Toneel / Performance

Man met Berten Vanderbruggen

Mogen homo's kinderen hebben / adopteren?

Je bent dertig en je wil wat. Maar je bent homo, je hebt geen vriend en de toekomst ligt dus helemaal open. Is een kind dan het antwoord? Om voor te zorgen? Om iets door te geven? Om niet alleen achter te blijven? Op een luchtige manier werpt Berten Vanderbruggen die vragen op in ‘Man met’. Een solo zonder veel poespas, maar de vragen die hij stelt blijven wel hangen. Ook als je kinderen hebt. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Man met
Pieter T’Jonck Cultuurcentrum Berchem, Antwerpen / extra datum 14 maart meer info
08 maart 2020

Berten Vanderbruggen schildert met een penseel leuke koppen op een lichtbak als het publiek binnenkomt. Een camera projecteert het beeld op het achterdoek. Als iedereen gezeten is neemt hij het woord. Zonder omwegen legt hij zijn situatie uit. Voor je het weet zit je met hem op een infodag voor ‘wensouders’. Een genadeloze afvalrace, waar mannen zoals hij met een zware handicap aan de start komen.

Het wordt zelfs pijnlijk als Vanderbruggen in enkele episodes zijn ‘intake gesprek’ opvoert. De vragen zijn best pittig. Waarom wil je een kind? Zou je er een bezwaar tegen hebben als het een beperking heeft? Heb je er wel genoeg tijd voor? Doe je het voor jezelf of uit een raar soort naastenliefde? Vragen die nooit gesteld worden aan mensen die ‘vanzelf’ kinderen krijgen.

Zou het dan beter zijn als dat wel gebeurde? Wat daarvoor pleit: als vader van twee kinderen kon ik op veel van deze vragen niet snel antwoorden en, eerlijk, op voorhand dacht ik daar nooit vreselijk hard over na. Ik zal wel niet de enige zijn. Soms zijn kinderen de dupe daarvan. Maar of je daarom mensen zou moeten aansporen om zich te bezinnen vooraleer te beginnen? Ik weet ondertussen ook dat het weinig zoden aan de dijk gezet zou hebben in mijn geval, want wat je ook verwacht van kinderen, de werkelijkheid pakt toch anders uit. Dus : nee. Het is onzin.

Het maakte me wel alert voor de bizarre teneur van de vragen die Berten Vanderbruggen moest beantwoorden. Je moet een halve heilige zijn om in aanmerking te komen voor adoptie. Het ideaal dat erin weerklinkt is dat van een spanningsloze, volkomen altruïstische verhouding van ideale ouders en kinderen. Wie staat daar model voor? Een puissant rijk gezin met zes nannies, een ambtenaar of een mensensoort die nog moet uitgevonden worden? Wat als die ouders zo belachelijk goed zijn dat kinderen er niet tegen kunnen schoppen? Waar schoppen ze dan wel tegen?

Wat als die ouders zo belachelijk goed zijn dat kinderen er niet tegen kunnen schoppen?

Vanderbruggen laat die vragen in het midden zweven, want in de wetenschap dat zijn kans op een kind niet zo groot is, overdenkt hij zijn motivatie. Met het omweggetje van een grappig rijmend liedje over zijn wensouderschap. Dat wordt vaste prik in deze voorstelling: als Vanderbruggen vastloopt in zijn gedachten is er een liedje dat de lucht doet opklaren. Aanvankelijk begeleid door elektronische muziek, later neemt hij een ukelele ter hand.

Zijn eerste motivatie is dat zijn adoptiekandidatuur een voorzorgsmaatregel is. Voor het geval zijn kinderfantasie te sterk wordt. Gek genoeg vergelijkt hij die met de voorzorg om déodorant mee te pakken als je op stap gaat. Zo gaat het vooral over zijn eigen ‘behoefte’. Dat geeft hij ook ruiterlijk, met een zweem van zelfspot, toe. ‘Ik behoor tot de generatie die door zichzelf geobsedeerd is’.

Hoe goed hij dat beseft blijkt uit een kleine scène waarin hij zich verbeeldt met zijn kind aan een voetbalplein te staan. Hij tekent het uit op de lichtbak. Met voetbal heeft hij zelf niets op, en dus staat hij daar niet te schreeuwen en te tieren als al die andere ouders die hun kind willen laten zijn wat ze zelf niet werden. Ter compensatie heeft hij wel goed bestudeerd wat ‘buitenspel’ betekent, en stelt hij zich voor dat hij zijn kind door bescheiden signalen aanmoedigt.

Geleidelijk sluipt er meer twijfel in zijn verhaal. De rode draad hier is het beroemde schilderij van Michelangelo in de Sixtijnse kapel. Centraal daarin staat het beeld van God die Adam tot leven wekt. Maar de vingertoppen van God en Adam, een Vader en een Zoon, raken elkaar net niet. Een berucht detail dat Vanderbruggen op een particuliere manier leest. Volgens hem wou de homoseksuele Michelangelo niet uitbeelden dat een God (en een paus, Julius II) die hem het seksuele bestaansrecht ontzegde zijn verwekker zou zijn. Close but no cigar. Het wordt alweer mooi uitgebeeld op de lichtbak met een pastiche van dat beroemde fresco.

Vanderbruggen heeft overigens een troef achter de hand: hij zou met zijn boezemvriendin Barbara ook een kind kunnen krijgen, dat ze dan samen opvoeden. Dat hebben ze elkaar ooit beloofd. Je hoort haar even aan het woord op een klankband terwijl Vanderbruggen dromerig foetusachtige vormen schildert op de lichtbak. 

De voorstelling neemt op het einde echter nogmaals een wending. De slotmonoloog is een fictieve dialoog tussen Vanderbruggen en de foetus in zijn hoofd. Die kan hij zich al helemaal voorstellen. De foetus is een gedachtenexperiment, maar dan een die steeds concretere vormen aanneemt, en er misschien ook gewoon wel eens zal zijn. Maar nu nog niet.

‘Man met’ is geen ‘grote’ tekst, noch ‘vernieuwend’ theater. Toch is het een meer dan boeiende avond, omdat Vanderbruggen feilloos langs de klippen van larmoyant zelfbeklag laveert. Hij bekijkt zijn situatie, zijn verlangens, zijn mogelijkheden van vele kanten met een opmerkelijke zelfrelativering. Dat is verfrissend. En niet zonder belang.

Nu homoseksualiteit (eindelijk) in tamelijk brede kring niet langer als een ‘afwijking’ of ‘zonde’ geldt, moeten we dringend nadenken over de sociale consequenties. Zoals: ook homo’s kunnen, net als ieder ander mens, naar een kind kan verlangen, ook al maken ze niet ‘vanzelf’ kinderen. Daardoor kijk je met andere ogen naar het ‘gewone’ gezin. Dat is niet langer de norm, maar enkel een mogelijke en niet per se de enige, noch de beste constructie voor dat gekke verlangen om zorg te dragen voor een kind. Dat ‘normale’ gezinnen even vaak slecht als goed uitpakken, daar zijn zelfs bibliotheken vol over geschreven. 

PS: Een deontologisch conflict: mijn dochter, Barbara T’Jonck, deed dramaturgie en speelde spelcoach voor deze productie. Dus hoor ik er eigenlijk niet over te schrijven. Bij gebrek aan beter deed ik het toch, omdat ik de voorstelling echt wel de moeite waard vond. Het is maar dat je het als lezer weet!