Opera

Don Carlos Guiseppe Verdi / Johan Simons / Hans Op de Beeck / Alejo Pérez

Een veelbelovende start met 'Don Carlos' van Verdi

‘Don Carlos’ van Guiseppe Verdi, de eerste productie van Opera Ballet Vlaanderen sinds Jan Vandenhouwe de leiding overnam, heeft vele kwaliteiten, mede dank zij de personenregie van Johan Simons. Maar een goede operadirecteur herken je vooral aan de keuze van de zangers, en die overtuigt. Je wil Leonardo Capalbo of Raehann Bryce-Davis nog vele malen terugzien. Een veelbelovende start.

Uitgelicht door Johan Thielemans
Don Carlos
Johan Thielemans Opera Antwerpen
Opera Ballet Vlaanderen
meer info
22 september 2019

In de opera ‘Don Carlos’ roept Guiseppe Verdi de geschiedenis op van Vlaanderen toen het zuchtte onder het Spaanse juk. Tegelijk is het een haast Freudiaans drama over de strijd tussen vader en zoon en de spanning tussen politiek en liefde. En het kan zelfs doorgaan als pamflet tegen tirannie.

De keuze om met deze opera een beleidsperiode te openen heeft een symbolische betekenis. Ooit opende Gerard Mortier met deze Don Carlos de Vlaamse opera, toen in een regie van Gilbert Deflo. De geest van Mortier zweeft ook over deze nieuwe productie: hij zette veel medewerkers aan deze enscenering zelf nog op het spoor van de opera gezet. Dat geldt zowel voor Vandenhouwe als voor Johan Simons dirigent Alejo Pérez.

Mortier koos destijds voor deze opera omdat Vlaanderen er een belangrijke rol in speelt. Verdi greep ervoor terug naar een stuk van Friedrich Schiller. Die werkte de historische stof om tot een aangrijpende tragedie waarin politieke en persoonlijke motieven samenkomen.

Don Carlos is het verhaal van een zoon die verpletterd wordt door zijn vader, van een koning die het Vlaamse volk verdrukt, van een prinses die om politieke redenen gekoppeld wordt aan een koning  en daarvoor haar grote liefde, Don Carlos, moet opgeven. Liefde tegen politiek dus.

Het meest intrigerende personage is markies Posa. Hij is de trouwste vriend van Carlos en steunt de opstand van de Vlamingen. Hij tracht een diplomatisch spel te spelen met de koning maar moet dat met de dood bekopen. Zo staat in dit stuk idealisme tegenover politieke moord.

Tenslotte blijkt dat zelfs Koning Fillips wel wreed is, maar minder machtig dan het lijkt. De Kerk, in de persoon van de Groot Inquisiteur, heeft uiteindelijk de touwtjes in handen. Verdi en Schiller tonen hier onverbloemd hun antiklerikale houding.

Deze opera is echter niet alleen rijk aan thema’s, maar ook rijk aan muziek. De duetten volgen elkaar op -nu eens liefelijk amoureus, dan verscheurd, dan opzwepend-. Verdi wist de verschillende momenten subtiel gestalte te geven met een rijke orkestratie.

De partituur klinkt, vind ik, soms wat academisch, maar daar staan onvergetelijke, geïnspireerde bladzijdes tegenover. De verweving van koor, orkest en solisten in de auto da fe scene is overweldigend. De ontmoeting tussen Fillips en de Groot Inquisiteur behoort tot de geniaalste dramatische momenten uit zijn hele oeuvre. Het conflict overstijgt zelfs stilistisch zijn gangbare muziektaal.

De voorstelling van Johan Simons roept een aantal vragen op. Het minst overtuigende element is meteen ook een schoolvoorbeeld van wat we wat denigrerend dramaturgentheater noemen. De voorstelling gaat uit van de idee dat we bij de aanvang Don Carlos op zijn sterfbed zien. Net voor hij sterft ziet hij zijn hele leven weer aan zijn geestesoog voorbij trekken.

Even later staat het toneel vol kinderbedden en vragen we ons af of Don Carlos nog kind is. De meerwaarde van die idee is nergens duidelijk. Gelukkig beschikt Johan Simons over Leonardo Capalbo als Don Carlos. Hij is, als gevolg van de dramaturgische idee, constant op de het toneel. Hij wandelt over de scene alsof hij daar altijd thuis was: hij verschuift de rekwisieten als de beste toneelmeester.

De sterke momenten van de voorstelling liggen bij de zangers.

Hij is vooral in de weer met een aantal kinderbedjes/parkjes op wieltjes. Het is een plezier om hem gade te slaan door de manier waarop hij rondloopt, luistert, met zijn armen beweegt. Al dit stil spel dwingt bewondering af. Maar opera gaat over zingen. Als zingende prins is hij over de hele lijn minstens zo overtuigend : gepassioneerd en gepijnigd stuwt in al zijn aria’s de voorstelling muzikaal voort.

Bij de auto da fe stoot de dramaturgische kijk op zijn limieten. Het politieke hoogtepunt bij Verdi zijn de smekende Vlamingen. In deze opvoering sleurt Don Carlos lichaam na lichaam op het voorplan : denk je eerst dat het lijken zijn, dan blijken het smekelingen. Als zij zingen dat ze gebukt gaan onder de verdrukking staat er plots een Afrikaanse koning recht. En nogal krom, opzichtig ‘politiek correct’ moment van de voorstelling onder het motto: wij ook werden/worden verdrukt. Met al dat verliest deze indrukwekkende scene aan slagkracht.

De sterke momenten van de voorstelling liggen bij de zangers. Ik zei het al : de Don Carlos van Leonardo Capelbo overtuigt sterk. Naast hem toont Mary Elizabeth Williams als Elisabeth, de geliefde van Don Carlos én de koningin, een sterke vrouw. Ondanks haar wat vreemde blauwe pak weet ze de psychologische nuances precies te vatten.

Hier zie je ook de hand van Simon : Williams gedraagt zich niet als een conventionele koningin, maar als een levenslustige hedendaagse vrouw, wars van etiquette. Vocaal is ze wisselend. In de laatste scene zingt ze één aria met een wat scherpe, metalen stem, maar in een volgende tussenkomst is haar stem kristalzuiver en ontroerend.

Helemaal overtuigend is  Andreas Bauer Kanabas als koning Fillips. In het eerste deel geeft hij plots een urgent dramatisch leven aan zijn scene, omdat hij de muziek van Verdi helemaal in het lichaam plaatst. Hij is natuurlijk het centrale personage in het tweede deel : zijn monoloog over de ontrouw van zijn vrouw toont een diepmenselijke verscheurdheid.

In de daarop volgende dialoog met de Groot Inquisiteur is zijn strijd om de macht en het verlies ervan pakkend gezongen én gespeeld. Het is een schoolvoorbeeld van de ‘acterende zanger’. Naast hem staat dan de Groot Inquisiteur van Roberto Scanduzzi. Hij is indrukwekkend, schrikaanjagend, met een stem als een klok. Hun confrontatie is het theatrale én muzikale hoogtepunt van de voorstelling.

Een heel bijzondere rol is weggelegd voor Posa. Hij is jeugdig, revolutionair en enthousiast als de grote vriend van de geplaagde prins, maar ook sluw en onderdanig in zijn verhouding tot de koning. Samen met Don Carlos zingt hij de aria over hun sterke vriendschapsband. Zijn rol eindigt bij een lange sterfmonoloog. Al deze facetten zijn in goede handen bij  Kartal Karagedik.

Zijn mooiste moment komt op het einde nadat hij is neergeschoten. Simons gaat dan elke anekdotiek uit de weg. Hij laat zijn zanger vooraan in het midden staan, en zingen. Geen psychologie, alleen de kracht van de muziek in al zijn eenvoud. Het sterven en de pijn zijn dan helemaal in ieders verbeelding. Overweldigend zingt Karagedik, statisch maar diep bewogen. De regisseur, die in de rest van de voorstelling op beweeglijkheid wedt, trekt zich hier terug en laat de zanger uitblinken.

Blijft dan nog de rol van prinses Eboli. Deze hofdame is verliefd op Don Carlos. Haar jaloezie zet haar aan tot intrigeren, en leidt zo naar de finale catastrofe. Raehann Bryce-Davis vertolkt de rol. Ze heeft twee grote momenten. Als aanstoker van een feest brengt Bryce-Davis een heerlijk nummer, op het randje van het cabaret. Op het einde volgt haar dramatisch moment. Als tragédienne blijkt Bryce-Davis al even sterk. Heel haar lichaam houdt van op het toneel te staan.

Dank zij de kwaliteit van de zangers en de personenregie is dit een innemende voorstelling. Dat kan je echter niet zeggen van de bijdrage van kunstenaar Hans Op de Beeck. Hij is verantwoordelijk voor de wat irritante kinderbedjes. Je MOET er een symbool achter zoeken, en door dat moeten vind ik het een zwaktebod.

In het eerste deel zien we op het videoscherm panelen voorbijschuiven, nu eens abstract, dan weer anekdotisch: zo wordt het kasteel van Fontainebleau of een kloostergang opgeroepen. Als Don Carlos in een paleistuin vertoeft rollen toneelknechten echter allerlei vreemde objecten het podium op. Het lijkt wel uitvergroot speelgoed. Bij de auto da fe hangen er ook al objecten (lampenkappen zo te zien) in de lucht te bengelen. De plastische kunstenaar wil hier te gretig aanwezig zijn. Het is voor mij tekenend dat de sterkste scene , waar zang, acteren en ruimte samenkomen, zich situeert in het tweede deel, als de scenograaf zich op de achtergrond houdt.

Tenslotte hebben we Alejo Pérez als dirigent aan het werk gezien en gehoord. Hij geeft de muziek van Verdi een intens, kleurrijk leven. Je hoort dat de dirigent over een rijke klankcultuur beschikt. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de eerste maten van het tweede deel. Een lange, intense melodie in de contrabassen- warm van klank, heerlijk zangerig en dramatisch geladen. Als daar dan de stem van Kanabas bij komt, is het helemaal feest zoals je dat in de opera zelden meemaakt. Pérez is de vaste dirigent en dat belooft nog vele mooie avonden in de toekomst.

Deze eerste voorstelling van directeur Jan Vandenhouwe is daarmee zijn visitekaartje. Enkele belangrijke elementen van zijn artistiek beleid zijn hier al te merken. Dat doet uitkijken naar de rest van zijn verhaal.