Toneel

Rambuku tg Stan & Maatschappij Discordia / Jon Fosse

Ongevraagd geluk

‘Rambuku’ is de derde tekst van Jon Fosse waar tg Stan zich aan waagt na ‘Slaap, kindje, slaap’ en ‘Eg er vinden’. Na ‘Eg er vinden’ is dat ook voor de tweede keer in samenwerking met Matthias de Koning van Maatschappij Discordia. ‘Rambuku’ -een verzonnen woord- is alweer een tekst zoals alleen Fosse ze schrijft. Uiterst spaarzame woorden, die als in een litanie rondjes draaien, roepen een hele denk- en leefwereld op. Maar een concrete context ontbreekt, zodat ze voor veel lezingen vatbaar blijven. Tg Stan vond alweer een manier om het mysterie van de tekst intact te laten en ze toch pakkend concreet te maken. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Rambuku
Pieter T’Jonck Théâtre de la Bastille, Parijs.
In het kader van Festival d' Automne
meer info
20 december 2021

De lange premièrereeks van ‘Rambuku’, tot een eind in januari, vond deze keer plaats in Parijs, in het Théâtre de la Bastille, en wel in het kader van het prestigieuze Festival d’ Automne. Toch is het bovenzaaltje van dat theater erg klein. Dat lijkt echter ook de bedoeling, want zo zitten de 160 toeschouwers tot vlak voor de smalle speelvloer. Op de eerste rij kan je de spelers net niet aanraken. Letterlijk. Als je de zaal binnenkomt loop je ook langsheen die speelvloer. Damiaan De Schrijver heet je er welkom tussen twee achterdoeken in. Alsof het een feestje was. Het is niet de laatste keer dat de grens tussen podium en publiek hier geslecht zal worden.

Een vrouw naast me klaagt erover dat er zelfs geen decor is. Ze heeft niet goed gekeken. Er ligt bijvoorbeeld een opvallende vloer. Ze bestaat uit oude vierkante stukken parket in een weefmotief, gevat zijn in een min of meer passend raster van naakte, zwarte planken. Op een paar meter achter de rand van die vloer hangen achter elkaar drie zeildoeken die met blauwe en zwarte verf haastig beschilderd werden. Links ervan staat een tafeltje met drie whiskyglazen, een kom ijsblokjes en een tekst-brochure. Rechts zie je in de verte nog net een verpieterde kamerplant.

De belichting vormt een spektakel op zich: een schijnwerper op statief, ouderwetse TL armaturen en een zwart geschilderde gloeilampen. Rechts van het podium geven de ballasten van die toestellen de rand aan van het speelvlak. Toch heel wat dingen… Maar het is wel waar dat ze alleen de idee van een decor verbeelden, zonder afgerond beeld. Dat moet je zelf verzinnen in de loop van het stuk. Fosse verspilt in zijn tekst immers ook geen half woord aan de context van zijn personages.

Terwijl de laatste kijkers een plaats zoeken ijsberen de drie spelers rond in dat decor. Dan blijft Matthias de Koning alleen achter. Hij gluurt een beetje onbeholpen, zelfs argwanend rond naar de zaal, over zijn brillenglazen heen, met zijn hand in zijn broekzak. Met de andere neemt hij, na lang dralen, een lepel beet en probeert daarmee de ijsblokjes uit de kom in de whiskyglazen te scheppen.

Dat lukt hem natuurlijk maar met moeite, ook al omdat de ijsblokjes aan elkaar kleven. Er belandt er meer dan één op de grond. Toch hevelt hij uiteindelijk haast alle blokjes naar de glazen over. Die zitten dan boordevol. Besmuikt triomfantelijk veegt de Koning met een vingertrek het laatste brokje ijs van tafel. Klaar. Vanaf nu gaat het ijs smelten.

Deze scène moet voor de makers erg belangrijk zijn: ze opent niet alleen het stuk, ze duurt ook erg lang. Het vreemde is echter dat ze eerder op een stuntelige jongleurs-act dan op theater lijkt. Doet ie het of doet ie het niet, lijkt de inzet. Je krijgt zo de indruk dat de Koning daar niet als acteur, in een rol, staat, maar als zichzelf, of misschien als een toneelknecht die attributen klaarzet -later blijkt hij vooral de souffleur van Kayije Kagame te zijn.

Dat installeert, net als de begroeting door De Schrijver, een ongewone verhouding tussen de toeschouwers en het podiumgebeuren. Omdat het begint met een scène die geen volwaardig ‘spel’ is, zijn we ook niet helemaal toeschouwer, maar misschien eerder een soort getuigen van wat zich hier tussen de mensen, niet de personages,  op het podium zal afspelen. We zien bijvoorbeeld met de spelers het ijs langzaam smelten.

Over de tijd die haast tot stilstand komt omdat er niets verandert

Deze scène stelt tegelijk een -onzekere- tijdsduur in: eens het ijs gesmolten is, zal het stuk ook gedaan zijn. Maar hoe lang duurt dat? Kijken naar smeltend ijs vertraagt de tijd. Ze wordt eindeloos. Stilaan zal blijken dat het in dit stuk onder meer daarover gaat. Over eindeloos wachten, over de tijd die haast tot stilstand komt omdat er niets verandert. Kwellende tijd, die doet verlangen naar een verlossend moment. Iets. Wat dan ook.

Het stuk begint een tweede keer met de opkomst van Kayije Kagame, een rijzige zwarte vrouw, gekleed in een zwarte broek en hemd met een knalrode trui erboven. Ze doet er lang het zwijgen toe. Ze talmt, lichtjes bedremmeld en onzeker. De Koning schaduwt haar, tekstbrochure in de hand. Pas door haar schichtige blikken opzij merk je Damiaan De Schrijver op.

Die ging helemaal rechts van het podium zitten, en kijkt daar stuurs voor zich uit. Een omgekeerd tafeltje naast hem, met een hoop rommel erop, suggereert dat hij besloten heeft zich letterlijk afzijdig te houden. Om niet mee te doen. Of staat het tafeltje op zijn kop omdat hij zijn biezen wil pakken? Hier suggereert het decor plots een begin van een fictie.

Is Kagame zo ongemakkelijk door zijn afzijdigheid, die maakt dat ze er plots alleen voor staat? Zien we hier nu al theater of zijn we nog steeds, als in de openingsact, getuige van een reële, wat gênante situatie waar we ongewild in betrokken raken, zoals je ongewild in familieruzies  betrokken raakt?

Maar dan steekt Kagame plots van wal om niet meer te stoppen. Nagenoeg de hele verdere duur van het stuk blijft ze alleen aan het woord met een tekst die soms over haar verhouding hier en nu met De Schrijver lijkt te gaan, maar even vaak open bloeit tot een visioen van een andere, betere wereld, die ze de naam ‘Rambuku’ geeft.

‘Pourquoi tu ne veux rien dire?’ zijn haar eerste woorden. De Schrijver haalt zijn schouders op en mompelt iets. ‘Pourtant, c’ est le jour que nous allons partir pour Rambuku’ vervolgt ze. Ze beschrijft het als een plek waar engelen wonen, wonderlijke bomen groeien, enorme vogels licht uitstralen. ‘Tout ce qui me manque’, besluit ze. Waarop ze, steeds levendiger, haar beschrijving hervat. Ze vertelt over gezangen die opklinken.

Het is een prachtig moment: de Koning houdt net dan de tekst dicht bij haar oor zodat ze lijkt te luisteren naar de klank die eruit opstijgt. Rambuku is in alles anders, besluit ze bijna extatisch: er zijn geen huizen, er is geen dag en geen nacht. Jaren hebben ze naar het vertrek toegewerkt. Nu is de dag aangebroken.

Net dan laat Kagame een eindeloze stilte vallen. Ze gaat zitten op één van de twee krukken tegen het achterdoek en schetst een sombere beeld van de wereld waarin ze leeft: een wereld waarin mensen elkaar niet zien zoals ze zijn, maar in de ander alleen zichzelf herkennen. Een lege wereld, een wereld van spiegels. Maar nu kan Rambuku komen, vervolgt ze weer vol gloed.

Hij lijkt zich te schamen voor zijn woorden. Hij gelooft er niet in. 

Geërgerd door zoveel messianisme staat De Schrijver dan op. Zij smeekt hem ‘Dis-moi enfin quelque chose’. Gemopper en schouderophalen is het antwoord. Er volgt een vermakelijk moment als ze hem dicteert wat hij moet zeggen: ‘Tu es une belle femme’. Hij zwijgt. Zij brengt hem de zin woord voor woord bij. ‘Tu’. ‘Es’. ‘Une’. ‘Belle femme’. Hij krijgt het nog net uit zijn bek, maar lijkt zich te schamen voor die woorden. Hij gelooft er niet in.

In zekere zin is dit hilarisch, want Kagame is een knappe verschijning, en niet alleen omdat ze zo in een glossy zou kunnen figureren. Ze verdedigt haar tekst ook met een vuur dat des te sterker gloeit naarmate ze ook onderliggende wanhoop laat voelen. Het is één lang gezang. De Schrijver steekt daar, met zijn zware lijf, zijn baard en luizige roze trui en -vooral- zijn machteloze mopperen schril tegen af. De scène is zo meer dan een soort situatiehumor: ze laat zien dat een zin als ‘tu es une belle femme’ performatief van aard is: wie ze uitspreekt zonder erin te geloven zegt niets -of liegt.

Kagame wordt ondertussen door twijfel bevangen. Komt ‘Rambuku’ wel?. Net dan komt het eerste achterdoek naar beneden. Alsof er een bedrijf voorbij is.

In het volgende  ‘bedrijf’ laat Kagame De Schrijver woorden lezen die ze haastig neerkribbelt. ‘Rambuku’ is het eerste. De Schrijver flapt het uit alsof het een smerig woord was. Zij heeft het dan plots over het verleden -hun verleden. Waar ze geen, en dan weer wel spijt over heeft. Waarop ze alweer vertwijfeld zucht: ‘Pourquoi Rambuku ne vient-il pas?’ Het is een subtiele wending: Rambuku blijkt plots niet enkel een denkbeeldig paradijs, maar ook een -denkbeeldige persoon.

De spanning is nu om te snijden: een vrouw die maar doorgaat over de stap naar een beter leven, en de man die zich er tot in zijn diepste vezels tegen verzet. Ze wil hem in beweging krijgen. ‘Marche un peu’. Wat hij, als een balorig kind plots met overdreven ijver doet, hoofd omlaag, nijdig. Waarop ze hem weer laat stoppen.

Zo gaat het een hele tijd door. Zij brengt een hoer ter sprake waar hij mee aanhield. Ze laat het hem zeggen: ‘Putain’. Hij marcheert verder. Toch dwingt ze hem uiteindelijk om te zeggen dat ze naar Rambuku gaan. Ze pakt daarna zijn arm, zoals op de dag dat ze trouwden. Zou ‘Rambuku’ dan misschien enkel maar haar codewoord zijn voor de liefde die het paar ooit voor elkaar koesterde?

Op dat moment komt het derde doek naar beneden. Kagame en haar trouwe souffleur de Koning houden zich nu nog slechts met moeite overeind op het dikke pak zeildoeken dat de speelvloer ondertussen bedekt. Net dan draagt Kagame de verantwoordelijkheid voor het stuk over aan De Schrijver. Op haar nerveuze, dwingende aandrang leest hij voor wat we nu zouden moeten zien: een paradijselijke scène waarin een jonge man op een vrouw toetreedt. In werkelijkheid stuntelen Kagame en de Koning naar elkaar doe over de doeken. De Schrijver ziet toe op de scène vanuit de zaal, tussen het publiek, overduidelijk met een soort ontzetting of ongeloof in zijn ogen.

Dat duurt net zo lang tot de Koning verzaakt aan zijn rol als wonderprins, en weer souffleur wordt. Op dat moment wenkt Kagame De Schrijver dichter bij, en laat ze hem een van de glazen ijswater drinken die de Koning aandraagt. Hij wankelt, alsof het een gifdrank was. Kagame drinkt een ander glas leeg. Op de achtergrond klinkt jazzy muziek (Miles?) en ‘Stand by me’ van Ben E. King. Kagame grijpt De Schrijver terug onder de arm, en plechtig stappen ze weg van het publiek in de richting van een felgeel licht achterin het podium. De Koning laat het doek weer omhoog gaan. Einde.

Dat einde laat je beduusd achter. Wat was dit? Een droom van een beter leven? Een verhaal over een dubbele zelfmoord, of over een herwonnen eenheid? Een hallucinatie? Is Rambuku een Utopia, of is hij een Godot die toch komt? Of gaat het hier om de de woordenstrijd zonder winnaars tussen twee mensen? Gaat het over de kracht en het onvermogen van woorden? Het blijft in het midden hangen.

Maar het blijft je wel lang nadien bezig houden omdat de spelers dat mysterie heel de tijd open houden, tot in het laatste beeld, en je daar als kijker steeds weer in betrekken. De levendigheid van de handeling, de pijnlijke stiltes afgewisseld met een staccato woordenstroom, een smekend pleidooi of machteloos mompelen doen iets met je. Het is onwaarschijnlijk levensecht, dat willen maar dan toch -misschien- niet kunnen. Omdat we toch maar tegenstribbelende De Schrijvers blijven die ongemakkelijk worden van teveel geluk. 

Beschikbaar voor iedereen, gefinancierd door lezers en organisaties.
Steun pzazz met een abonnement.

Abonneren