Muziektheater

Schwanengesang D744 Romeo Castellucci

De doodsangsten van Romeo Castellucci en Franz Schubert

Aan liedrecitals komt zelden een regie te pas. De zanger zingt, de pianist begeleidt, het publiek luistert. Niet zo bij ‘Schwanengesang’, een productie uit 2013 met liederen van Franz Schubert. Hier valt ook heel wat te zien. Romeo Castellucci regisseerde zangeres Kerstin Averno meticuleus, en deed beroep op een heuse dramaturg, Christian Longchamp, voor de selectie van de liederen. De voorstelling ging dan ook in première op het theaterfestival van Avignon. Dit is meer dan een recital. Het wordt muziektheater als actrice Valérie Dréville het podium overneemt .

Schwanengesang D744
Johan Thielemans De Singel, Antwerpen meer info
20 november 2021

De titel ‘Schwanengesang’ zet de luisteraar op het verkeerde been. De voorstelling is geen vertolking van de gelijknamige laatste liedcyclus van Franz Schubert. Die werd postuum samengesteld, en kreeg opusnummer D 957. Daaruit hoor je hier slechts één lied, het bekende ‘Ständchen’. Dramaturg Christian Longchamp stelde zelf een bloemlezing samen uit Schuberts werk, met onder meer het lied ‘Schwanengesang’, maar dat heeft nummer D744. De titel is dus een slimmigheid van Castellucci: ze brengt de luisteraar die de cyclus kent wat in verwarring.

De gekozen teksten worden gezongen door de Zweedse sopraan Kerstin Averno, die ook vaak in de Munt te zien is. Dat ze een vrouw is bepaalde mee de liedselectie. Vele liederen van Schubert gaan over treurende mannen, die anders dan vandaag moeiteloos en zonder schaamte tranen plengen. Ze lijden en zijn kwetsbaar. Deze dimensie zou verloren gaan als een vrouw ze vertolkte. Daarom selecteerde Longchamp liederen waarin de man afwezig is. Het gaat hier over een vrouw die haar geliefde mist. Onvervuld verlangen overheerst: ‘Nur wer die Sehnsucht kennt/ Weiss, was ich leide!’

Tegenover die Sehnsucht staat het besef van de dood, bijvoorbeeld in ‘Schwanengesang D 744’ op tekst van Johann Senn. ‘Wie klag’ ich’s aus/das Sterbegefühl’ heet het daar. Het gedicht eindigt op klagen, en angst voor de vernietiging, “bis das Leben floh!’ Kommer en kwel tot aan het onafwendbare einde.  De tekst besluit met de kernregel van de voorstelling: ‘Das bedeutet des Schwanen Gesang!’

Naar wat zitten jullie te kijken? Ga weg!

Kerstin Averno verschijnt in een grijsblauwe, vooroorlogs burgerlijk aandoende deux-pièces. Ze stapt resoluut naar de lichtcirkel in het midden van het toneel. De eerste liederen zingt ze afstandelijk, met een voortreffelijke pianobegeleiding van Alain Franco, die op grote afstand in de zaal zit. Castellucci regisseerde Averno tot in het kleinste detail. Hier geen onduidelijke gebaren die je zo vaak bij liedrecitals ziet. Elke arm, elke hand voert kleine precieze bewegingen uit. Averno kijkt soms naar rechts of links.

Bij elk volgend lied wordt de toon van de zangeres echter emotioneler. Hoogtepunt is het ogenblik dat het zwanenlied haar tot tranen toe beweegt. De zangeres stapt dan uit de lichtcirkel gedaan. In het duister wordt ze door gevoelens overmand. De pianist tracht haar weer bij de muziek te brengen, maar zij geeft hem te kennen dat ze nog niet klaar is. Het recital slaat hier om in muziektheater.

Averno wordt stilaan niet meer dan een vage gestalte als ze steeds verder weg dwaalt in het duister van het podium. Wat blijft is haar stem. We horen haar eerst een wiegelied, en vervolgens het lied ‘Abschied’ vertolken. Met de woorden ‘Scheiden, meiden was man liebt/Lebt wohl! klingt klagevol’ verdwijnt ze letterlijk van het toneel.

In haar plaats verschijnt nu de actrice, Valérie Dréville in een losse, lange jurk. In volledige stilte ‘zegt’ ze met sierlijke gebaren een tekst, die het laatst gehoorde lied lijkt uit te beelden. Als ze naar voren stapt ondergaat ze echter een metamorfose. Ze trekt het vloerzeil naar zich toe en begint het publiek uit te schelden. ‘Naar wat zitten jullie te kijken’, roept ze. ‘Ga weg!’ Ze barst uit in vloeken en tieren. Het is een spectaculaire solo voor een virtuoze actrice, maar hoe ze furieus ze ook te keer gaat, niemand in de zaal reageert. Waarom? Je voelt dat het theater is. Een ijle aanval die verandert in een uiting van pijn, de pijn die we eerder in een erg beleefde vorm bij Schubert hoorden.

Tijdens dat vertoon van rauwe razernij zien weerklinkt achter de schermen, ver weg, nog een lied van Schubert. Die worden gevolgd door enkele knallen en lichtflitsen, als inslaande bliksems. Oorverdovend zoals we dat van Castellucci en zijn trouwe kompaan Scott Gibbons gewoon zijn. Bij één van die bliksems zie je in een flits een figuur met een duivels masker. Het gaat zo snel dat je twijfelt of je het wel echt gezien hebt.

Wat wil die beeldflits zeggen. Dat vrouwen, in hun diepste wezen, priesteressen zijn van de duivel, van de God met de geitenkop? Wat zegt dat over Catsellucci’s visie op een vrouw die haar wanhoop en woede uitschreeuwt?  Tijd om daarover na te denken krijgen we niet, want Dréville keert terug naar haar eerste verschijning als treurige vrouw die haar leed uitdrukt in sierlijke gebaren. Ze prevelt een tekst waarin ik finaal het woord ‘schlafen’ meen te herkennen? In ieder geval: op dat moment deemster het licht inderdaad weg tot alles volledig donker is.

Bij de voorstelling in Antwerpen (19.11) bleef het publiek minutenlang stil zitten alsof er een eeuwige nacht over de zaal kwam. Zo werd deze voorstelling nog gitzwarter dan verwacht: het werd een lange tocht naar de totale duisternis. Dat zwart versterkte de pijn, dat lijden, de eenzaamheid en de weg naar de dood.

Hoe indrukwekkend ook, aan deze voorstelling kleefden een paar spijtige schoonheidsfouten. Castellucci is altijd een beetje ondoorzichtig, maar je hoopt dan dat het programmaboek opheldering biedt. Dat is hier niet het geval. Het bevat slechts een interview, dat dramaturg Christian Longchamp afnam. Ik ken Castellucci erg goed, en weet zo dat hij niet terugdeinst voor wollige gedachten. Dat is hier niet anders. Zijn bespiegelingen verduidelijken weinig. Opmerkingen als: ’Rembrandt hangt me op’ doen me zelfs hartelijk lachen.

Jammer was ook dat de voorstelling uitsluitend Engelse boventitels kreeg. Dat zijn we in De Singel niet gewend. Ik kon de Engelse tekst ook moeilijk met de Duitse woorden in overeenstemming brengen. Ik twijfelde zelfs of het wel een vertaling was. Stonden die woorden misschien op zichzelf? Als Dréville in het Frans aan het schelden ging waren er zelfs helemaal geen boventitels meer. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren