Dans

Somnole Boris Charmatz

Fluitje van een vent

Het Franse woord ‘somnoler’ lijkt op ‘sommeil’, of slaap, maar het betekent toch iets heel anders dan ‘dormir’ of slapen. Doezelen of wegdromen komt nog het best in de buurt. Die toestand roept Boris Charmatz op in de solo ‘Somnole’. In die droom dringt zich een bijzonder gevoel op: het genot om helemaal met jezelf, met je eigen lijf samen te vallen.  

Somnole
Pieter T’Jonck Espace Pasolini, Valenciennes (FR)
In het kader van het Next festival
meer info
18 november 2021

We turen in het halfduister van uiterst schaars voetlicht naar het kleine podium van de ‘Espace Pasolini’ in Valenciennes. De ruimte, niet veel meer dan acht bij tien meter, heeft geen coulissen of achtertoneel. Het is niet meer dan een grote, besloten kamer, met achteraan de ruwe baksteenwanden van wat wellicht ooit een atelier was. In de zij-en de achterwand zit er een deur.

Toch komt Boris Charmatz niet langs één van die deuren het podium op. Hij betreedt de zaal langs dezelfde weg als het publiek: de nauwe gang tussen de tribune en de wand van de zaal. Een schril geluid, als van een slecht bespeelde dwarsfluit, kondigt zijn komst aan. Hij is naakt, op een kort rokje na, gemaakt van heel diverse, kleurige strepen stof. Het lijkt wel een collectie stalen van stoffen zoals je in meubelzaken of bij kleermakers ziet.

Charmatz loopt traag, wat verdwaasd. Hij houdt zijn armen onhandig hoog boven het hoofd. Zijn handen draaien weg in vreemde hoeken, alsof hij niet  wist wat ermee aan te vangen. Hij licht ook vaag op in het donker. Er hangt een zweem van licht rond hem, als een vlek maanlicht. Het duurt even voor je merkt dat die komt van een wendbare spot die hem volgt. Het is, op het voetlicht na, de enige lichtbron in de voorstelling, die kleeft aan et lijf van de danser.

Zelfs als hij het midden van het podium bereikt blijft Charmatz een hele tijd wat wezenloos rondwaren. Hij zakt ineen, komt weer overeind, loopt heen en weer, in een trage beroezing. Al die tijd weerklinkt het schelle, stroeve geluid van een soort fluit die een onbestemde melodie, zonder duidelijke toonaard of ritme voortbrengt.

Het duurt dan ook alweer een hele tijd voor je merkt dat je niet luistert naar een klankband, maar dat Charmatz dat zweverige gefluit zelf voortbrengt, en dan nog vooral doordat de bron van het geluid zich onmiskenbaar met zijn lichaam mee verplaatst. Toch is het geluid zo doordringend dat het onwaarschijnlijk lijkt dat één mens dat zou kunnen produceren, zeker omdat de lippen van de danser zich nauwelijks tuiten, toch niet zo dat je het ziet in het schemerige licht. Zou hij ‘omgekeerd’ fluiten, door in te ademen?  

De voorstelling krijgt iets onweerstaanbaars

Stilaan herken ik echter iets in het doelloze gefluit en gedraai van de danser. Hij handelt zoals een kind dat in het duister de grenzen van zijn lijf niet langer goed kan inschatten. Het gaat fluiten om zijn lijf weer te voelen ademen en leven en doorbreekt zo ook de stilte van een bedreigende, grenzeloze ruimte. Dat thema blijft heel de voorstelling zinderen.

Charmatz zal uiteindelijk heel zijn lijf gebruiken om lawaai te maken: door te proesten, te gorgelen, op zijn lijf te slaan, op zijn vingers te fluiten of zijn handen tot een klankkast te plooien. Hij probeert zelfs uit wat er gebeurt als hij tegen zijn keel tikt of op zijn borstkas slaat terwijl hij uitademt. Alles, behalve zingen of spreken. Adem die klank wordt.

Hoe luider hij fluit, hoe levendiger de danser ook beweegt. Levendig zoals alleen Charmatz dat kan, met plotse opstoten van wilde roekeloosheid en dwaze invallen. Hij wordt steeds zelfzekerder, en plots wordt zijn gefluit ook toonvaster tot er onverwacht een herkenbare melodie weerklinkt. ‘Comme d’ habitude’ van Claude François (of ook: ‘My way’ van Frank Sinatra, je kan kiezen).

Het luidt een tweede, maar even herkenbare, episode van de voorstelling in. Het ene liedje of melodietje leidt al fluitend als vanzelf naar een ander als de fluiter zich laat verleiden tot improviseren. Is er immers iets verleidelijker dan je te laten gaan op de variaties bij de minste beweging van je lippen. Of om je in een grootse sportmanifestatie te wanen als je op je vingers fluit?

De voorstelling krijgt op dat moment iets onweerstaanbaars, zeker omdat Charmatz nu de evergreens aan elkaar rijgt. Een deuntje van Ennio Morricone, ‘Summertime’ van Gershwin (gevolgd door een kopstand en geklap met de voeten), ‘Stormy weather’ van Arlen & Koehler of het thema van de ‘Pink Panther’. Het brengt hem op een bepaald ogenblik heel dicht bij de kijkers, op een manier die net te mooi is om hier te verklappen.

Dat alles maakt van ‘Somnole’ een heel innemende voorstelling: Er zijn geen trucs, er is nauwelijks techniek, op die ene volgspot na. Het draait allemaal om dat ene lijf dat zijn mogelijkheden, in een licht dromerige toestand, ontdekt. Het vindt zo niet alleen zijn plaats in de onbestemde ruimte, het geniet ervan om er zijn aanwezigheid te laten horen. Om er zichzelf te horen zijn. Het gaat er hier niet om wat dat molenwieken, dat schuifelen en fluiten betekent, het gaat erom dat je het kan. Dat je leeft. Dat je samenvalt met je lijf. 

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Abonneren Login