Jeugdtheater

LOULOU (alles of niks) Yamina Takkatz & Lounja Stubbe

Autofictie voor jonge kijkers

Onlangs sprak ik in All that pzazz, de podcast van Pzazz, met Ans Van Gasse, Klaas Tindemans en Wouter Hillaert over het genre 'autofictie'. Die vorm duikt steeds vaker op, vooral bij makers met een migratieachtergrond: stemmen die lang nauwelijks podium kregen, maar nu hun eigen verhalen kunnen vertellen. ‘LOULOU (alles of niks)’, een voorstelling van Yamina Takkatz en Lounja Stubbe, trekt die tendens uit het volwassenentheater door naar het jeugdtheater en creëert zo ruimte voor persoonlijke verhalen en representatie.        
LOULOU (alles of niks)
Aïcha Mouhamou De Studio, Antwerpen
03 december 2025

Kinder­voorstellingen blijven een dankbaar, maar delicaat genre. Ze richten zich tot een jong publiek, maar dat maakt hen allerminst eenvoudig of lichtvoetig. Integendeel: als maker vraagt het een scherp inzicht in hoe kinderen kijken, denken en voelen. En vooral een radicale weigering om hen te onderschatten. Verschillende critici, onder wie Evelyne Coussens en Pieter T’Jonck, wezen het voorbije jaar al op die noodzaak. Ook ‘LOULOU’ lijkt precies op dat spanningsveld te balanceren.

In ‘LOULOU’ blikken moeder en dochter, Yamina Takkatz en Lounja Stubbe, terug op het verleden in een muzikale theatervoorstelling voor kinderen vanaf 8 jaar. In een huiskamerdecor werkt Stubbe aan een spreekbeurt over ‘moederdieren’. Ondertussen ruimt Takkatz op, en stuit zo in oude dozen op vele herinneringen. Zo ontvouwt zich een tastbaar archief van Yamina’s afkomst en migratiegeschiedenis.

Muzikant Han Stubbe, achter het keyboard en met klarinet in de hand, verzorgt de muzikale sfeer. Dat hij zijn achternaam deelt met Lounja is geen toeval: hij is haar vader en Takkatz’ partner. Die familiale constellatie creëert een uitgesproken zachte en gezellige sfeer.

Al vroeg in de voorstelling bots ik echter toch op een soort kortsluiting, een dramaturgische verwarring die aan me blijft knagen. Stubbe verschijnt met gekleurde speldjes in het haar en vertelt over de spreekbeurt die ze voorbereidt. Later in de voorstelling laat ze per ongeluk een handgemaakt Amazigh-kommetje van haar moeder vallen, een erfstuk waar ze eigenlijk niet aan mocht komen. Dat katapulteert haar in een uitgesproken kinderlijke staat van verdriet en koppigheid.

Het is duidelijk: Stubbe vertolkt een kind. Maar zowel dramaturgisch als performatief wringt dat. Fundamenteel. Ze is simpelweg geen kind meer. De middelen die ze inzet om die illusie op te roepen, zoals de gekleurde speldjes en een beperkte woordenschat, blijven louter tekens. Er is geen belichaming. Daardoor dringt zich de vraag op of het wel noodzakelijk was om toch te doen alsof ze nog een kind was. 

Het is ironisch hoe precies zo’n figuur legendarische vrouw uit het collectieve geheugen verdween.

 Daarmee beweer ik allerminst dat Lounja Stubbe en Yamina Takkatz niet beschikken over sterke kwaliteiten als spelers én als makers. Dat blijkt vooral als de voorstelling zich richt op de Algerijnse Amazigh-roots van Takkatz. Zij groeide op in de banlieue van Parijs en verhuisde op haar tweeëntwintigste naar België. In een van de scènes legt Takkatz aan haar dochter uit dat moeders eigenlijk een soort Superman zijn - “of nee, eerder Wonder Woman… of nee, misschien nog beter: Al-Kahina.”

Nu hebben ze mijn aandacht. Al-Kahina is namelijk een legendarische historische figuur in de Ammazigh-cultuur, al is ze dan in Europa, en zeker in het theater, nauwelijks bekend. Ze was in de 7de eeuw een Amazigh verzetsstrijdster, een strategisch genie die opkwam voor haar volk en symbool stond voor vrouwelijke kracht, en dat in een regio waarvan we vaak ten onrechte aannemen dat sterke vrouwen er geen geschiedenis hebben. Het is ironisch hoe precies zo’n figuur uit het collectieve geheugen verdween, hoewel er in de MENA-regio talloze voorbeelden van zo’n vrouwen zijn. Maar goed, dat is wellicht een andere discussie.

Als het licht in de zaal langzaam dooft lichten achteraan twee totems op, voorzien van pulserende Amazigh-symbolen. Op een elektronische soundscape wordt het gezin als het ware terug de geschiedenis in gekatapulteerd en krijgen we het verhaal van Al-Kahina te horen. Het is een van de zeldzame momenten waarop de voorstelling echt een performatieve gelaagdheid bereikt: beeld, muziek en narratief vallen plots samen en openen een mythisch register.

Micro-agressies

Zo’n werkelijk knappe momenten zijn echter te schaars: ik ervaar er zo maar een paar, en ze zijn kort van duur. Zo is er een mooi moment als Takkatz even in de kelder verdwijnt. Stubbe kan dan haar nieuwsgierigheid niet bedwingen: ze snuffelt in de geheime doos van haar moeder en vindt er een dagboek, waarvan ze enkele passages voorleest. In één daarvan krijgt de jonge Takkatz in Parijs te horen dat ze niet meer naar school mag komen met “oranje handen”. Ik stel me voor dat een kind dan denkt: “Huh? Oranje handen?”. Het moet een raadsel zijn dat zich in het hoofd nestelt. Als volwassene besef ik meteen dat het over henna gaat. Even later bevestigt Takkatz dat: kinderen uit haar klas waren zo bang van haar hennahanden dat de school vroeg het niet meer te doen.

Scènes die een gesprek openen over anders-zijn, over erfgoed en over het dagelijkse gewicht van uitsluiting.

Het sluit aan bij een andere scène waarin Takkatz haar dochter vertelt over de vele micro-agressies die ze in haar leven meemaakte. Dit zijn de momenten waarop de voorstelling echt raakt: scènes die niet alleen persoonlijk en kwetsbaar zijn, maar ook noodzakelijk om met een jong publiek te delen. Ze openen een gesprek over anders-zijn, over erfgoed en over het dagelijkse gewicht van uitsluiting; precies de thema’s waarvoor ‘LOULOU’ bij uitstek een podium kan bieden. Ik had graag meer van die scènes gezien: momenten waarin de voorstelling haar eigen intimiteit doorbreekt en een groter, historisch of symbolisch universum durft aan te spreken.

Uiteindelijk kiest Stubbe het perfecte “moederdier” voor haar spreekbeurt, eentje die helemaal aansluit bij haar beeld van haar eigen moeder. Welk dier, dat verzwijg ik liever: wie dat wil ontdekken, moet de voorstelling zelf gaan bekijken. Zo eindigt ‘LOULOU’ met een geprojecteerde video van Takkatz’ kinderfoto’s. Het is duidelijk een ontroerend moment voor het gezin; tranen rollen over hun wangen en de intimiteit van het moment is voelbaar. Toch laat ook dat slot me achter met een ambivalent gevoel: de ontroering en ervaring lijken vooral een privé-ervaring van het gezin, eerder dan dat ze volledig doordringt tot het publiek. Los van de eerder genoemde sterke scènes mist het einde daardoor de impact die de voorstelling, naar ik vermoed, wel zou kunnen hebben.

Zelf heb ik trouwens een neefje van acht: een pienter jongetje met een eigen mening. Ik vraag me af wat hij zou vinden van de voorstelling. Zijn recensie zou wellicht wemelen van de schrijffouten, maar ook verrassend eerlijk en verfrissend. Kinderen mogen best uitgedaagd worden; ze mogen zelf nadenken terwijl ze kijken. Daardoor krijgt theater voor hen misschien écht waarde.        

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz