Béla ECCE / Ictus
Beroezende Bartók
De sonate voor twee piano’s en slagwerk van Béla Bartók (1937) wordt vrij zelden opgevoerd. Opwindend is het stuk genoeg, maar de complexe afwisselingen van ritme en toonaard vragen veel van de muzikanten. De twee slagwerkers bespelen maar liefst zeven instrumenten, van triangel tot xylofoon. Het stuk dwingt ook de pianisten in de ongewone rol van een soort percussionisten jazz. In de handen van choreografen Claire Croizé en Etienne Guilloteau van ECCE en het ensemble Ictus wordt dat werk echter puur goud: hun ‘Béla’ is een beroezende voorstelling én een zeldzaam voorbeeld van een totale symbiose tussen dansers en muzikanten.
De vier danseressen komen meteen na de muzikanten van Ictus het podium op, en kieperen in stilte, maar in hoog tempo, hun hele gereedschapskist uit. Het is nauwelijks te volgen. Claire Godsmark loopt rondjes loopt om daarna een beetje baldadig haar been de lucht in te laten zwiepen, Anne-Laure Dogot neemt plots een pose aan alsof ze John Travolta in ‘Saturday Night Fever’ is. Bijna komisch is hoe Laura de Dietrich nadrukkelijk zware passen zet, als een kind dat probeert anders dan anders te stappen. Cintia Sebök is haar tegenbeeld, de meest sierlijke beweger. De kleurrijke stiksels van Anne-Cathérine Kunz geven de dansers nog meer luister.
Uitbarsting
Ondertussen zwelt een ruis, een white noise aan, die nog even door zindert en ondertussen Bartók’s eerste beweging aanzet. Hij gaf die de aanwijzing ‘Assai Lento / Allegro troppo’, mee, of dus ‘heel traag/heel vrolijk’. Dat blijkt. Pianospel op kousenvoeten volgt op zacht tromgeroffel, plooit open tot een melodie, maar dan komt er bruusk een harde, ritmische uitbarsting, een paar keer na elkaar. Strakke ritmiek bepaalt ook het vervolg: een samenspel van piano’s en percussie die klinkt als filmmuziek bij een wilde achtervolging tot ze landt op een jazzy dansant stukje vol tegentijden.
Kom je eerst ogen te kort, dan kom je nu even oren te kort. De choreografie speelt daarop in: al is ze even veelstemmig als de openingsscène, toch ontstaan nu duidelijke parallellen met de muziek. Als de muziek nadrukkelijk het ritme aangeeft bewegen de dansers ook unisono, dicht tegen de piano’s aan. Waar het ritme gaat variëren op de complexe maatsoort van 9/8 waaieren ook de dansers uit in vele richtingen en figuren.
Elke pas en move zit de muziek dicht op de huid, met unisono bewegingen op onverwachte momenten.
Het ziet er allemaal ongedwongen uit, als een improvisatie bijna, maar toch zit elke pas en move de muziek dicht op de huid, met unisono bewegingen op onverwachte momenten. Ze verraden een uiterst precieze schriftuur die de kwaliteiten van de dansers maximaal tot uiting brengt. De tweede beweging, ‘Lento ma non troppo’, gaat verder op dat élan. Bartók benoemde dit deel als een nocturne, een evocatie van de nacht, maar bij hem zit die vol leven, zonder gezwijmel. Ook dit deel opent behoedzaam, en is melodieuzer, maar schakelt toch al snel naar een stevig ritme vooraleer de rust weerkeert. En ook nu vertalen de dansers de intense ritmiek in een betoverend vormenspel. De suggestief flikkerende belichting van Hans Meijer toont hier haar volle kracht.
Korhoen concert
Op dat moment laten muzikanten en dansers Bartók even voor wat hij is. Tom de Cock komt naar voren en imiteert er het ritmische geluid van een korhoen op een lokfluit. De dansers houden zich bij die ‘Birkhahn-studie’, een compositie van Robin Hoffmann, op de achtergrond. Op ‘Rotogravity’ van Mark Fell en Errorsmith – elektronische dansmuziek – pakken ze echter weer unisono het podium met een vrolijke huppelpas. Nu weet je helemaal niet meer waar te kijken, want Ictus maakt er een heuse performance van door de elektronische partituur om te zetten in een akoestische versie. Decock levert het basisritme door op zijn borst te slaan. Muziek als een hartenklop. Pianiste Marlies de Backer ondersteunt hem op cymbaal, terwijl Jean-Luc Plouvier zijn piano zo prepareert dat ze klinkt alsof ze een keyboard was.
Pas dan volgt het derde deel van Bartók’s sonate, ‘Allegro non troppo’. Niet al te snel dus. Naar zijn normen dan. De levendige percussie van de xylofoon roept zelfs een heel verhaal van heen en weer rennende figuren op. Voor de choreografen is dat een aanleiding om hun dansers alle vrijheid te geven, met soms komische momenten, bijvoorbeeld wanneer Dogot haar handen vrolijk plagerig laat wapperen.
‘Rllrlrllrrlrlrlrllrlrlr’ van Julian Sartorius benadrukt nog eens de innige band tussen het ritme van lichamen en muziek.
‘Rllrlrllrrlrlrlrllrlrlr’ van Julian Sartorius beëindigt de avond als een uitsmijter en benadrukt nog eens de innige band tussen het ritme van lichamen en muziek. Tom Decock en Geert Nulens bespelen vooraan op het toneel een paar trommels die de dansers eerst overdekten met een laken. De titel van het stuk is ook de partituur: r staat voor rechts, l voor links. In die volgorde bespelen de slagwerkers hun instrumenten. Terwijl ze dat doen brengen alle andere performers voorwerpen aan die ze op de trommels plaatsen, zodat er steeds nieuwe klanken ontstaan. Ze eindigen echter met een dik doek dat alle klank smoort: het virtuele slotakkoord van dit virtuoze spel met ritmes, klank en beweging.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz