Jeugdtheater

De Berg LAIKA

Rouw op zijn rauwst: machtig mooi

Broer verliest broer. Ineens is hij dood, alsof sterven kinderspel is: ‘tik, jij bent uit.’ Het vervolg heet rouwverwerking: een proces vol wisselende emoties dat regisseur Michai Geyzen in ‘De berg’ bij LAIKA eigenzinnig verbeeldt als een alpinistische tocht door het mortuarium, met toppen en dalen. Gek genoeg zorgt alle jongensachtige humor in deze sterke kindervoorstelling voor een extra gevoelig portret van leren omgaan met sterven.  

Uitgelicht door Wouter Hillaert
De Berg
Wouter Hillaert CCHA, Hasselt, in het kader van het Krokus Festival
19 februari 2026

Er zijn theorieën die zeggen dat alles wat we cultuur noemen, slechts op twee poten steunt: onze emotionele turbulentie over de liefde en onze existentiële verstomming in het aanschijn van de dood. Oneindig veel rituelen en kunstwerken zijn door de eeuwen uit die beide raadsels geschapen. En zolang we er niet uit komen, zal cultuur blijven bestaan. Best een geruststellende gedachte, nu zich weer donkere besparingswolken samenpakken over de Vlaamse podiumkunsten.

Ook het jeugdtheater kan bogen op een lang track record in zijn verbeelding van de dood, zeker omdat de omvang van ‘voor altijd weg zijn’ nooit simpel uit te leggen is aan kinderen. Van ‘Marie L’ (2005) van Stella Den Haag over een terminaal kankerpatiëntje tot ‘Doe de groeten aan de ganzen’ (2019) van De Nwe Tijd en hetpaleis met clown Danny Ronaldo als De Dood: ze wisten tot tranen te roeren, ook omdat het wegvallen van een jong leven het aloude mysterie van sterven natuurlijk extra op scherp zet. Zonder uitzondering bedachten al die creaties een suggestieve poëtische metafoor om de dood toch maar uitgelegd te krijgen.

‘De berg’ begint met doodleuk de vloer aan te vegen met die hele verbeeldingstraditie. Twee speelvogels oefenen zich in het brengen van de laatste groet. Ze plooien hun tronie in een lijkbiddersgezicht en vouwen hun handen voor hun kruis. De jongste (Stanislas Pira Bruynseels) snapt er weinig van, maar kopieert gewoon zijn oudere broer (Patrick Vervueren). Tot die hem een tel later stomweg ontvalt en transformeert in een opgebaard lichaam onder een paardendeken. De jongste begint aan een afscheidsspeech met alle clichés die we in zulke gevallen tevoorschijn toveren, van het sterretje in de hemel tot de vrije vogel in de lucht. “Stop daarmee”, sist zijn ontslapen broer van onder zijn lijkwade. “Ik ben gewoon dood!”

Kleinmannelijk onvermogen

Het is de hele voorstelling in een notendop. Net als in zijn (al te) dwaze begrafenisklucht ‘Tot de dood ons scheidt’ (2025) met Stijn Van de Wiel bij De Mannschaft weigert Michai Geyzen ook hier veel te verbloemen. Alleen vertelt zijn ontsluiering van de dood nu zoveel meer.

Best gewaagd, zeker in deze oorlogstijden, is bijvoorbeeld de groteske scène waarin Bruynseels en Vervueren als twee jongens op de speeltuin elkaar maar blijven om het leven brengen: met een ninjazwaard, een bazooka, een gevelde lans, een pan tegen de kop, een gigantische bokshandschoen voor de spreekwoordelijke stomp in de maag… Met toevoeging van grijnzende geluidseffecten – slash! toenk! knal! – zien die luchtgevechten er behoorlijk moorddadig uit, maar alle achtjarigen in de zaal kirren van plezier.

Precies daarin toont ‘De berg’ zijn bijzondere gelaagdheid. In één en dezelfde beweging zien we niet alleen de dood als een opgeruimd kinderspel of een bloederige game – zo funderend voor onze cultuur vandaag – maar ontvouwt zich ook een deerniswekkend terugverlangen naar een broederband die rauw is doorgeknipt. Elke onnozeliteit op scène is eigenlijk niet meer dan een fantasie van jonge broer Stan om zijn diepe verlieservaring te helpen verteren.

Twee schobbejakken haken voortdurend in elkaar met knuisten die nooit geleerd hebben om een knuffel te vragen.

Een andere manier weet hij niet. Wanneer beide broers verder in de voorstelling bij elkaar polsen wat ze echt voelen, komen ze niet verder dan gestamel. Ze haken dan maar in elkaar als twee schobbejakken met knuisten die nooit geleerd hebben om een knuffel te vragen. Net dat kleinmannelijke onvermogen ontroert misschien nog wel het meest aan ‘De berg’.

Ook de titel van de voorstelling draagt die dubbelzinnigheid in zich. Het bergsymbool komt op de proppen als een grap in een ironisch keuzemenu voor rouwverwerking, geprojecteerd op een van de donkere concave wanden in het mortuarium-achtige decor van Stef Stessel. “Wil je in het Nederlands wenen, druk 1.” Het is een uitgestreken kritiek op alle commercialisering van het sterven in onze eigentijdse winstcultuur.

Van alle opties die Stan voorgeschoteld krijgt voor het ideale rouwdecor, kiest hij uiteindelijk het berglandschap – een verwijzing naar de Japanse legende rond de berg Nara, waar je met je geliefden de laatste uren kan doorbrengen. Nooit blijft de humor in ‘De berg’ dus verstoken van zijn mystieke onderlaag. De dood verwerken? Het is een berg waar je over moet.

Steenmannetje

Dus nee, ook Geyzen en co. kunnen uiteindelijk niet zonder een verzachtende metafoor. Ze gaan er alleen wel erg fantasierijk mee om. Bij de begrafenis wordt Stan belaagd door een rijtje vrienden en familie (Vervueren met steeds wisselende typetjes) die stuk voor stuk bij hem hun pakketjes verdriet komen droppen in de vorm van witte ijsschotsen of rotsblokken. Hij heeft er zijn handen mee vol.

In zijn meer eenzame momenten wordt Stan dan weer gevisiteerd door groteske fabeldieren van paardendeken met een hoog alpen-gehalte: van een aanklampende berggeit met een jengelende toeter tot een mammoet met een feesthoedje. Allemaal belichamen ze rauwe gevoelens zonder gezicht, zonder voorgaande culturele referentie.

We zien niet zomaar alle rouw, maar een heel specifiek soort jonge rauwheid in de omgang ermee.

Dat maakt de kloof tussen het doodsthema van ‘De berg’ en de visuele verbeelding ervan weids als een Zwitsers vergezicht, maar net daarin voelt deze voorstelling zo eigen. We zien niet zomaar alle rouw, maar een heel specifiek soort jonge rauwheid in de omgang ermee. Je moet eigenlijk gaan kijken om het effect ervan echt te doorvoelen. Op wonderlijke wijze weet LAIKA zijn vrolijke exploten te verzoenen met het meer klassieke instrumentarium bij pijnlijk afscheid: stille piano en strijkers door de boxen, abstracte bewegingsduetten op de vloer.

Zo vallen alle losse stukjes en inspiraties in deze rouwvoorstelling uiteindelijk verrassend mooi op hun plaats, tot één coherent grafmonument. Of verwijst de stenentoren die aan het slot verrijst, vooral naar de typische ‘steenmannetjes’ die je wel eens op bergwandelingen tegenkomt, als natuurlijke wegwijzers naar het juiste pad?

‘De berg’ is nog eens een prachtig voorbeeld van hoe kunst, net omdat ze zich niet conformeert aan onze standaard omgang met het sterven, toch extra troostend kan werken. LAIKA gooit hier een zoveelste verbeelding op onze culturele berg, maar wel met zoveel eigengereide jongensachtigheid dat ze toch echt een verschil maakt. Veel diepzinniger dan laatst bij De Mannschaft laat Geyzen hier voelen wat hij zelf uit te zoeken heeft met het thema. Iedereen, jong en oud, profiteert mee. ‘De berg’ dwingt een ontwapenende stilte af, tussen het grinniken door. 

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz