Boeken

Moments before the wind - notes on scenography Jozef Wouters / Jeroen Peeters (redactie)

De achterkant van het decor

Kunstenaarsboeken, ook van theatermakers, zijn zelfs in ons taalgebied niet meer op één hand te tellen. Toch is ‘Moments before the wind -notes on scenography’ van Jozef Wouters daarin een buitenbeentje, en dat niet alleen omdat het op één diagram na geen beelden biedt van Wouters’ werk. Het documenteert immers niet de fysieke resultaten van Wouters’ werk, maar de gedachten die eraan vooraf gingen of uit volgden. Scenografie is voor Wouters vooral een krachtige katalysator van denkprocessen. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Moments before the wind - notes on scenography
Pieter T’Jonck Geen meer info
06 januari 2021

Jozef Wouters spreekt graag, en vaak, in het publiek over zijn werk. Dat beperkt zich ondertussen al lang niet meer tot het ontwerpen van ‘decors’ voor andere kunstenaars. Je kan zeggen dat Wouters decorbouwen en spreken over theater en ‘decor’ -in de breedst mogelijke zin- tot een zelfstandige kunstvorm verheven heeft. Die leidde zelfs tot een verkapte carrière als (stads-) antropoloog. Wouters als onderzoeker van de decors aan de hand waarvan we ons ons leven verbeelden en ter sprake brengen.

Dat spreekt voor hem vanzelf. In het boek haalt daartoe het dubbelessay ‘Rome / Over theatraliteit’-van Bart Verschaffel aan. De auteur betoogt daarin dat theater niet in de eerste plaats draait om een plot of drama, maar op het bepalen van een dwingend perspectief, een punt van waaruit men de dingen op een ideale wijze kan zien. Op die manier verheft theater het leven tot een waardig en plechtig gebeuren. Scenografie speelt daarin een wezenlijke rol. Je zou daarom kunnen beweren dat de scenograaf altijd de echte regisseur is van een voorstelling, al wordt dat zelden of nooit erkend.

Jeroen Peeters, die in dit boek als redacteur optrad, geeft in zijn inleiding op het boek een levendige beschrijving van Wouters’ praktijk als redenaar. Voor zijn lezingen verzamelt Wouters doorgaans een enigszins willekeurige verzameling beelden van zijn werk. Die vormen dan de ruggengraat van een half geïmproviseerde lezing. Met de nadruk op half, want Wouters cirkelt in die lezingen vaak rond dezelfde thema’s en gedachten. Maar net door ze steeds weer op te dissen veranderen ze gaandeweg ook. Hij legt nieuwe klemtonen of koppelt er nieuwe vragen aan. Niet zelden brengt hij toehoorders daarmee ook in de war.

Dat komt, denk ik, doordat Wouters paradoxen en tegenspraken niet schuwt, of zelfs bewust najaagt, alsof hij doordrongen is van de overtuiging dat elke gedachte in een denkproces, of elke beslissing in een ontwerp, ook zijn tegendeel kan oproepen of verbergt, en dat er so wie so heel wat is wat aan ons bevattingsvermogen ontsnapt. Anders gezegd: een volstrekt consistent, rechtlijnig betoog kan niet anders dan een onecht betoog zijn. Het verbergt iets. Het is een decor.

Ook het boek eindigt met zo’ n paradox. Wouters beschrijft de ‘Sticks score’ van Vladimir Miller waar hij een paar keer aan deelnam. Die score bepaalt dat deelnemers in stilte een constructie bouwen met lange stangen en touw als enig materiaal. Bouwen zonder plan of overzicht dus. Bouwen van binnenuit. Het tegendeel van wat een scenograaf doet: die construeert aan de hand van modellen en plannen een model en een scenografie van buitenaf. Maar net in die ‘Sticks Score’ ontstaat volgens Wouters een vorm van onderhandeling in en door het bouwen zelf die betekenisvoller lijkt dan woorden of plannen. Betekenisvoller dus dan wat hij zelf doet. Toch doet hij het.

Wouters spreekt hier -niet voor het eerst- over ‘building out loud’, net zoals hij zijn lezingen ziet als een soort ‘thinking out loud’. Spreken, tekenen, bouwen voor het oog van anderen tot alle innerlijke tegenspraken en inconsequenties aan het licht gekomen zijn. Maar ook: tot alle eerder ongedachte of nog onvoorstelbare kansen plots denkbaar en voorstelbaar worden. De clou is dat hij meteen daarna de parallel trekt met schelpdieren: al zijn ze blind, ze slagen er wel in om van binnenuit de meest complexe vormen, zoals penhorentjes, te scheppen.

‘The spirals and the turrets with their fascinating patterns and colours are proof that many worlds can exist alongside the visible one. How does a mollusc imagine its shell?

Hoe belangrijk die opmerking is blijktuit de cover van het boek. Daarop zie je geen scenografie, geen foto van Wouters, geen theaterscène, maar een foto van een chiton. Dat is, volgens bioloog Chad King, het enige weekdier dat door glaskristallen in zijn schelp een orgaan ontwikkelde dat vergelijkbaar is met een oog. Een paradox dus: een schelpdier dat toch kan zien, en dus misschien niet alleen maar ‘van binnenuit’ bouwt.

Het boek wemelt van dit soort gedachtesprongen of -experimenten, telkens geformuleerd in relatief korte, en puntige paragrafen. Die zijn losjes gegroepeerd rond thema’s zoals de verhouding tussen architectuur en scenografie, het belang van tegengewicht, het belang van metaforen en schetsen et cetera. Het boek valt daardoor nauwelijks samen te vatten, al telt het slechts zo’n 120 bladzijden. Dat blijkt trouwens genoeg om de meest diverse literaire tropen uit te proberen: het lange citaat, de brief aan bevriende kunstenaars, dagboeknotities, essays en een fragment van een theatertekst.

Doorheen het boek ontdek je dat Wouters’ stijl van denken en schrijven in paradoxen, tegenspraken en vrije associaties niet zomaar gebeurt. Als Wouters zijn eigen gedachten op losse schroeven zet, geeft hem dat in één beweging ook de vrijheid -de vrijbrief- om ook de vinger te leggen op de paradoxen en tegenspraken in het discours van anderen. Wouters kijkt met een argwanend oog naar het decor van woorden dat anderen om zich heen optrekken ter legitimatie van hun daden.

Zo merkt hij herhaaldelijk op dat je als kunstenaar maar beter op je hoede bent als een curator of theaterdirecteur zegt dat  ‘alles’ mogelijk is. Doorgaans is er dan stilzwijgend al heel wat beslist over het budget of de logistieke randvoorwaarden. En uiteraard ook: het ‘belang’ dat de voorstelling moet krijgen. Zoveel verlangens die al onuitgesproken in de kamer hangen, nog voor de scenograaf ook maar één lijn op papier gezet heeft, of een spijker in een plank sloeg.

Het is in zekere zin de crux van dit boek. Het belang van een scenografie zit voor Wouters zelden of nooit in de perfecte uitvoering, maar wel in het proces van tekenen, schetsen, modellen bouwen waarin die onuitgesproken verlangens zichtbaar worden en zo kritisch onderzocht en geëxpliciteerd kunnen worden. In die zin is een scenografie voor Wouters steeds vaker als de katalysator van een chemisch proces: na afloop kunnen de onderdelen -zoals standaard rekken en ruw getimmerde tribunes- gerecupereerd worden voor een nieuw proces,. Niets gaat hierbij verloren.

De wetenschap, de mens en de natuur

Een mooi voorbeeld, om te besluiten, is het ‘Zoological Institute for Recently Extinct Species’. Wouters creëerde die installatie in 2013 in het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel, in het kader van het Kunstenfestivaldesarts. . In de tuin van het Museum richtte hij een (tijdelijke) nieuwe vleugel op voor de studie van recent uitgestorven diersoorten. De installatie liep voorop op de ondertussen breed gedeelde onrust over de impact van de mens op zijn milieu. Zo’n denkbeelden zijn -zonder dat we ons daar rekenschap van geven- gebaseerd op een voorstelling en een blik op de ‘natuur’ die geheel en al menselijk is. Daarover zei Wouters toen:

‘Our natural history is a series of choices. Of people who make decisions without knowing the consequences. A natural history museum has the task of providing us with images. The question is, which images will be able to evoke the story of a species that continually makes choices without knowing the consequences. How do you picture the not-knowing?’

De installatie zette dus een vraag in scène, door beelden te creëren en in dezelfde beweging onderuit te halen. Hij komt daar in het boek op terug zonder de context te benoemen. Hij vermeldt de installatie in een uitgesponnen beschouwing over het belang van taal en metafoor in zijn werk. Metaforen creëren volgens hem een  virtuele denkruimte, een plaats die conflict toelaat  zonder elkaar naar het leven te staan. Dat hebben metaforen gemeen met scenografie.

‘Scenography is having a conversation by means of space. Scenography is letting conflict become space’.

Een uitspraak van belang: Wouters zegt hier zonder omwegen dat elk maatschappelijk gesprek gaat over de geldigheid van metaforen en betekenissen, en wie dat bepaalt. Die aap komt uit de mouw in een herinnering die Wouters met kennelijk genoegen oprakelt. Het bestuur van het Museum maakte zich ongerust dat mensen zouden geloven dat al wat Wouters daar toonde de ‘zegen’ van het Museum had, en dus ‘wetenschap was’. Ze wilden niet dat mensen achteraf hun beklag zouden maken over wetenschappelijke vergissingen.

Wouters weigerde dat, maar liet zijn installatie wel grondig nachecken op wetenschappelijke fouten. Na afloop keerde hij de vraag om: of zijn team nu het Museum eens kon doorlichten op wetenschappelijke dwalingen? Een dodelijke vraag. Hoe wetenschappelijk is immers de iconografie en museologie van een Museum voor Natuurwetenschappen? Hoe ‘juist’ is hun perspectief? Waarom claimen ze dat ze het juiste perspectief bieden? Je moet niet eens een doorwinterde wetenschapsfilosoof zijn om te beseffen dat er volop gaten te schieten vallen in dat wetenschappelijke pantser. Dat het eerder ideologisch dan ‘puur’ wetenschappelijk is. Precies dat doet Wouters zonder enige gêne.

Pittig boekje dus. Niet dat Wouters met werkelijk nieuwe denkbeelden komt. Wat hij zegt en toont hebben anderen vaak al eerder en uitgebreider gedaan. Maar hij verstaat de kunst om op een puntige, confronterende manier ballonnetjes te doorprikken, bakerpraatjes te ontmaskeren en serieuze vragen op te werpen. Antwoorden daarentegen krijg je zelden. Tenzij dit: dat je moet blijven vragen en praten.

Toch deze bedenking: van nagenoeg geen enkel project in het boek krijg je enige referentie. Dat is begrijpelijk als je het boek beschouwt als de vertolking van een denkproces, maar voor wie echt geïnteresseerd raakt in het oeuvre en de inzet ervan zou het wel handig zijn om snel die externe referenties (zoals bijvoorbeeld van het Kunstenfestivaldesarts) op te kunnen snorren. Net zo is het een beetje sneu dat Wouters, als hij het heeft over een opleiding in Antwerpen, niet vermeldt dat het ging over Popok, waar Alex Mallems, Niek Kortekaas en Johan Daenen de dienst uitmaakten. Dat eresaluut hadden ze wel verdiend.

Uitgever: Varamo Press, Brussels/Oslo
Eerste editie september 2020
128 pgs, 14.2 x 19.0 cm
ISBN: 978-82-691492-3-4
Prijs: € 15.00
Te koop via www.damagedgoods.be/shop en in een aantal boekhandels