Toneel

Vincent Rietveld gaat voor de Louis d' Or De Warme Winkel

Gelijk, gelijker, gelijkst, of niet?

Geen dwazere titel dan ‘Vincent Rietveld gaat voor de Louis d’ Or’, een stuk van De Warme Winkel. De idee dat een acteur zoals een atleet voor een medaille zou ‘gaan’ is immers absurd. Een atleet loopt het hardst of springt het verst, maar een acteur vertolkt slechts een tekst. Bovendien niet eens de zijne. Hoe goed hij dat doet is een kwestie van appreciatie. Toch is na-ijver en eerzucht acteurs niet vreemd. Of zijn we daar ondertussen mee klaar? Dat is de vraag van dit stuk waarin jong tegenover -niet eens zo-oud staat. Een onbesliste match waarin de grote wereldvragen meeklinken.

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Vincent Rietveld gaat voor de Louis d' Or
Pieter T’Jonck
Campo Nieuwpoort, Gent
Theaterfestival 2019
meer info
08 september 2019

Een vijfkoppig koor -drie vrouwen en twee mannen- opent de avond met de mededeling dat we getuige zullen zijn van de poging van acteur Vincent Rietveld om de ‘Louis d’ Or’ in de wacht te slepen met zijn vertolking van ‘De Wereldverbeteraar’ (1978) van Thomas Bernhardt.

De ‘Louis d’ Or’, zo lichten ze toe, is de belangrijkste onderscheiding die een Nederlandstalige acteur ten deel kan vallen voor een ‘uitzonderlijke’ vertolking van een ‘dragende rol’. Ze bestaat sinds 1955. Doorgaans gaat die prijs naar een vertolking van een stuk uit de ‘canon’. De jury verdedigt haar keuze met woorden als ‘de acteur stijgt boven zichzelf uit, toont ons psychische afgronden, etcetera’. (ze zeggen het doodserieus, maar maken de kritiek hier wel flink belachelijk door ze letterlijk te citeren). En zo staan alle neuzen in dezelfde richting besluiten ze.

Een bijzonder koor is dit wel. Ze spreken perfect unisono -een heuse krachttoer- en hebben ook een gelijkaardig kostuum. Tot het middel dragen ze een wit hemd, gilet en jas. Een kostuum dus, het waarmerk van de ‘rol’ die de burger speelt ’in het publiek’, meer in het bijzonder in het theater. Maar vanaf hun middel dragen ze de onwaarschijnlijke combinatie van een spannende short, sexy zwarte nylons met bloemmotief en daarbovenop lange witte sportkousen, als volleybalspelers.

Dit vestimentair ‘cadavre exquis’ vertelt allerlei dingen tegelijk. Aan genderonderscheid doen deze jonge mensen duidelijk niet meer. Hoogst politiek correct. Maar waarom dan toch sexy nylons? Ze steken ook de draak met het burgerlijke theater. Ook daar krijg je punten voor. Maar waarom dan hagelwitte sportkousen? Wat willen ze eigenlijk zeggen? Of koketteren ze vooral met hun vermeende ‘intersectionaliteit’?

In de loop van het stuk zal alvast blijken dat de ideologische en filosofische aanspraken van dit ‘collectief’, zoals ze zichzelf noemen, weinig meer zijn dan een vergaarbak van ideetjes die vandaag opgeld maken. Dat leidt niet zelden tot tegenspraken. Een van de opvallendste daarvan zie je trouwens meteen: voor een collectief, dat uit één mond wil spreken, doen ze wel erg hun best om zich van elkaar te onderscheiden.

Ondertussen maakt Rietveld zich op voor zijn poging om de ‘Louis d’ Or’ in de wacht te slepen. De keuze voor het stuk van Bernhardt is alvast een goede zet, want het behoort sinds de regie van Claus Peymann, met Bernhard Minetti in de hoofdrol (1981, Bochum) onbetwist tot de canon. En het laat één, en slechts één acteur schitteren, al is dat in een weinig ‘verheffende’ quasi-monoloog.

Een man die ooit een wereldberoemd traktaat ter verbetering van wereld schreef kankert erover dat niemand hem ooit begreep. Deze ‘wereldverbeteraar’ haat mondaine gelegenheden daarom zozeer dat hij een eredoctoraat thuis in ontvangst zal nemen. Dat ‘thuis’ is echter een dorre plek: de vrouw waarmee hij in een symbiotische relatie samenleeft -zonder getrouwd te zijn- is zijn voetveeg en pispaal. Ze krijgt zelfs geen naam. Toch kan hij haar niet missen. Iemand moet hem aanhoren.

Het vijfkoppige koortje kijkt vanaf de zijlijn, nu in de rol van ‘de vrouw’, een tijdlang lijdzaam toe hoe Rietveld, pontificaal midden op het podium, zich uitput in alle geplogenheden van de belangrijke rol. Diepzinnige intonaties, onverwachte uithalen, gekwelde gelaatsuitdrukkingen -alle ‘truken van de foor’ passeren in hoog tempo de revue. Toch maakt Rietveld er geen karikatuur van- toch niet meer dan wat in het genre ‘ernstig theater’ gebruikelijk is. Het is zelfs een best overtuigende vertolking, ook als je het stuk ooit wel eens in een meer onderkoelde, onderzoekende vertolking van pakweg Maatschappij Discordia zag.

Maar na een kwartier of zo is het koortje zijn lijdzame rol plots beu. Het onderbreekt de voorstelling met de vraag of Rietveld nu werkelijk dat hele stuk wil spelen. Hun bezwaar: het gaat alweer over een witte man die zijn standpunt opdringt. Het is toch ook gewoon ijdeltuiterij van Rietveld.

Haast zonder overgang kaarten ze plots het probleem van de overbevolking van de wereld aan, met daarbovenop alle klimaatproblemen. Als iedereen zoveel plaats zou innemen als Rietveld, dan worden de problemen alleen maar erger, stellen ze. Nee, dan liever hoe zij het doen: zij zijn een collectief: met z’n vijven doen ze wat tot dusver één mens deed. Wat weer tot een nieuwe gedachtesprong leidt: zij zijn als een bos, dat door het samenspel tussen planten, schimmels, dieren en bomen veel sterker staat dan een eenzame boom.

De keuze voor de 'Wereldverbeteraar' draait om twee visies op manieren om de wereld te verbeteren

Meteen begrijp je dat de keuze om ‘De Wereldverbeteraar’ te spelen niet alleen met de canon te maken heeft, maar vooral met twee visies op manieren om de wereld te verbeteren. Want Rietveld verdedigt zich met de opwerping dat hij wil ‘excelleren’, iets bijzonders in de wereld wil brengen. Allemaal onzin, vindt het collectief.

De discussie die volgt is een hilarische representatie van wat je inderdaad als een botsing van wereldvisies-een collectivistische en een individualistische- kan zien. Hilarisch, omdat de inconsistenties in de argumenten van beide kampen niet op één hand te tellen zijn en ook het jonge kamp bovendien zeer venijnig en zeer ouderwets op zijn eigen ‘gelijk’ uit is.

Onder de talloze briljante vondsten is er één werkelijk geniaal: als het collectief een finale aanval wil inzetten op de kwaadaardige witte acteur, gedragen ze zich als buitenaardse wezens in horror sf films, sissend en spuwend met glibberige tongen, op handen en voeten. Maar Rietveld moet maar op de grond stampen of deze ‘aliens’ deinzen verschrikt achteruit.

Zo’n scène is onbetaalbaar. De keuze van het beeld toont, beter dan welke dialoog ook, hoe de discussie tussen ‘jong’ en ‘oud’ niet enkel door ideologie aangejaagd wordt, maar vooral voortkomt uit andere mentale voorstellingen van de wereld: Rietveld als de laatste der Mohikanen die nog met de canon opgroeide, het koor als de eerste die ook ‘games’ als een legitieme representatie van de wereld leerde kennen.

Het komt -natuurlijk- allemaal goed. Op het einde dansen ze allemaal samen een vrolijk dansje op een leutige techno beat. Rietveld is daarin minder thuis, maar overklast uiteindelijk zijn tegenspelers toch, gewoon omdat hij door zijn leeftijd en podiumervaring net dat tikje meer charisma heeft. Maar lang zal dat niet meer duren, want die jonge acteurs, Kim Karssen, Mirthe Labree, Lisa Schamlé, Rob Smorenberg en David Westera zijn onwaarschijnlijk top.

Ondertussen is de wereld daar natuurlijk geen spat beter van geworden. Maar wie had ooit beweerd dat theater ertoe diende om de wereld te verbeteren?