Dans

Pianoworks Debussy Lisbeth Gruwez / Voetvolk & Claire Chevalier

Dansen en musiceren als genot

In de voorstelling ‘Piano Works Debussy’ komen twee buitengewone artiesten samen rond het werk van Claude Debussy. Lisbeth Gruwez danst, Claire Chevalier speelt piano. Hun samenzijn is ongedwongen. Ze gaan elk hun eigen gang, in een verstandhouding die geen woorden behoeft. Licht en decor verlenen die ontmoeting op een onnadrukkelijke, subtiele manier extra glans. Meer moet dat niet zijn. Ga vooral kijken en luisteren. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
Pianoworks Debussy
Pieter T’Jonck KVS Brussel meer info
03 oktober 2020

Na ‘Piano Works Debussy’ las ik een interview met Lisbeth Gruwez en Maarten Van Cauwenberghe in De Morgen. Ik keek er nogal van op. Ze verklappen daarin dat nogal wat producenten afhaakten na een try-out in Brest (FR), net voor de Covid crisis. Ze vreesden dat ‘hun’ publiek het te moeilijk zou vinden. En het was niet wat ze verwacht hadden. Gruwez, dat is toch ‘je ziel uit je lijf dansen’?

Vermoedelijk keken die producenten niet al te goed, en volgden ze de evolutie van Voetvolk, de compagnie van Gruwez en van Cauwenberghe, ook niet al te aandachtig. Er was altijd al iets bijzonders aan wat Gruwez, met Van Cauwenberghe als muziekleverancier en klankbord, op het podium deed. Dat was al zo bij haar eerste choreografie ‘Forever Overhead’ (2008). Een explosie van energie en risico, duidelijk nog schatplichtig aan het performen in overdrive dat het waarmerk is van Jan Fabre. Bij Fabre kende ze inderdaad haar eerste grote successen kende als performer.

Die tomeloze energie kanaliseerde ze door de jaren heen echter steeds beter. Ze leerde te doseren. Preciezer te mikken. Desondanks, of juist daardoor, is ze nog steeds een performer hors pair. Ze overtuigt niet door een gepantserd discours, doortimmerde structuren of een strakke dramaturgie, maar ze ‘pakt’ je wel telkens weer door een haast instinctief juiste keuze van gebaren, intens en expressief.

Ze gaat daarmee tegen de tijd in: vrome gedachten zijn aan haar niet besteed. Maar ze kan als geen ander gemoedstoestanden vertalen in beweging, vaak in nauwe relatie met de muziek. Daar zit weinig analyse op, maar des te meer directe ontlading van de emotie die de muziek opwekt. Niets uitzonderlijks misschien? Kinderen doen dat toch ook?

Dat is zeker waar, maar die doen dat wel zonder de ongewone precisie van Gruwez. Ze zwaait niet zomaar wat in het rond. Zoals Paul Valéry het zo treffend zei: ‘De danseres sluit zich op in een tijdsduur die zij zelf schept, een tijdsduur die geheel bestaat uit actuele energie, geheel bestaat uit voortdurende veranderlijkheid. (…) Zo schept zij bij de toeschouwers het gevoel van een andere toestand, een uitzonderlijke toestand’.

Die beschrijving van Valéry kan je ook moeiteloos toepassen op het pianospel van Chevalier. Ook daar lijkt het alsof de pianiste één wordt met haar instrument. Ze gaan samen op in de klanken die een eigen tijd en werkelijkheid scheppen met Claude Debussy als gids

Maar er zijn dus verontruste theaterdirecteurs, die vrezen dat ‘de mensen’ die muziek niet aankunnen. Wat een onzin. Wat een minachting: alsof ‘de mensen’ enkel bagger lusten, en zij -fijnzinnige lieden- kiezen welke bagger. Uiteraard schreef Debussy geen schlagers, maar wie blijft onberoerd door de waterval van tonen waarop Chevalier je mee op sleeptouw neemt?

Maar dus, om kort te gaan: ‘Pianoworks Debussy’ heeft niets waarover je verontrust zou moeten zijn. Het is een betoverend uur klank en beweging, die je enigszins sprakeloos laat. Maar omdat een kritiek nu eenmaal met woorden werkt, toch nog deze notities.

De twee artiesten staan aanvankelijk tegenover elkaar. Gruwez heft bedachtzaam een been, gaat even door de knieën, heft haar armen strak voor zich. Ze herhaalt dat eenvoudige patroon een paar keer, met variaties, en laat zich, in een steeds sneller ritme, meedrijven op de versnellingen in de muziek. Dan loopt ze met een wijde boog langs de piano heen naar de andere zijde van het podium waar Chevalier haar niet meer ziet.

Dat is belangrijk: vanaf nu is de band tussen beide artiesten zelden nog visueel van aard. Ze hebben elk een eigen, parallelle ‘bubbel’, zelfs op het moment dat Gruwez naast Chevalier op de pianokruk gaat zitten. Maar net dan zie je dat ze dezelfde adem volgen. Als Chevalier diep buigt over de toetsen, laat Gruwez ook haar schouders zakken, alsof ze de spanning in haar lijf helemaal los laat. Ze veert ook weer recht als Chevalier dat doet. Allemaal mee op de kwikzilveren stemmingswisselingen in de muziek. Dat is de band.

Ook mooi: Gruwez reageert zeer precies op de vaak onverwachte crescendo’s , de complexe wisselingen in ritme en klankkleur van de muziek, maar af en toe stapt ze ook even buiten de stroom van de muziek. Ze doet dat niet ostentatief, maar toch zijn het momenten waarop je haar verwondering /bewondering op een andere manier registreert.

Haar dans heeft ook onmiskenbaar autobiografische trekken: je ziet haar geschiedenis als danser. De invloeden die haar tekenden. Dat ze opgeleid werd als ballerina is onmiskenbaar. Een kaarsrechte rug, een scherp gevoel voor de geometrie van het lichaam in de ruimte, bepalen haar verschijning. Typische figuren, zoals de armen die als een krans bevallig -en met een onmiskenbare fierheid-boven het hoofd geheven worden, verraden die achtergrond des te meer.

Maar je ziet ook de kleine rebel die lak heeft aan kadaverdiscipline en voorgeschreven figuren. Er is die ene pose die haast onmiddellijk 'Het zotte geweld' van Rik Wouters oproept. Er is dat andere buitengewone moment dat ze even achterover gaat liggen, en dan vanuit haar achterwerk rug en benen optilt tot ze in een hoek van 45° bewegingloos blijven zweven. Ze slaat dan ook nog haar handen in haar nek, alsof ze achterover hing in een luie fauteuil. Het lijkt niets, maar het vraagt enorme kracht en precisie. Je ziet Gruwez even pronken met haar lijf en met wat het kan, moeiteloos. Ze geniet hiervan, niet eens stiekem, al is het hard labeur. Genot, we zijn het bijna vergeten op onze podia, maar hoe aanstekelijk is het niet.

De scenografie van Marie Szersnovicz biedt een suggestieve omkadering voor het samenspel tussen Gruwez en Chevalier. Een lange, glanzende staaf in de vorm van een vraagteken loopt achter het podium door. Er hangt een vilten doek aan, bekleed met bladgoud. Dat verschuift haast onmerkbaar val links naar rechts, als een beeld van de tijd die verglijdt. Op een bepaald moment wordt dat doek de glanzende achtergrond waartegen de danseres in clair obscur verschijnt.

Zo’n effecten danken ook veel aan de briljante lichtinstallatie van Stef Alleweireldt. Het licht lijkt soms zelfs te wemelen als de reflecties van licht in het water. Een impressie die een verrassende echo is van de impressionistische muziek (al haatte Debussy dat woord dan).

Hier laat ik het bij. Gaan kijken is, als gezegd, de boodschap.