Dans / Performance

Without references Cindy Van Acker / Cie Greffe

Vacuümschermen en andere kwesties

‘Without references’ van Cindy Van Acker doet precies wat de titel belooft: je weet al heel snel niet meer waar je naar kijkt of wat er te zien zou moeten zijn. De voorstelling is een raadsel. Maar wel van een buitengewoon kaliber. De uitkomst is een beenhard verhaal over het verval van huiselijkheid . 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Without references
Pieter T’Jonck Concertgebouw Brugge.
In het kader van December Dance festival
meer info
04 december 2021

Je kan niet naast het ongewone decor kijken dat Romeo Castellucci creëerde voor dit stuk. Het is een gesloten doos, zonder coulissen. Als er spelers het podium op moeten, dan kunnen ze dat enkel via de verdiepte nis met deuren links vooraan of via een deur in de achterwand. De ruimte heeft zelfs een echt plafond, al is dat dan een systeemplafond van houten lamellen, zoals je vaak ziet in de altijd wat anonieme ontvangstruimtes van een chique modern kantoor of de lobby van een groot hotel. Ook de wanden van de ruimte hebben de esthetiek van zo’n ruimtes: ze zijn samengesteld uit grote verticale platen gefineerd hout, die precies in elkaar gezet zijn tot wanden van wel 7 m hoog. De deur in de achterwand is net zo groot als één zo’n plaat, en verdwijnt zo in de wand.

In de achterwand is dat patroon bovenaan wel doorbroken voor een raampartij die over de hele breedte van de wand, en zelfs een stukje de hoek om, doorloopt. Het raam laat zo wel licht binnen maar biedt geen uitzicht, want het begint maar op zo’n 5 m hoogte. Het maakt de luxe ook licht claustrofobisch. Een van de wonderlijkste dingen van dit decor is echter ook dat het raam in de achterwand en het systeemplafond een verbluffend rijk lichtspel produceren, zonder dat je ook maar ergens een lichttoestel ziet. Het is een wereld op zich, die geen buiten schijnt te behoeven.

In die enorme ruimte, wel 10 bij 14 meter, staan loungestoelen met zwarte leren kussens en een centrale voet in geperst aluminium. Het soort meubilair dat rond 1960 doorging voor het toppunt van slick corporate elegance, maar zijn glans, zelfs letterlijk, verloren is. Een zo’n stoel staat tegen de achterwand, twee langs de rechter zijwand, en vier, netjes op een rij, tegenover een lage tafel midden in deze zaal. Ook die stoelen dragen bij aan het anonieme karakter van de ruimte. Verder heerst de leegte, op dat ene kastje met een kamerplant en wat prullaria na dat tegen de linkse zijwand een halfslachtige poging doet om huiselijkheid te suggereren.

Een irritant raadsel, want het lijkt onoplosbaar

In die ruimte zijn aanvankelijk vier vrouwen en twee mannen aanwezig. Ze schijnen niets met elkaar op te hebben. De vrouwen zijn hedendaags elegant, maar niet opzichtig, eerder casual, gekleed, net als een oosterse man met een lange paardenstaart. Ze hangen maar wat rond of zitten op stoelen. De enige die uit de toon valt is de man die rechts achteraan kaarsrecht en stilstaand de wacht lijkt te houden (ik vermoed Matthieu Chayrigues). Hij draagt een das boven een wit hemd zonder mouwen en een donkerblauwe korte broek. Sokken en schoenen completeren het vreemde beeld van een butler, een zaalwachter of een kelner die zich van kostuum vergiste. De ijle, maar doordringend luide klanken van de Japanse groep GOAT drijven de vervreemding die over de scène hangt verder op.

Eén element in dit beeld zuigt alle aandacht op. Er staat een ouderwetse, zware videomonitor op de salontafel pal midden op het omvangrijke podium. Het scherm is echter niet naar de zaal gericht, maar naar het rijtje van vier loungestoelen dat dwars op de scèneopening staat. Op die videomonitor speelt een film, maar van waar ik zat was het quasi onmogelijk om die te volgen (mogelijk was het ‘Dead man’ van Jim Jarmusch). Ik vermoed zelfs dat de rechterhelft van de zaal de beelden niet ziet. Maar zelfs dan zenden ze een flikkerend licht uit, en hoor je de klankband op de momenten dat er geen muziek klinkt. Zo ontstaat een raadsel: wat is de verhouding tussen het scherm en de actie van de performers? Een irritant raadsel bovendien, want het lijkt onoplosbaar.

Het is alvast een heel ander raadsel dan dat in ‘Cry Trojans, cry’, de bewerking door de Wooster Group van ‘Troilus en Cressida’. Ook daar zag je beelden van een documentaire over de Inuit en een indianenfilm die niets met het drama van Shakespeare te maken hadden, maar de performers ontleenden hun bewegingen wel aan de gebarentaal van de films. Niets daarvan hier. De film heeft geen enkele band met wat er op het podium gebeurt. Toch beïnvloedt ze de ervaring ervan, en wel op de manier waarop elk televisietoestel, in elke ruimte, de ervaring bepaalt. Een scherm zuigt aandacht op, omdat het ontzettend moeilijk is om NIET naar een scherm te kijken of NIET te luisteren naar wat je daar hoort. Zelfs al zie je alleen het geflikker ervan.

Schermen leiden zo voortdurend af van wat er tussen mensen gebeurt. Ze isoleren mensen. Die dansen niet met elkaar maar deinen mee op de willekeurige gedachten die de cadans van licht en donker op het scherm volgen. Misschien is dat wel de reden waarom lobby’s en vetrekhallen zoveel schermen tellen. Ze dienen niet om naar te kijken, maar om mensen te isoleren en een voorwendsel te bieden om zich een houding te geven terwijl hun hersens doormalen. Op twee momenten in de voorstelling wordt die macht van het televisiebeeld met nadruk getoond. Twee keer verzamelen de spelers zich voor het scherm in stilte, als konijnen voor een lichtbak. De eerste keer als alle licht gedoofd is, de tweede keer bij ‘klaarlichte dag’.

Die curieuze situatie bepaalt het statuut van wat de performers op het podium doen. Ze zijn zeker in de beginscènes lethargisch, op vreemde tics na. Zo is er het moment dat Anna  Massoni haar rechterschouder optrekt en haar geplooide arm quasi-dramatisch voor haar borsten laat bungelen. Niemand kijkt op van dit hoogst theatrale, maar toch onbestemde gebaar. Het is niet het enige. Elk personage likt hier wel zijn ‘repertoire’ van onregelmatig herhaalde gebaren te hebben.

Pas op het einde zegt de voorstelling dat ze een ‘voorstelling’ was

Stilaan komen er -met soms dramatisch kreunende deuren- andere personages op, tot er zes mannen en vijf vrouwen op het podium staan. Het verandert niet wezenlijk iets in de manier waarop ze aanwezig zijn, ook niet als de muziek van GOAT plots overgaat in een spervuur van indringende harde, droge tikken. Het laat geen sporen in de trage handelwijze van de performers. Pas heel wat later ontstaat er, als het ware uit het niets, een duet tussen een vrouw en een man (ik vermoed: Maya Masse en Philippe Renard). Al is duet een groot woord voor het feit dat ze, los van de soundscape, een zelfde vibe oppikken bij heupwiegende, sensuele -zelfs gevoelerige- passen.

Er zijn ook opmerkelijke solomomenten, zoals die van Anna Massoni. Na een bijna terloopse aanvaring met Renard en (vermoed ik) Louis Clément start ze in loop een eigen routine. Ze heft de armen boven het hoofd, keert om haar as en strekt haar been met kracht naar achter, keert weer om en heft haar arm onder haar kin. Dat herhaalt ze met variaties, zonder dat die actie enige weerklank vindt bij de rest van de performers. Haar eenzaamheid is totaal.

Af en toe dooft ondertussen het licht, en zwijgt ook de videomonitor. Alsof de nacht valt. En dan is er het eindeloos lange moment dat alle performers verdwenen zijn en je alleen nog kijkt naar dat lege podium. Het kondigt een nieuw begin aan. De vreemde butler brengt boeken rond. Ze brengen plots een ander aandachtsregime teweeg onder de performers. Het kan een indruk van mij zijn, maar het leek me dat ze weliswaar niet minder geïsoleerd waren, maar toch dichter bij zichzelf kwamen. Weg van de monitor.

Als de butler de boeken weer ophaalt komt de finale van dit ongewone stuk dichterbij. De performers vertonen steeds meer tekenen van verzwakking, tot ze een tableau vivant vormen van in elkaar stuikende lijven. Op dat moment -en dat is zeer betekenisvol- gaat niet het licht uit, zoals dat eerder vaak gebeurde, maar komt het gordijn neer. Het is pas op het einde dat de voorstelling zo ‘zegt’ dat ze een voorstelling was.

Alleen weet je zelfs dan nog steeds niet wat er voorgesteld werd. De formule van de avond lijkt te zijn: suggestie zonder plot. Of zelfs: suggestie van suggestie. Inderdaad: zonder referenties. Zwevende tekens.

Toch is dit bijzonder en gedurfd werk. Haast elke seconde van het anderhalf uur dat dit werk duurt is op zich, als beeld en als vertolking, hoogst precies en intrigeert net daarom. Elke performer is net wat anders ‘aanwezig afwezig’, door een net wat verschillend bewegingsrepertoire. Maar een uitleg mankeert dus. Je hebt er het raden naar waarom de performers zo wazig rondhangen en finaal instorten in dit weergaloze decor.  Ik stel me voor dat het een marteling is als je ‘dans’ verwacht.

Achteraf schoot me te binnen dat de oplossing van dit raadsel nochtans niet zo heel ver te zoeken is. ‘Without references’ betekent een heel precieze stemming: een landerige avond voor de televisie. Zo’n avond die voorbij gaat in onbestemde gedachten, zonder dat er ‘iets te zien is’ of ‘iets gebeurt’. Er gebeurt net dan natuurlijk van alles, maar het bereikt de oppervlakte niet. Het lost voordien al op in het geflikker van het scherm. Het zegt iets over huiselijkheid vandaag: ze is even anoniem geworden als de lobby van een hotel. Het scherm heeft het huis leeg gezogen. Een televisiemonitor heet niet toevallig ‘vacuümscherm’. Zoiets zichtbaar maken op een podium, dat is wel heel bijzonder.

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren