Dans

Movement Essays Anneleen Keppens

Zelfverkenningen

Eens een voorstelling ‘klaar’ is, verdwijnen de vragen die de maker zich bij de creatie stelde vaak in de plooien van de theatermachinerie. In ‘Movement essays’ wil choreografe en danseres Anneleen Keppens die vragen op de voorgrond brengen in drie ‘essays’. Dat levert een boeiende avond op, al is ‘essay’ misschien toch een iets te groot woord voor wat Keppens ons voortovert. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Movement Essays
Pieter T’Jonck Stuk Leuven meer info
12 december 2019

Het begint natuurlijk met de vraag wat een essay precies is? Bij het begin van de voorstelling legt Keppens het mooi uit. Ze vertelt dat een vriend de vorm van de roman ooit vergeleek met een trechter die alle elementen in een tekst laat convergeren naar één punt, één betekenis. Een essay daarentegen was volgens hem meer als een cilinder waarin argumenten, bedenkingen, citaten rond elkaar heen draaien. Dat illustreert ze meteen door met haar onderarmen rond elkaar heen te laten warrelen.

Daar voegt ze wel aan toe dat die cilinder in haar voorstelling geen bodemloos vat is, waar ideeën doorheen vallen. Haar ‘bewegingsessays’ zijn ‘gesloten cilinders’. Een stapeltje boeken op een kleine regietafel rechts van het podium vestigt er discreet de aandacht op dat aan haar essays heel wat studiewerk vooraf ging.

Wat ze niet zegt, is Michel de Montaigne het genre ‘uitvond’ in de zestiende eeuw. Zijn essays handelen over erg diverse onderwerpen, van de meest verhevene tot de meest banale, aan de hand van even diverse bronnen, van teksten tot anekdotes of eigen ervaringen. Zo komt hij vaak tot verrassende inzichten, maar de belangrijkste is wel dat al die teksten een soort zelfportret, een ‘peinture de moy’ opleverden. Ze leren je inderdaad -indirect- de mens Montaigne kennen. Of beter gezegd: hoe veranderlijk die mens kan zijn. Hoe die de ene keer zus, en de andere keer zo denkt, voelt, oordeelt.

Dat veranderlijke, veelzijdige van de menselijke aard is ook in de voorstelling van Keppens een leidraad. In het derde essay, ‘Multitudes’, zegt ze het zelfs in zoveel woorden. Het gaat hier niet over de ‘multitude’ van Hardt en Negri. Keppens haalde het woord uit het gedicht  ‘Song of Myself’ van de Amerikaan Walt Whitman. Het bleef door haar hoofd spoken toen ze dit ‘essay’ creëerde, niet in het minst om de opmerkelijke regel: ‘I am large, I contain multitudes’. Als motto sluit het opmerkelijk dicht aan bij de Montaigne ’s opvatting over essays.

De vraag is dan natuurlijk of je inderdaad een beeld krijgt van de vele facetten van wie Anneleen Keppens is, wat ze denkt en voelt (al dan niet over dans) of hoe haar wereld er uitziet . Lukt dat met enkel bewegingen? Het eerste essay, ‘On tempo’ toont alvast een breed spectrum aan kwaliteiten en mogelijkheden om tempo en ritme in te zetten in een voorstelling.

De eerste beweging is bedrieglijk simpel: terwijl Keppens’ linkerhand en arm mechanisch precies als een drijfstang voor- en achterwaarts snokken gaat haar geopende rechterhand op dezelfde manier omhoog en omlaag langs een denkbeeldige paal. Je merkt nauwelijks dat haar onderlijf daarbij licht mee veert, tot ze haar voeten verplaatst en het evenwicht verschuift.

Even later zie je een heel andere Keppens, die uiterst traag varieert op een balletachtige pose. Weer later molenwiekt ze terwijl ze zijwaarts beweegt. Een vorm van ‘Egyptian reggae’ Die explosie van energie wordt echter bruusk afgebroken. Keppens neemt verkrampt, merkbaar trillend en bevend, een nieuwe pose in.

Er volgen nog veel variaties op dit materiaal, vanaf nu met percussie of zelfs een heel orkest in de achtergrond. Er volgen ook nieuwe bewegingen. Zo lijkt ze wel een basketspeler zonder bal als ze haar romp snel heen en weer keert terwijl haar armen op en neer pompen. Ook op het einde lijkt ze een onzichtbare bal te manipuleren.

Waarom verlangen we zo naar heldere vormen? Hoe daaraan ontsnappen? 

Zo krijg je een veelheid aan variaties op het thema ‘tempo in beweging’ te zien,. Dat is prettig, zelfs boeiend, want Keppens heeft de precisie in beweging en ritme van een goede danser. Maar dat ze bijvoorbeeld ‘heel boos kan worden als ze snel moet bewegen’, zoals ze in het programmablad vertelt, kan je hier hoogstens vermoeden op dat ene moment dat ze beeft en siddert. Veel verder gaat het -als portret- eigenlijk niet.

Daarna wisselt ze nadrukkelijk van kleren. Ze verruilt een zwarte losse broek en rode T-shirt voor een topje met een doorkijkbloes eroverheel en wijde broek met een opvallende gele streep op de naden van de pijp. Het tweede essay wordt zo meer ‘voorstelling’ dan het eerste. Dat blijkt ook uit de belichting, die Keppens’ lichaam herhaaldelijk veel dramatischer uitlicht dan in het eerste essay.

Deze keer gaat het over ‘shape’. Ze demonstreert verschillende ‘shapes’, terwijl de klankband de woorden ‘line’ en ‘curve’ herhaalt. Ze maakt ook enkele behartenswaardige opmerkingen over het thema. ‘A shape contains me, and restrains me’ bijvoorbeeld. Of ze vraagt zich luidop af ‘what it means to be in a body?’ Ze merkt ook op dat je altijd maar één vorm tegelijk kan aannemen. Vormen sluiten elkaar uit.

In dit essay krijgt het thema scherpere contouren doordat het ook een vraag wordt. Waarom verlangen we zo naar heldere vormen? Hoe kan je daaraan ontsnappen? Bestaat er zoiets als ‘vormeloosheid’ en hoe zou dat er dan uitzien. Als een reeks ongecontroleerde sprongen? Of is dat alleen maar een vorm in vermomming, een doen alsof er controleverlies is? Niet dat de kwesties echt opgelost worden, maar ze zijn wel aangekaart

Het sterkste, en meest ‘dramatische’ ‘essay’ is zeker ‘Multitude’. Ze wisselt weer van kleren -deze keer draagt ze een kort broekje onder een zilverkleurige bloes- en leest brieven voor die ze schreef tijdens het maakproces van de voorstelling. Daarin gaat het over twijfels, over hoe moeilijk het is om met (negatieve) commentaar van collega’s om te gaan. Waarna ze weer aan de slag gaat.

Het begint weer met een moment van controleverlies. Keppens heft haar arm recht vooruit en doet enkele afgemeten passen, waarna ze plots achterwaarts begint rond te tollen, alsof ze zich niet meer staande kan houden. Er volgen vele bijzondere momenten als Keppens haar lichaam in zeer vreemde bochten wringt. Zo steunen haar voeten plots op haar ellebogen, en dat voelt heel vreemd aan. Op een later moment moest ik onwillekeurig denken aan Mary Wigmans ‘Hexentanz’ als ze wijdbeen, met klauwende handen naar voren komt. Dat klopt natuurlijk helemaal met het eerder vermelde citaat van Walt Whitman.

Maar zelfs in dit essay krijg je nooit de scherpte van een echt essay, en ontbreekt telkens ook een ‘pointe’. Ik zou deze stukken daarom eerder (zelf-) verkenningen dan essays noemen. Maar misschien is dat niet zo heel belangrijk: uiteindelijk krijg je zo wel een heel ruim uur boeiende bewegingsexperimenten, waarin zich langzaam de contouren van een echte voorstelling beginnen af te tekenen. Zonder dat het ooit helemaal zo ver komt. In dat opzicht zijn dit dan weer wel ‘essays’: dingen die je probeert, voor een publiek.