge stof, soms een collage van veel kledingstukken tegelijk, maar steeds met heel bijzondere schoenen die als het ware uit de benen van de dansers groeien. De dansers zeulen rekken aan met meer van die stukken. Ze hangen ze op aan de lange latten en houden er zo een stuntelige parade mee voor de tribune: de latten zijn immers zo lang dat ze die maar omhoog kunnen houden met inspanning van al hun krachten.

Tegelijk, en los daarvan, vormen zich voortdurend andere groepen op de vloer en komen steeds andere dansers naar voren. Een van de opmerkelijkste verschijningen is Sophie Sénécaut: in haar bolle, al te grote rode jurk loopt ze als een dwaallicht heen en weer tussen de anderen.

De trommelslagen blijven ondertussen komen, maar nu neemt Tessa Hall het over van Orio. In die chaos ontstaat toch een orde als de dansers altijd maar weer kartonplaten overeind proberen te zetten voor de stelling door ze te blokkeren met een plank. Ze falen telkens weer, als in een boze droom. Finaal geven ze het op en schikken ze de platen bijeen als een vlot. Van hoog boven de stelling mikt Jean Lemersre er honderden pijlen met bloemen in. In een oogwenk lijkt de kartonnen vloer zo een allusie op het anjerveld in ‘Nelken’ van Pina Bausch. Of is het een ship of fools? Of een wrak? Daar lijkt het op als Jander dronken waggelt tussen de bloempijlen terwijl de anderen de platen vooruit duwen met hun voeten.

Als in een Freudiaanse verspreking verschijnen de woorden ‘Desire’ en ‘Rien’ en in een flits toch ook ‘Derniers’.    

Nog voor je dat beeld helemaal kan bevatten, begint de trommel uit de pas te lopen. De droge tikken worden geroffel, een grote trom voegt er een bas aan toe. Santos Silva neemt haar trompet weer ter hand, Calvin Carrier ramt hoog bovenop de stelling op zijn gitaar en Yun voegt daar melodica-klanken aan toe. Wie niet musiceert sleept nu de letters aan naar de stelling, maar ook dat loopt in het honderd als in een nachtmerrie. De grote letters onderaan de stelling vormen nooit het woord ‘FEUX’, ook de kleine letters bovenaan krijgen de dansers maar niet in de juiste volgorde. Als in een Freudiaanse verspreking verschijnen de woorden ‘Desire’ en ‘Rien’ en in een flits toch ook ‘Derniers’. Ondertussen zingt Carrier ‘There is nothing more to sing about’.

Even plots als deze storm van lawaai, gehuil en muziek opstak, zakt hij weer in. Even is er niets meer dan – toch weer – de nu heel trage tik van de trommel, als een waakvlam die behoedt voor totale inzinking. Zelfs het rode knipperlicht boven de stelling valt weg. Santos en Lemersme ondernemen in die stilte een poging om toch weer een vuurwerk te ontsteken met een meterslange lont, zonder succes. In het zog van Flouret en Jander troepen alle performers nu samen naar het midden. Het koude licht van de vaste verlichting van het plein dompelt het tafereel in een naargeestige sfeer.

Zonder aanwijsbare oorzaak schiet de vlam dan toch weer in de pan. Voor het eerst vormen bijna alle performers, muzikanten en dansers nu één groep die als een gesloten horde unisono, met heftige hinkstapsprongen en luide kreten diagonaal de vloer doorkruist, terwijl de drums weer gaan roffelen. Het is de laatste opstoot van tomeloze energie. Daarna dooft de voorstelling stilaan uit. Santos Silva en Lemersre blijven als laatsten over. Als ook zij wegstappen, dwaalt de laatste danser nog even rond de mobiele spot die in het midden van de vloer belandde en trekt de stekker er dan uit. De droom is voorbij.

Het was erg lang geleden dat ik nog eens een voorstelling zag die zo barstte van energie en choreografische ideeën en zo subtiel gebruik maakte van de ruimte. Die energie is niet de kadaverdiscipline van een choreografe als Sharon Eyal, die uitsluitend mikt op effect. Het is de energie van een hechte groep, op zoek naar wat ze samen kunnen doen en betekenen binnen deze ruimte. Flitsen van gedachten en verlangens die woekeren tussen het materiaal dat ze aanslepen en weer afvoeren om de ruimte naar hun hand te zetten. Het betekent niets en alles: iedereen zal er andere dingen in herkennen, andere associaties hebben.

Toch heerst hier geen willekeur: elke scène haakt op een subtiele manier in op de vorige, elke scène krijgt ergens wel weer een echo op een ander moment en een andere plek. Musiceren en bewegen lopen op een verbazende manier in elkaar over. ‘Derniers feux’ heeft zo werkelijk de structuur van een droom: niets lijkt toevallig, alles volgt de hartslag van de tikken van de trommel. Dat levert echter geen coherent verhaal op, maar een rebus zonder oplossing. Zoals het leven zelf. Maar wat een genot om dat beeld te zien openbloeien. Uit het niets, als een vonk.        

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz