Dans

What the body does not remember Ultima Vez / Ensemble Intercontemporain

Springlevende klassieker

In 1987, net geen veertig jaar geleden, ging ‘What the body does not remember’, een choreografie van Wim Vandekeybus op muziek van Thierry De Mey en Peter Vermeersch, in première in de Toneelschuur in Haarlem. Vijf maanden later stond de voorstelling in de legendarische ‘Kitchen’ (van Hell’s kitchen, naar de kwalijke reputatie van de wijk) in New York. Resultaat: choreograaf en componisten kregen de Bessie Award, zowat de Oscar van de danswereld. Het was het startschot voor Vandekeybus’ compagnie Ultima Vez. Terwijl een nieuwe garde zich opmaakt om de compagnie verder te zetten stond die instant classic recent in Parijs terug op de affiche. In een verrijkte uitvoering, met livemuziek door het prestigieuze Ensemble Intercontemporain.          

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
What the body does not remember
Pieter T’Jonck Philharmonie de Paris, Parijs
30 juni 2026

Het kan vreemd lopen in de kunstwereld. In 2016 oordeelde de beoordelingscommissie dans dat Ultima Vez, gezien de beperkte subsidie-enveloppe, geen prioriteit meer was. Enkel door ingrijpen van Minister van Cultuur Sven Gatz kreeg het gezelschap toch voldoende subsidies om voort te bestaan. Tien jaar later liggen de kaarten helemaal anders: Vandekeybus is een veelgevraagd gastregisseur en -choreograaf. Recent creëerde hij zijn bejubelde versie van ‘Carmen’ bij Opera Ballet Vlaanderen. Ondertussen draagt hij zijn gezelschap stilaan over aan een jonge generatie met grote toekomstplannen. Mooier kan het niet zijn: de ene generatie die de volgende wind in de zeilen geeft.

Een nieuw publiek?

Niets illustreert die omslag beter dan de uitnodiging door het Ensemble Intercontemporain om Vandekeybus’ eerste voorstelling op te voeren met livemuziek. Dat is des te opmerkelijker omdat Vandekeybus geen onbekende is in Parijs, maar zijn werk vooral toonde in het Théâtre de la Ville. De herneming van ‘What the body does not remember’ vanaf 2013 was dan weer te zien in de Centquatre in 2015. Maar in de Philharmonie, de vaste stek van het Ensemble Intercontemporain, stond hij nooit eerder.

De Philharmonie is dan ook een muziekzaal, geen theaterzaal. Het Ensemble intercontemporain heeft ook weinig met theater of dans te maken. Het werd in 1976 gesticht door Pierre Boulez (1925-2016), de éminence grise van de hedendaagse muziek in Frankrijk, als een ensemble voor hedendaagse muziek. Stilaan is die missie voor het Ensemble een probleem geworden: hedendaagse ‘ernstige’ muziek – zeker de meer cerebrale varianten ervan - lokken nog weinig publiek. Vandaar de ambitie van het Ensemble en van de Philharmonie om een ander, jonger publiek aan te boren met een repertoire dat hen aanspreekt. Daar is het werk van De Mey en Vermeersch geknipt voor.

Symbolisch voor die nieuwe oriëntatie is dat de Philharmonie en het Ensemble Intercontemporain in 2015 verhuisden naar een splinternieuw gebouw tussen de périphérique, de ringweg rond Parijs, en het Parc de la Villette, in het volkse negentiende arrondissement. Een beweging naar het nieuwe publiek toe, en weg van de burgerij van het zestiende, die sowieso toch de voorkeur geeft aan de Salle Pleyel of Théâtre des Champs Elysées in het centrum. Vreemd genoeg gaat het wel om een kolossaal en peperduur gebouw naar een ontwerp van starchitect Jean Nouvel. Het heeft zowel iets weg van een vulkaaneruptie als van een stapeling van cyclopische betonplaten of zelfs van een bergtop. Niet meteen een plek waar iedereen zich thuis, of zelfs maar welkom voelt.

De tafelpercussie van De Mey bepaalt de dans evenzeer als de choreografie zelf.

Hoe dan ook: ‘What the body does not remember’ past dus wel helemaal in het streven naar publieksverruiming. Het spektakel is dan ook, nog steeds, een ongeziene combinatie van muziek en beweging. Dansvoorstellingen waarin de muziek en dans elkaar fysiek, zichtbaar aanvuren zijn in het reguliere dansaanbod uiterst zeldzaam. Maar dat is precies wat gebeurt in de beginscène (en ook in de eindscène) van ‘What the body does not remember’. Twee mannen rollen over een vloer waarop horizontale lichten scherp afgetekende banen trekken. Een vrouw laat aan een tafel achter die vloer haar handen spelen over het tafelblad, van zacht schuren, slepen, krassen naar hard klappen met holle hand. Op die elektronisch versterkte percussie reageren de mannen als door een wesp gestoken. Dat samenspel tussen handen en beweging is magistraal gecomponeerd (door De Mey) en gechoreografeerd. Thierry De Mey en Peter Vermeersch schreven elk een deel van de muziek dan ook tijdens de repetities voor de voorstelling. De tafelpercussie van De Mey bepaalt de dans evenzeer als de choreografie zelf.

Echt gevaarlijk / Gevaarlijk echt

Bovendien worden dansers in dit stuk aan reëel gevaar blootgesteld door rondgegooide stenen: ze moeten op hun reflexen vertrouwen om het er heelhuids af te brengen. Dat is de tweede scène. Ze begint met een man die blokken cellenbeton gebruikt als stapstenen om het podium over te steken. Een tweede man doet het hem na. Na enige tijd komen andere spelers erbij die rondhollen terwijl die stenen heen en weer vliegen. Dat ziet er niet alleen gevaarlijk uit, het is het ook. Voor een publiek dat opgroeide met streetdance is dat herkenbaar én opwindend. (Bij de première in New York ging één van de toeschouwers, een zekere Iggy Pop, er helemaal van uit de bol).

Wat het Ensemble Intercontemporain finaal overtuigde is ongetwijfeld dat de muziek, hoe programmatisch ook, dicht aansloot bij de ‘ernstige’ muziek van die tijd maar er door zijn stuwende, complexe ritmes een dosis adrenaline aan toevoegde, zonder in te boeten op muzikale finesse. Daardoor is de muziek trouwens ook nu nog springlevend. Ontluisterend is wel dat het Ensemble door besparingen uiteindelijk veel minder bijdroeg aan het budget dan gepland. De topzware productie – er staan tien dansers en elf muzikanten op het podium – wordt vooral gedragen door Ultima Vez, de KVS en de Manège in Maubeuges. Even ontluisterend is dat dit de enige voorstelling in Parijs was. Ze richtte zich daardoor als vanzelf vooral tot aficionados en/of al wie zich de eerder prijzige tickets kan permitteren.

Dat is jammer, omdat het stuk niets van zijn spankracht verloren heeft, maar in het huidige tijdsgewricht door jongere mensen mogelijk heel anders gelezen wordt. Het stuk draait immers rond de derde, centrale scène, ‘frisking’. Een vrouw en een man drentelen wat doelloos over het podium tot hij haar aanraakt en zij zich kwaad terugtrekt. Hij laat niet af, zij reageert heftiger en zo gaan ze elkaar achtervolgen. Een tweede en derde koppel vertonen hetzelfde gedrag van plagen, pesten, achtervolgen.

War between the sexes

Nog brutaler wordt het als de mannen de vrouwen in een fouilleerhouding dwingen: ze staan daar met de armen wijd gespreid, de benen wijd open terwijl de mannen ze betasten. Daar reageren ze erg verschillend op: de ene probeert de situatie naar haar hand te zetten met verleiding en neemt de bovenhand, de andere beantwoordt agressie met nog meer agressie, waarop de situatie escaleert. Het zijn varianten op één thema, binnen het dwingende ritme van de score van Thierry De Mey: een briljante, levendige verbeelding van de war between the sexes. Het werd de basis voor Vandekeybus’ volgende stuk ‘Les porteuses de mauvaises nouvelles’.

Thierry De Mey vulde de oorspronkelijke score aan met kleine uitbreidingen met een groot effect.

Wat deze herneming in Parijs bijzonder maakt is in de eerste plaats de livemuziek. Zo was het stuk nooit eerder te zien. De verhouding tussen de muzikanten en de dansers kreeg ook een heuse dramaturgie mee: ze staan eerst naast, later achter de actie, op een verhoog. Bijzonder is ook dat Thierry De Mey de oorspronkelijke score aanvulde met kleine uitbreidingen met een groot effect. Op twee momenten maakt een violist en later een cellist deel uit van de actie in een interludium dat de intieme band tussen musiceren en dansen concreet maakt.

Het werd een avond om niet te vergeten. Enig minpunt misschien is dat de grote Concertzaal van de Philharmonie zich niet leent tot een optimale beleving van deze heropvoering met een nieuwe cast. De zaal is wel een bezienswaardigheid op zich: een eivormige schaal met tribunes voor 2500 personen die vrij zweven rond het podium voor de muzikanten, naar het model van de Berliner Philharmoniker van Hans Scharoun in Berlijn. De maximale afstand tussen toeschouwer en podium blijft daardoor beperkt tot 32 meter. Voor een voorstelling die zo sterk inspeelt op de relaties tussen de dansers is dat echter toch nog te ver om de intensiteit van de actie ten volle te ervaren. Zelfs het eerste balkon waar ik zat, een uitstekende plek, liet dat niet werkelijk toe.

Maar geen nood: de voorstelling doet binnenkort ook het Concertgebouw in Brugge aan, en daar valt zeker wel een zitje te versieren dat je dichter bij de actie brengt. Want die blijft, na veertig jaar, nog steeds een wonder van levendigheid.         

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz