Dans / Performance

Lullabye Anneleen Keppens

Wie draagt de moeder?

Het stralende moederschap? Gelukkig zijn er ervaringsdeskundige kunstenaars die af en toe nog tijd en ruimte vinden om dat taboe op te breken voor een meer genuanceerd beeld. Choreografe Anneleen Keppens is de laatste in de rij. Haar solo ‘Lullabye’ roept evenveel uiteenlopende emoties op als er kleuren zijn in de doeken in haar scènebeeld. Zorg verloopt te weinig wederzijds, zo suggereert deze veelzijdige fysieke evocatie.  

Lullabye
Wouter Hillaert PZ Onze-Lieve-Vrouw in Brugge, in het kader van het festival AMOK
27 oktober 2026

Als man, bovendien zonder kinderen, zijn de vele voorstellingen over moederschap die vandaag het podium vinden tricky kijkvoer. Ben je wel genoeg uitgerust om alle associaties juist te zien en te wegen? Tegelijk dreigt er overcompensatie in je blik: voor je het weet, reduceer je alle scènes tot louter beelden van moederschap, zonder nog hun bredere mensbeeld in ogenschouw te nemen.

Cocon

Gelukkig is Anneleen Keppens niet van de conceptuele school. Haar ‘Lullabye’, die in Brugge in première ging tijdens het AMOK-festival over zorg, wil vooral aanschouwelijk zijn. De performance van 75 minuten bouwt op overwegend leesbare beelden en wordt geschraagd door een heldere muzikale sfeerschepping. Eerst voorziet Nicolas Rombouts’ soundtrack een langzame meditatieve flow, dan volgt een meer nerveuze versnelling, om uiteindelijk weer te gaan liggen in een rustgevend bad. Diezelfde driedelige opbouw kenmerkt de hele solo. We gaan samen door een gauss-curve van uitputting, overdrive en verademing.

Onttakelde verbondenheid is de rode draad die door deze installatie loopt.

Nog bepalender voor de zachte sfeer is echter de scenografie van Erki De Vries en Sofie Durnez: een gestripte tent op zes ranke palen, waarvan nog maar één wand bedekt is met een levendig patchwork van kleurige stofrepen, die er aan weerszijden van het weefsel nog half uithangen. Die feminiene aankleding zorgt meteen voor visuele dynamiek, maar geeft ook beschutting aan de rest van de ruimte, alsof we binnentreden in een persoonlijke cocon, die wel half ontmanteld is.

Ook de vloer is bedekt met een zeildoek in vlakken van paars, lila, grijs en blauw. Op drie, vier punten zorgen koordjes voor puntige opstaande pieken in het zeil, als keken we naar een berglandschap in stof. Er gaat een warme intimiteit van uit, ook omdat we er op onze stoelen en kussens in een cirkel dicht rond zitten. Onttakelde verbondenheid is de rode draad die door deze installatie loopt.

Tijd voor verpopping

We treffen Keppens in foetushouding in haar landschap, waar ze traag in rond rolt, tegen de bergjes op. Ik zie half een depressie, half een exploratieve territoriumverkenning, maar in elk geval een ingekeerd begin. Er straalt veel eenzaamheid van af, mee aangeblazen door een lange zware zucht van een gekromd lijf op handen en voeten, als een ingehouden schreeuw die even existentieel als kosmisch klinkt. De afmatting voelt groot.

Een en ander krijgt pas richting als Keppens haar grijsblauwe trui over haar hoofd schuift en zo een opgevouwen baby baart die ze in haar armen sluit. Dartele momenten (verstoppertje, paardjerijden) wisselen algauw af met heftige gestes van verstoting, zoals wanneer ze met de trui gaat rondtollen als een slazwierder of hem prompt het publiek in keilt. Zorg is niet alleen een zegen. Het is evengoed een last. Een inperking ook, op het randje van zelfverlies.

Precies over die duistere achterkant heft Keppens af en toe lullabies (wiegeliedjes) aan: repetitieve zinnetjes in het Engels die ze uitspreekt op de dreinende muziek, maar dan eerder over wat haar wakker houdt. Soms zijn het niet meer dan losse woorden, zoals een rijmreeks van ‘repetition’ en ‘education’ tot ‘consternation’: uitputtende toestanden waar je als moeder doorgaat, bijna als een machine. Of ze vormen het refrein bij een meer dansant onderzoek naar de staat haar eigen lichaam: “Holding space, radical help, where am I?”.

‘Lullabye’ toont de weinig verkwikkelijke staat van zorgdragers, solo voor zichzelf.

Haar lichaam heeft zich geopend, maar precies niet meer weer helemaal gesloten rond zichzelf. Het lijkt haar vreemd geworden, zoals ze verbeeldt met het bevoelen van haar benen of met een pijlsnel wapperhandje. Dat lijkt bijna los te komen van haar arm.

Zo toont ‘Lullabye’ de weinig verkwikkelijke staat van zorgdragers, solo voor zichzelf. Ze pogen iets bijeen te krijgen of bijeen te houden, maar dragen daarbij ook nog hun eigen vracht. Wie draagt de moeder? Af en toe reikt Keppens veelzeggend uit naar ons, ‘de village’ die zich rond haar verzameld heeft, om kortstondig mee haar trui/baby vast te houden of te wiegen in een doek. Voor heel even vervelt de soloperformance in community theatre. Het voelt wat eenvoudig, maar ook oprecht.

Finaal blijft de solist wel aan zichzelf overgeleverd. In de visueel sterkste scène, na het bijeenvegen van al haar doeken, spant Keppens een spierwit rekbaar lint door haar lege tent, waar ze zich eerst in wikkelt als een mummie, om er dan zelfs helemaal in te verdwijnen als in een diepe hangmat. Haar wezenloze hangen, als een anoniem lijf in een wit draagdoek, roept het beeld op van een overijverige vlieg die is vastgeraakt in een spinnenweb en compleet is uitgezogen, maar ook van een rups in een cocon. Tijd voor verpopping, voor transformatie door rust. Zelfzorg blijkt de sleutel van de solo.

Humus in de herfst

Terwijl Anneleen Keppens in eerdere creaties als ‘Movement Essays’ en ‘Blue Moon Spring’ meer kunstzinnige vraagstukken behandelde, is de inzet hier meer sociaal-maatschappelijk, maar met niet minder artistieke noodzaak. De ontmanteling én heraankleding van haar installatie geeft aan ‘Lullabye’ een heel eigen esthetisch, bijna ritueel karakter – al gaat er soms zoveel zorg op aan die technische ombouw van de architectuur (het af- en aanklikken van doeken, het terzijde schuiven van scenografische elementen die niet langer dienen) dat de inhoudelijke samenhang aan kracht verliest. ‘Lullabye’ wil veel tegelijk. De solo is ook zelf een patchwork, meer dan één coherente lijn.  

Moederschap en zorg zijn praktijken die zich manifesteren als innerlijke rollercoasters, als zwijgende akkers met pieken en dalen.

Dat is natuurlijk precies het punt dat Keppens wil maken over moederschap en zorg in het algemeen: er is niet één analyse, niet één verhaal. Het zijn praktijken die zich manifesteren als innerlijke rollercoasters, als zwijgende akkers met pieken en dalen, een continu trekken en duwen tussen vastlopen en ombouwen. ‘Lullabye’ laat van die impact niet alleen de hele waaier zien, maar overstijgt die tegelijk met suggestieve beelden, zoals een lichtgevende blauwe bol voor Moeder Aarde.

Zelfs al zijn dat geen verrassende extra’s, ze blijven ook mannen als ik eraan herinneren dat zelfzorg in essentie geen terugtrekkende beweging is, maar een wereldwijze daad. “Rest to resist”, noemt Keppens dat in één van haar wiegeliedjes. Haar solo maakt die modieuze kreet weer aanschouwelijk, voelbaar en tastbaar. Als glinsterende humus in de herfst. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Zin in het beste van pzazz?
Schrijf je in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief met telkens drie tips voor bijzondere voorstellingen.

inschrijven