Dans

Moving ballads Femke Gyselinck

Dans, muziek en zang in de sporen van Joni Mitchell

Het was alsof er een vloek hing over ‘Moving Ballads’ van Femke Gyselinck. Na een première in Nona Mechelen -die ik miste- verhinderde corona verdere voorstellingen. Tijdens de zomer in Oostende gooide regen roet in het eten. Daarna moest één danser in quarantaine, en toen het stuk in Gent stond kon ik niet gaan. Het werd dus Genk, maar ik heb het me niet beklaagd. Zesde  keer, goede keer. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Moving ballads
Pieter T’Jonck C-Mine Genk meer info
14 oktober 2020

Vier synthesizers staan netjes achter elkaar tegen de linker zijwand van het podium. Ze verspringen telkens een beetje meer naar het midden ervan, zodat je elke muzikant achter de toetsen goed kan zien. In de achtergrond een paar zwarte doeken, gedrapeerd over stangen. Dat is het scènebeeld van ‘Moving Ballads’.

Op de grond ligt een omgekeerd led-paneel. Her en der staat of hangt er nog zo’n paneel. Je vermoedt meteen dat de spelers die af en toe zelf zullen verplaatsen of bedienen, en dat blijkt ook zo. Er hangt een hoog DIY gehalte over het gebeuren.

Hendrik Lasure -geen danser maar een ‘jazzcat’- opent de voorstelling. Terwijl Bryana Fritz, Sue Yeon Youn en Gyselinck postvatten achter hun klavier komt hij naar voor. Hij is onopvallend gekleed, op zijn rode sokken na dan. Hij steekt zo sterk af tegen de vrouwen, die dezelfde sneakers, donkere broek en luchtige hemdjes dragen.

Hij voert een vreemd ritueel op: strakke gebaren en signalen met zijn vingers. Als een seingever. Geleidelijk betrekt hij zijn hele lijf in dat tekenballet. Hij buigt voorover, gaat in profiel staan of trappelt ter plaatse. De drie vrouwen begeleiden hem met eenvoudige elektronische klanken. .

Daarna vat ook hij post aan zijn klavier. Meteen wordt de muziek complexer, met een dreunende basslijn. Je merkt dat de drie anderen hem nauwlettend volgen: hij leidt deze band.

Nu komen Gyselinck en Yeon Youn naar voren voor een even mysterieus duet vol mooie, kleine details. Nu eens vullen ze elkaar aan in beeldende poses, dan weer gaan ze elk hun gang in een nonchalant-spontane dans. Het ziet er net niet geïmproviseerd uit.

De stem van Fritz eist ondertussen steeds meer de aandacht op. Met grote tussenpauzes spreekt ze woorden uit als ‘Oh. My. At. The. Bar’. Even denk je: gaat dit over danseressen aan de ‘barre’? Maar dan volgen andere woorden als ‘Devil. Beautiful. Light’.

Pas heel wat later, als de woorden elkaar sneller opvolgen in een herkenbare song, ontdek je dat hier woord voor woord een verhaal passeerde. Dat gaat over iemand die een vrouw ontmoet in een bar. Hij of zij -dat kom je niet te weten- is zijn/haar sleutels vergeten en wacht nu op iemand die hem/haar komt oplossen.

Ondertussen springt een vonk over tussen de verteller en de vrouw. Ze straalt een superieure vrijheid uit. Als een refrein komt haar opmerking terug: ‘The spare parts are always hard to find,she said, it's hard to part with one’s despair, because we cling to it’.

Daarmee heb je alle bouwtenen van de voorstelling gekregen. Wat volgt zijn vele variaties en combinaties van woorden en muziek, in vele toonaarden en ritmes, parlando en gezongen, in close harmony of als solo zang. Daar zitten erg mooie momenten bij, bijvoorbeeld als Fritz parlando varieert op de tekst met rijmwoorden die de tekst een andere draai geven. Hoe vaak je het verhaal ook hoort, het klinkt daardoor steeds anders.

Het stuk lost de belofte in die in de titel verscholen zit

De performers scheppen er duidelijk plezier in om vocaal te experimenteren. Lasure zingt bijvoorbeeld vaak met een hoge falsetstem, met de vrouwen mee. Dat gaat niet altijd goed. In de voorstelling die ik zag zong Fritz op een grillige melodie al eens een halve toon vals. Het hindert niet echt, maar je merkt aan zo’n details dat zeker de vrouwen geen getrainde zangers of muzikanten zijn, net zomin als Lasure een getrainde danser is. Maar samen verkennen ze wel alle mogelijkheden van zingen, musiceren en dansen tegelijk. Als een spel, niet als een virtuoze oefening.

Dat zie je vooral in de dans die de performers in wisselende combinaties brengen. Het gaat alle kanten op. Zo voeren de drie vrouwen voeren plots unisono, of in een simpele oppositie, een dansje uit dat onmiskenbaar aan een videoclip doet denken. Meisjes die zich kostelijk amuseren met de imitatie van popsterrengedrag. Maar geen minuut later barsten ze dan wel uit in wild en chaotisch gesticuleren.

Het stuk lost zo de belofte in die in de titel ‘Moving Ballads’ verscholen zit. ‘Ballad’ komt van ‘Ballade’, waarin je zowel het Italiaanse ‘Balla’ als het Franse ‘se ballader’ herkent: dansen en wandelen. Maar een ballade is natuurlijk ook een gedicht op muziek, al dan niet uitgevoerd onder het balkon van een geliefde. Dat zit allemaal in deze voorstelling.

De mosterd haalde Gyselinck bij Joni Mitchell’s grillige, verrassende teksten en muziek. Dat verstond ik ook wel, achteraf, al kwam niet haar naam, maar eerder die van een singer-songwriter als Susanne Vega bij mij op. Mitchell valt gewoon niet te imiteren, vrees ik. Maar eens je dit weet, besef je ook dat die mysterieuze vrouw uit de song wel Mitchell moet zijn. Het klopt helemaal met haar personage.

Het eindigt allemaal zoals het begon. De vier klavieren, die ondertussen een hele omzwerving maakten over het podium eindigen frontaal vooraan. Samen spelen en zingen de vier performers nu de basismelodie en -tekst nog een laatste keer. Je neemt er met een glimlach afscheid van.

Ik bleef maar met één bedenking zitten: Gyselinck weet van geen ophouden. Dat is, vermoed ik, een direct gevolg van de losse samenhang van het werk. Die heeft iets onweerstaanbaar charmants, maar de magie ervan zou zeker sterker werken als de structuur eronder wat strakker en spannender was.