The Ethereal Paradox Zoë Chungong / fABULEUS
Paradox zonder frictie
Aan het begin van 2026 lijkt het alsof het theater de maatschappijkritische thema’s uitgeput heeft. Thema’s als macht, identiteit, gender en klasse zijn al zo vaak doorploegd dat de vraag is of ze nog op een oorspronkelijke manier aan te pakken vallen. Met ‘The Ethereal Paradox’ wil Zoë Chungong toch nog eens onze blik ontregelen: hoe kijken we naar een vrouw, en welke machtsverhoudingen schuilen daarin? Wat zich aandient als een kritische vraag, blijft echter verrassend veilig. Helaas.
Jonge makers en spelers een plaats geven binnen het professionele veld is risicovol en dus niet zo vanzelfsprekend. Toch slaagt fABULEUS, het Leuvense productiehuis voor jongeren er al jaren in om die overgang vruchtbaar te begeleiden. Een belangrijke pijler daarin is het VAART-traject, een ontwikkeltraject voor jongeren. VAART richt zich op diverse deelnemers: studenten en pas afgestudeerden, jongeren met een achtergrond in theater, muziek of andere kunsten, maar ook makers die niet uit het kunstonderwijs komen. Die open insteek is geen detail, maar een kernkwaliteit van het traject. Als vrijplaats voor artistiek experiment, met een professionele omkadering, groeide VAART uit tot een kweekvijver voor nieuw talent, die ruimte laat voor onderzoek en falen.Het is dan ook geen toeval dat verschillende gevestigde podiumkunstenaars in Vlaanderen hier hun eerste stappen zetten.
Pretty privilege
Zoë Chungong behoort tot die groep jonge kunstenaars die deelnamen aan het VAART-traject. Vandaag zet ze haar eerste stappen als professioneel podiumkunstenaar. De voorbije jaren danste ze al voor Jan Martens. Recent was te zien in ‘Gaze’, een dansvoorstelling van Laura Neyskens en Action Zoo Humain. Die nam de male gaze onder de loep. Rond die thematiek draait Chungongs eerste eigen choreografie, ‘The Ethereal Paradox’. Ze was er al mee aan de slag tijdens een VAART-traject. Het was een veelbelovend onderzoek, en fABULEUS ondersteunt daarom graag dit vervolg.
Schoonheid opent deuren, maar vernauwt tegelijk de blik.
In ‘The Ethereal Paradox’ speelt Chungong met het begrip pretty privilege: de idee dat iemand, vaak een vrouw, door haar schoonheid privileges geniet, een betere behandeling krijgt. Door dit mechanisme op de scène te tonen wil ze een fundamentele paradox blootleggen: schoonheid opent deuren, maar vernauwt tegelijk de blik. Het oordeel dat aan ‘mooi zijn’ wordt gekoppeld, overschrijft de complexiteit van een persoon en verstoort zo de mogelijkheid van een diepere, ‘etherische’ ervaring. Chungong wil tegelijk de gaze van het publiek onderzoeken: hoe kijken wij naar een vrouw, wat denken we te weten over haar op basis van haar looks, en hoe verandert die perceptie, zeker wanneer ze danst?
De thematiek ontspringt aan een ervaring die Chungong deelt met talloze vrouwen: straatintimidatie. Als een man een vrouw naroept, doet het er nauwelijks toe hoe ze zich kleedt of presenteert; de roofdierlijke blik blijft voelbaar. Zelfs met verhullende kledij of een androgyne uitstraling lijkt die blik de vrouw te ‘ruiken’. Straatintimidatie, of catcallen, is een universeel fenomeen: walgelijk, maar tegelijk intrigerend, omdat het zelden gaat om verleiden. Het is een machtsdynamiek: “Ik doe dit omdat ik het kan, en ik kan het omdat ik een man ben en jij niet.”
Alles draait om kijken. Straatintimidatie is een vorm van geweld die vrouwen herleidt tot objecten, tot lichamen die bekeken, beoordeeld en toegeëigend worden. Door het concept pretty privilege te verbinden met de blik die straatintimidatie voortbrengt, onderzoekt ze hoe macht, lichaam en gaze in elkaar grijpen. De voorstelling nodigt het publiek uit om zich bewust te worden van de eigen blik, en van de vaak onuitgesproken oordelen die daarin besloten liggen.
Josephine Baker
Tenminste, dat is de theorie. De praktijk pakt anders uit. Wat het publiek krijgt voorgeschoteld, is een fragmentarische ervaring die opent met een quote die in één klap zegt wat ons het komende uur te wachten staat. The Ethereal Paradox: “The judgement of one’s beauty undermines the beauty which lies in that individual: by looking at the aesthetic features one has, their other qualities seem to lose meaning. Demolishing, yet giving strength to, the ethereal experience.”
Het licht gaat aan. Voorspelbaar genoeg maakt Chungong haar gezicht aan een make-uptafel op. Het beeld doet haast clichématig aan in een stuk dat schoonheid, vrouwelijkheid en de gaze bevraagt, zeker als het gaat om een gekleurde vrouw. Het stelt mij dan ook eerder teleur dan dat het me prikkelt. Toch probeer ik die eerste reflex te temperen: misschien is het precies de bedoeling van deze maker om het publiek bewust met zijn verwachtingen te confronteren.
Chungong kleedt zich dan om in een jurk en schoenen met een kleine hak, een silhouet dat herinnert aan jazzclubs uit de jaren twintig. Daarop volgt een danssolo in de stijl van Josephine Baker. Met haar jazz hands, brede glimlach en bijna kinderlijke bewegingskwaliteit roept Chungong dat speelse en uitbundige, iconische beeld op. Dat opent een interessant spanningsveld. Schoonheidsidealen die op vrouwen worden geprojecteerd doen immers vaak denken aan een geïdealiseerd meisjeslichaam: kleine neusjes, getuite lippen, een slank en haarloos lichaam. Het publiek in de jaren twintig keek echter niet alleen met een objectiverende blik naar het zwarte lichaam van la Baker, het kickte ook op het exotische ervan: die blik was niet alleen van seksuele, maar ook van raciale stereotypen doordrenkt. Dat Chungong zelf een zwarte vrouw is, voegt een extra laag toe aan de dynamiek van gaze en representatie op scène.
Als toeschouwer verlang ik op dat moment naar meer frictie, meer risico. Daag me uit.
Die associatie wordt echter nauwelijks uitgediept. Nog voor de solo dramaturgisch richting krijgt, breekt Chungong de scène abrupt af en neemt opnieuw plaats aan de make-uptafel. Op de achtergrond verschijnen nu citaten, onder meer van Naomi Wolf, auteur van ‘The Beauty Myth’, over vrouw-zijn in een door mannen gedomineerde samenleving. Dat expliciet feministisch dicours kadert de scène. Gaandeweg ontstaat zo de indruk dat de voorstelling haar thematiek dubbelop benoemt. De intentie is helder, de referenties herkenbaar, maar de theatrale en choreografische uitwerking blijft te expliciet. Waar de voorstelling zegt te willen bevragen, bevestigt ze vooral wat al duidelijk is. Als toeschouwer verlang ik op dat moment naar meer frictie, meer risico. Daag me uit.
Ook wanneer Chungong een sensuele solo brengt op een r&b-nummer, gekleed in niet veel meer dan lingerie, duikt opnieuw de teleurstelling op. De impliciete vraag lijkt te zijn: hoe kijken we naar deze solo? Maar dat antwoord ligt op dat moment al open en bloot (sic). Zonder voor andere toeschouwers te willen spreken, durf ik te stellen dat de voorafgaande interviews en expliciete communicatieteksten, net als de projecties, die vraag reeds hebben beantwoord. Het reduceert de scène tot een illustratie daarbij. Ze opent geen nieuw perspectief. Dat is frustrerend, juist omdat de voorstelling vertrekt van een duidelijke en stevige basis. Het potentieel is voelbaar, maar wordt dramaturgisch niet ten volle ontwikkeld.
De boodschap is duidelijk. De maatschappij heeft haar tot dit monster gemaakt.
Zoals te verwachten evolueert Chungong richting een monsterlijke figuur. Haar bewegingstaal wordt hoekiger, terwijl op de achtergrond een videoprojectie verschijnt waarin ze zelf de paradox van pretty privilege uitlegt. Die uitleg wordt begeleid door een artificiële, bijna buitenaardse AI-stem. De voorstelling eindigt met Chungong die als een monster op het publiek afstormt: de boodschap is duidelijk. De maatschappij heeft haar tot dit monster gemaakt.
Spannend theater?
Het wrange is dat ‘The Ethereal Paradox’ in de kiem veelbelovend oogt, maar in de uitwerking niet volledig overtuigt. Als vrouwelijke toeschouwer bleef ik op mijn honger zitten. Tegelijkertijd is het duidelijk dat Chungong zich nog volop in een onderzoeksfase bevindt. De voorstelling voelt aan als een probeersel, een eerste articulatie van een makerschap dat zich net na het VAART-traject nog aan het vormen is. ‘The Ethereal Paradox’ toont zo het risico waar beginnende makers vaak aan bloot staan. Wanneer hun eerste, prille werk wordt opgehemeld in de media, vergroot dat de kans op een scherpe teleurstelling wanneer het volgende werk de verwachtingen niet inlost. Dat is jammer voor iedereen: publiek, recensent, maker én producent.
Terwijl ik deze recensie schreef, stuitte ik zo op de recensie over dit stuk door Charlotte De Somviele in De Standaard. In de laatste alinea beweert ze nogal wat dingen waar ik bedenkingen bij heb. Haar slotzin viel me het meest op: “Het theater heeft nood aan zijn eigen Lena Dunhams”. Neen, dank u. Ik pas. Het theater heeft geen witte, geprivilegieerde blik nodig om feminisme te claimen. Wat wél nodig is? Makers, spelers, schrijvers die intersectioneel denken, in tegenstelling tot iemand als Dunham. Die diversiteit niet alleen tonen maar ook onderzoeken. Die machtsdynamieken blootleggen en het publiek ongemakkelijk durven maken. Dat is spannend theater. Dat is relevant. Dat is nodig. Slaagt Zoë Chungong daarin met haar eerste werk? De Somviele en ik lijken het erover eens dat het op de vloer nog niet helemaal klikte. Maar toch: ze zet ons aan het denken, roept discussie op, en dwingt ons te kijken: naar haar, naar elkaar, naar onszelf. Dat op zich is al een prestatie.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz