Confabulations (Irrsinn) Diederik Peeters
Te zot om niet waar te zijn
‘Lees maar: er staat niet wat er staat’, schreef Martinus Nijhoff in 1934 in het gedicht ‘Awater’. Het is het soort mededeling dat mensen nerveus maakt. Hoezo? Hoe kan je handelen als niets is wat het lijkt? Dat is toch te gek voor woorden? Misschien wel. Toch handelen mensen vaak helemaal niet naar ‘de feiten’ maar naar wat ze denken dat die feiten zijn. Volgens Diederik Peeters is die zin voor verzinsels een Godsgeschenk. ‘Confabulations’ – of ‘Irrsinn’, de lust om te dwalen in het Duits – doet die stelling letterlijk uit de doeken.
“Ik ben tevreden om te zien hoe talrijk jullie opgedaagd zijn voor deze voorstelling”. Het zijn de eerste woorden die Diederik Peeters uitspreekt in ‘Confabulations’. De ‘grap’ is dat hij die uitspreekt in een compleet verduisterde ruimte. Er valt dus niets te zien. Wat noch Peeters, noch ons toeschouwers, belet om te geloven dat er toch iets te zien valt. Welkom in de wonderlijke wereld van de waangedachten, versie Peeters.
‘Confabulations’ kende een heel lange aanloop, met lezingen, hoorspelen of voorstudies met de allure van een compleet afgewerkte voorstelling zoals ‘Boroboroton’, in 2024 te zien op het Playground Festival in Leuven. De impliciete conclusie van die voorstelling was dat theater in wezen een peilloos zwart gat is, een mentale black out waarop we onze fantasieën projecteren. We zien niet wat er objectief te zien is, maar wat we denken te zien. We fantaseren ons een betekenis bij elkaar op basis van wat op een of andere manier onze aandacht trekt. Anders gezegd: we ‘confabuleren’.
Theater dat geen finale verklaring biedt maar het publiek de gordijnen in jaagt door de verklaring als een tapijtje onder hun voeten weg te trekken
Die theorie van het theater als een ‘zwart gat’ is niet nieuw: ze is zowat de basispremisse van alle postmodern theater: theater dat geen finale verklaring biedt die het publiek enigszins geruststelt (denk: Ibsen), maar het de gordijnen in jaagt door de verklaring als een tapijtje onder de voeten van dat publiek weg te trekken. Romeo Castellucci is er een meester in, maar Peeters heeft er ook een aardig handje van weg, met veel minder pretentie – gelukkig -.
De medische blik
‘Confabuleren is echter in de eerste plaats een medische term. Het viel de arts Carl Wernicke in de negentiende eeuw bijvoorbeeld al op dat patiënten met ernstig geheugenverlies door alcoholmisbruik desondanks de leemtes in hun geheugen perfect konden invullen, alsof ze zich levendig herinnerden wat er (niet) gebeurde tijdens hun black-outs. Op dat soort afwijkingen gaat Peeters in. Wanneer slaat ‘fantaseren’ om in ‘afwijkend gedrag’. Wat is ‘abnormaal’? Hij verontschuldigt zich vooraf uitgebreid: hij is geen psychiater, maar een amateur, een liefhebber.
We denken gemakkelijk dat het duidelijk is wat wel of niet abnormaal is, maar dat is nochtans slechts mogelijk doordat we een duidelijk idee hebben over wat als ‘normaal’ te beschouwen valt. Peeters onthult fier dat een Belg, Adolphe Quetelet, voor dat concept van ‘normaliteit’ in 1835 de basis legde met zijn standaardwerk ‘Sur l'homme et le développement de ses facultés, ou Essai de physique sociale’. Hij definieerde daarin l’homme moyen, de gemiddelde mens. Dat moet je strikt statistisch begrijpen: Quetelet was de eerste die begrippen uit de statistiek en de kansberekening op sociale fenomenen toepaste. Het statistisch gemiddelde, eens wetenschappelijk bepaald, werd echter haast meteen ook een norm. Tot vandaag, ondanks alle pogingen om het woord abnormaal – zeg maar: knettergek – te vervangen door neurodiversiteit.
Psychiaters ontdekken allerlei vormen van afwijkend gedrag die ze met enige trots naar zichzelf vernoemen.
Dat normatieve begrip van normaliteit tekende al snel ook de psychiatrische theorie en praktijk. Vanaf de negentiende eeuw, maar zeker in de twintigste eeuw, ontdekken psychiaters allerlei vormen van afwijkend gedrag die ze met enige trots naar zichzelf vernoemen. Neem nu het syndroom van Capgras, dat de gelijknamige psychiater in 1923 beschreef. De patiënt lijdt daarbij aan de illusie dat bekende personen vervangen zijn door dubbelgangers. Zo mogelijk nog gekker (sic) is het syndroom van Cotard, dat Jules Cotard al identificeerde in de negentiende eeuw. Wie daaraan lijdt is ervan overtuigd dood te zijn of toch beroofd van organen zoals hart, hersenen en bloed, zonder dat zijn omgeving dat wil erkennen.
Peeters gaat vooral uitgebreid in op het syndroom van Fregoli. De patiënt is er daarbij van overtuigd dat diverse personen in zijn omgeving slechts vermommingen zijn van één en dezelfde bedrieger. Hier liet ontdekker Paul Courbon de eer aan een entertainer die erom bekend stond dat hij in een mum van tijd de meest diverse persoonlijkheden kon aannemen. Courbon beschreef het geval aan de hand van ene Madame P. die ergens aan de onderste sporten van de ladder van het Parijse operamilieu probeerde te overleven. Toeval of niet: in Peeters’ familie was er een tante Martha waarover de familie hardnekkig zweeg sinds ze de wijk nam naar Parijs waar ze in armoede stierf. Peeters suggereert met enig genoegen dat de Madame P. van Courbon wellicht geen andere was dan zijn tante. Si non é vero…
Het decor loopt amok
Terwijl Peeters al die weetjes opdist gebeuren achter zijn rug, schijnbaar zonder dat hij er zich van bewust is, allerlei vreemde dingen. Gordijnen die als vanzelf op en neergaan, stukken stof die menselijke vormen aannemen en dan weer ineenzakken. Het houdt niet op. Die stukken stof, een ontwerp van Christoph Hefti, hebben opmerkelijke prints, als Rorschach testen. Peeters draagt zelf trouwens kostuums met net zo’n prints, zodat hij wel vaker even lijkt op te gaan in het decor.
Een enkele keer onderbreekt een stem, vanuit het niets, zijn betoog met een schampere opmerking. Zo mompelt ene Carl-Gustav Jung (inderdaad, de Zwitserse grondlegger van een onorthodoxe psychoanalyse) dat hij het allemaal al eerder opgemerkt had. En dan is er nog het gastoptreden van Grégoire Blanc. Die bespeelt een Theremin , een muziekinstrument dat reageert op de armbewegingen van de speler, zonder rechtstreeks contact, maar je zou zweren dat je een vioolconcert hoorde. Wat dan weer bij het verhaal van die tante Martha lijkt aan te sluiten.
Confabuleren, als alternatief voor een leven waar alles is wat het is en we dus geen kant op kunnen.
Het gevolg laat zich raden. Je raakt als kijker steeds vaker het noorden kwijt. Waar moet je kijken? Wat valt er te zien? Hoe kan je dit begrijpen? Je hebt niet veel andere keuze dan je te verlaten op je eigen intuïtie. Je maakt er je eigen verhaal van. Dat is ook de bedoeling. Peeters besluit de voorstelling met een warm pleidooi voor meer confabuleren, als alternatief voor een leven waar alles is wat het is en we dus geen kant op kunnen.
Anders dan in ‘Boroboroton’ voelt die conclusie deze keer echter een beetje geforceerd aan, als een noodstop. ‘Confabulations’ is aan de ene kant overladen met historische, filosofische en psychiatrische informatie, maar gooit ons anderzijds in hoog tempo erratische incidenten voor de voeten. Fantastisch materiaal allemaal, maar het punt dat Peeters wil maken raakt eronder bedolven. Tot die laatste oproep dus. Het stuk was sterker geweest als die toelichting achterwege was gebleven, of gewoon overbodig was geweest. Dan zou ‘Confabulations’ echt een sterk verhaal zijn. Nu is het dat bijna. Het wacht nog op het moment dat het voor zichzelf spreekt – en de kijker zo helemaal voor zichzelf laat denken.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz