Toneel

Het dier, het dier en het beestje Jetse Batelaan / Theater Artemis

De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens...

Als je onderwijsdeskundigen hoort snoeven over hun voortreffelijk uitgetekende lesmethodes en leerlingenbegeleiding is het haast niet te geloven dat er ooit nog één leerling faalt. Waarom dat toch voortdurend gebeurt, en hoe dat zo komt, ontdek je in de hyperrealistische dierenfabel ‘Het dier, het dier en het beestje’ van Jetse Batelaan en Theater Artemis. Een meesterwerk. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Het dier, het dier en het beestje
Pieter T’Jonck Kaaitheater, Brussel
Theaterfestival 2020
meer info
10 september 2020

‘Het dier, het dier en het beestje’ van Theater Artemis speelt zich af in een diorama. Negentiende-eeuwse natuurhistorische musea staan er vol van: grote, zelfs heel grote kijkdozen met een gekromde achterwand met een geschilderd natuurlandschap erop. Ongemerkt gaat dat schilderij dan over in een voorgrond van stenen, zand, aarde of struiken, of zelfs een vijver of waterloop. Daartussen staan opgezette wilde dieren. Zo krijg je een beeld van hun natuurlijke biotoop en levenswijze.

We kijken vertederd naar die naïeve voorstellingen. Ze zijn allang vervangen door documentaires. Die hebben een veel hoger realiteitsgehalte, en brengen ons meer en juistere kennis bij. Maar zo zien we het wezenlijke belang van die oude diorama’s over het hoofd. De diorama’s werden een populair tijdverdrijf in de vroege negentiende eeuw, net het moment dat vooral de grootstadsbewoner het directe contact met de wereld van de dieren verloor. Mensen projecteerden hun gedachten en gevoelens nog wel op dieren, vaak door spreekwoorden, maar die projecties vond steeds minder grond in concrete ervaringen. De beer werd een teddybeer, en ging zo tot dezelfde categorie behoren als de eenhoorn: even imaginair, even onbekend. Dieren werden sjablonen. Het diorama compenseerde een verlies aan beleefde ervaring.

Een van de dingen die het diorama van Artemis -met als achtergrond een berglandschap- bijzonder en ongewoon maakt zijn de beesten die erin opduiken. Sommige zien er natuurgetrouw uit, zoals een hertje, maar het overgrote deel zijn van die sjablonen. Een varken is bijvoorbeeld een knalroze beest geschilderd op een paneel, een haai wordt gerepresenteerd door een foto die zo van de affiche van ‘Jaws’ geplukt lijkt. Twee kleine dino’s zijn knalgroen kinderspeelgoed, ‘Made in China’. Net zo een spierwitte eenhoorn. Het lijkt wel alsof de echte natuur hier zover in de vergetelheid raakte dat in dit diorama alleen sjablonen en representaties te zien zijn. Op het hertje na dan…

Toch spreekt het stuk zo’n snelle conclusie tegen. Er duiken ook acteurs op die , verkleed als dieren, dit diorama tot leven brengen (dat gebeurt ook op andere manieren, door de artificiële dieren mechanisch voort te bewegen). Sommigen onder hen zijn relatief natuurgetrouwe voorstellingen van echte dieren, al klopt het formaat niet helemaal. De ijsbeer is er zo één, de mol ook, al is die dan meer dan buitenmaats. Anderzijds is er ook een octopus. Die past ten eerste niet in dit berglandschap, maar is ook duidelijk een fantasiebeest, gemaakt van roze stof. Je ziet de kop van de acteur ook in de kop van het beest.

Er is nog iets bijzonders aan de hand met die acteurs: ze spreken hun teksten niet uit, maar zingen ze en spelen daarbij doorgaans ook een instrument. Af en toe gaan ze ook voor de lijst van het diorama musiceren. ‘Het dier, het dier en het beestje’ is dus muziektheater, maar wel van een bijzondere soort. De songteksten zijn immers doodgewone, zelfs banale dialogen, alsof ze de rechtstreekse weergave waren van discussies die je elke dag in elke huiskamer of elk klaslokaal kan horen. Dialogen zonder bijzonder rijm of metrum, met af en toe een kromme zin of een niet ter zake doende opmerking. Met hier en daar een 'euh'. Daarin lijkt dit stuk als twee druppels water op ‘Life and Times of Kristine Worrall’, het eindeloos lange stuk van ‘Nature Theater of Oklahoma’ (New York) over het leven van één van hun groepsleden. Dat werk was gebaseerd op een interview met haar. Dat werd letterlijk nagezongen, met alle gestotter, euh's en ah's vandien,  maar wel onder de vorm van een Singspiel . Die bizarre omzetting opende je ogen en oren voor het ongewone, zelfs bizarre van de wereld waarin een doodgewoon Amerikaans meisje opgroeit.

Net zo is het hier. Was het niet dat de performers zingen, je zou zweren dat je zat te luistervinken in een huiskamer of een klas. Enkel als een stem in voice over toelichting geeft bij de gebeurtenissen in het stuk gebeurt dat met een spreekstem. Op dat ogenblik wordt het gaas voor het diorama ook zo uitgelicht dat je er niet meer doorheen kan kijken, maar een zilverig oppervlak ziet.

Wat dat allemaal te betekenen heeft? Het heeft allemaal te maken met het hoogst alledaagse, bijna banale verhaal dat Artemis hier vertelt over Sterre, een wat eenzelvig meisje dat tegen haar tiende verjaardag aanloopt. Ze heeft veel meer belangstelling voor dieren dan voor mensen. Plots gaat het op school fout: eerst komt ze wat te laat, daarna spijbelt ze, en finaal wil ze gewoon niet meer naar school. Toch is er niets werkelijk mis met haar. ‘Het is een bijzonder kind, maar wel met een gebruiksaanwijzing’ , orakelt haar leraar, Meester Martijn. Ook haar gezinssituatie lijkt helemaal normaal. De ouders zijn druk, druk, druk, dat wel, maar ze houden van het kind. Ze willen alleen het beste voor d’r’. Net zoals orthopedagoog Saskia, Myriam die leerondersteuning en een hele horde experts die zich over het geval buigen.

Het is herkenbaar, al te herkenbaar

Vanaf de eerste scènes, een avondmaal bij Sterre thuis, lacht een volwassen publiek zich een deuk. De dialogen tussen de leden van het gezin zijn zo banaal, maar net daardoor zo herkenbaar dat het hilarisch wordt. Zoon Milan (een varken) die niet van zijn smartphone af kan blijven. Vader (een ijsbeer met gitaar) die snel, snel iets deed met de restjes van ‘die Ottolenghi’ die moeder (een opgezet hertje) de dag ervoor maakte, maar vergat dat dochter (een zwarte hond) vegetarisch is… Even grappig zijn de scènes in de klas de volgende dag, als Meester Martijn (de roze octopus) probeert de orde te handhaven bij de CITO-toets. Tegelijk is er altijd dat vervreemdende element van de dierenkostuums of dierlijke stand-ins.

Bij die CITO toets merk je al dat er iets aan de hand is met Sterre. Ze vult geen woord in, maar tekent twee vogels op haar formulier. Als de zaak in de volgende weken echt uit de hand loopt krijgt het verhaal een hartverscheurende wending. Meester Martijn begrijpt niet precies wat er scheelt aan Sterre, en kan daarom geen extra begeleiding regelen bij 'de stichting', want daarvoor heb je een diagnose nodig. Of de ouders misschien een psychologische en cognitieve test van hun dochter zouden willen overwegen? Zo gebeurt. Vanaf dat ogenblik komt het kind terecht in een mallemolen van ambtelijke agogen, deskundigen, raadgevers en beleidsmakers. Te beginnen met de temerige, maar best wel stekelige psychologe Saskia (een haai…). Haar vocabulaire, net als die van de collega’s waarmee ze later overlegt, staat stijf van platitudes en stoplappen. Het verloop van het gesprek volgt overduidelijk het sjabloon van pedagogische handleidingen en aanbevelingen. Niemand probeert te begrijpen wat bij dit kind aan de hand is, en al zeker niemand steekt zijn nek uit. Allen zweren ze bij de correcte procedure.

Het is herkenbaar, al te herkenbaar. En daardoor verontrustend. Als de bende deskundologen delibereert over Sterre vliegen Jargon en stopwoorden als ‘zorgvuldigheid, ‘een kind met een rugzakje’, draagvlak, ‘ik gooi het in de groep’ over en weer. Wisselmunt om elkaar ervan te overtuigen dat ze 'goed bezig zijn'. Maar je voelt met je klompen aan dat het hier nauwelijks gaat over dit ene, concrete kind, maar over het afdekken van de eigen verantwoordelijkheid. De deskundigen zeuren trouwens vaker over hun persoonlijke sores dan over het kind. Een haan trekt tenslotte de conclusie dat Sterre maar van school moet veranderen. Niemand die zich afvraagt of het kind zelf niet gehoord zou moeten worden. Aan de ouders om de boodschap over te brengen. Want die dragen tenslotte de eindverantwoordelijkheid, toch? Op slinkse wijze leggen ze zo, na dat eerste bedenkelijke advies om een psycholoog in te schakelen, voor de tweede keer de last van hun eigen disfunctioneren bij de ouders en het kind. Zij zijn maar adviseurs, en ze hebben het toch o zo moeilijk. Voorspelbaar genoeg klapt Sterre helemaal dicht als ze op de laatste dag van de kerstvakantie hoort dat ze van school moet veranderen.

Wat je hier ziet, in een huiveringwekkend herkenbare taal, is hoe de managementlogica doorgedrongen is in een wereld waar die niet thuishoort. Terwijl iedereen zichzelf feliciteert met de degelijkheid van de procedure wordt het doel van onderwijs grandioos uit het oog verloren. Zelfs Meester Martijn is ervan doordesemd. Dat is hartverscheurend en wraakroepend tegelijk. Ook al loopt het voor Sterre uiteindelijk allemaal nog goed af. Maar dat is de kwestie niet. De enige ambtenaar die haar ‘menselijkheid’ niet verliest  is de vrouwelijke buschauffeur (een ezel) die Sterre naar de nieuwe school brengt. Zij snapt dat Sterre van dieren houdt en wint haar vertrouwen met een verhaal over een vossenburcht in de buurt van die school. Ook de oma (een uil) biedt Sterre soelaas. Die twee dieren vertellen geen smoesjes en spreken geen kromtaal. 'Het dier, het dier en het beestje' groeit zo kwansuis uit tot een 'j' accuse' aan al wie onderwijs verkwanselt aan de logica van cijfers en tabellen. 

Blijft de vraag: waarom was dat diorama er nu? Waarom alles uitbeelden als muziektheater, met dieren als protagonisten? De eerste reden is duidelijk: door het contrast tussen de hyperrealistische taal en  dit dubbele vervreemdingseffect hakt de gruwelijkheid van wat hier gebeurt er pas echt in. De tweede heeft iets te maken met het personage van Sterre zelf: het kind is veel meer geïnteresseerd in de wereld van dieren dan die van mensen. Dat blijkt uit vele details. Vindt ze die volwassenen hol, onecht klinken? Allicht. Maar door ze te zien als dieren creëert ze voor zichzelf wel een beeld van hun ware aard. Tenslotte is er ook die historische laag: het diorama als signaal van de teloorgang van de relatie tussen mensen en de natuurlijke wereld. Die is in de wereld van deze agogen totaal: terwijl ze denken goed te doen voor 'het kind', zijn ze alle contact met de werkelijkheid van kinderen kwijt. 'Het' kind is voor hun een abstractie geworden, net zoals twee eeuwen geleden dieren abstracties werden.

Wat er ook van zij: deze eigenaardige dieren stoet levert een voorstelling op die je diep raakt, zelfs kwetst en kwaad maakt tegelijk. Willen we in zo’n wereld leven? Willen we dit kinderen aandoen? Zelfs als het in naam van zorgvuldigheid en pedagogische principes (en niet te vergeten, al wordt het niet al te duidelijk gezegd: kostenbeheersing) en al dat soort onzin gebeurt. Ik denk het niet.