Dans

Etrangler le temps / Boléro 2 Boris Charmatz & Emmanuelle Huynh / Odile Duboc

In het spoor van Auguste Rodin en Camille Claudel

In de aanloop naar zijn ‘Musée de la danse’ bedacht Boris Charmatz in 2009 een klein experiment: hij vroeg dansers om bestaande choreografieën eindeloos te vertragen. Zelf gaf hij het voorbeeld met het duet ‘Boléro 2’, dat de Franse choreografe Odile Duboc (1941-2010) voor hem en Emmanuelle Huynh creëerde. Achteraf groeide het experiment uit tot een nieuw, bijzonder werk. Charmatz en Huynh voeren ‘Etrangler le temps’ nu samen met het origineel uit in Leuven. Een buitenkans. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Etrangler le temps / Boléro 2
Pieter T’Jonck Predikherenkerk Leuven, 30CC en Stuk meer info
24 oktober 2019

De setting alleen al maakt ‘Etrangler le temps’ in Leuven tot een belevenis. De oude Predikherenkerk biedt een kader waar geen theaterdecor tegen op kan, ook al blijft het licht dan beperkt tot slechts enkele spots.

Twee kleine tribunes bakenen in die imposante ruimte een klein speelveld af. De twee dansers nemer er positie in, ver van elkaar en sluiten de ogen, om ze de volgende 50 minuten niet meer te openen. Een dwarsfluit zet het motief van de ‘Boléro’ van Maurice Ravel in.

Meteen hoor je dat de klank eindeloos uitgerokken is en lichtjes zweeft. Olivier Renouf bewerkte de originele klankband van de voorstelling, een live-opname van Sergiu Celibidache, inderdaad tot drie keer de originele lengte.

Aanvankelijk staan de dansers ver van elkaar. Als in gedachten verzonken verplaatsen ze uiterst langzaam hun gewicht. Huynh tilt haar voeten hoog, Charmatz kromt zijn rug voorover. Zo komen ze langzaam in beweging tot Huynh achter Charmatz staat en haar armen om zijn lijf sluit.

Het is de aanzet van een ongewoon duet. De dansers verstrengelen zich in zeer intieme poses, maar wel poses. Hoe ze ook tegen elkaar aanhangen, over elkaar heen rollen, elkaar dragen of voortslepen, elk gebaar wordt extreem traag en precies uitgevoerd. Door de traagheid spelen impuls en snelheid hier geen rol. Als de ene danser de andere van de grond heft gebeurt dat op pure kracht.

Je ziet daardoor eerder beeldhouwwerken dan beweging. Indrukwekkend. In een gesprek achteraf vertelden Charmatz en Huynh dat Odile Duboc hen bij de creatie van de oorspronkelijke voorstelling ter inspiratie sprak over tegengestelde elementen als modder en lucht, vuur en water, en het beeld meegaf van bomen als wezens die even diep in de grond geworteld zijn als ze de lucht in reiken.

In de poses van de dansers herken je krachtige sculpturale vormen

Maar Duboc gaf de dansers ook beelden van Auguste Rodin en Camille Claudel mee. Hun krachtige sculpturale vormen herken je in de poses van de dansers. Soms drijven ze de gelijkenis met de beeldhouwwerken op de spits. Op enkele momenten bevriest Charmatz zowat terwijl Huynh zich uit de omstrengeling wurmt om zich elders tegen hem aan te vleien. Op andere momenten sculpteert zij als het ware zijn ledematen tot de juiste pose.

Het contrast met de pompende dynamiek van Ravel, die ondanks de vertraging blijft werken, is treffend: het is alsof de dansers zich met hun intense concentratie en precisie verzetten tegen de roes van de muziek. Dat creëert een voortdurend stijgende spanning.

Hoe bedacht deze dans is weet je wel zeker als je naar het einde toe plots een volledige sequens ziet terugkeren. Dit is geen improvisatie, maar een choreografie dan van begin tot einde bedacht werd, hoe groot de bewegingsvariatie ook is.

Als Charmatz en Huynh daarna de oorspronkelijke ‘Boléro 2’ van Odile Duboc uit 1996 uitvoeren, zie je meteen de treffende gelijkenis, al zijn er in het origineel geen herhalingen en gaan de beelden vloeiender in elkaar over. Het is een les in kijken en ervaren van grote klasse.