Performance

INHALE DELIRIUM EXHALE Miet Warlop

Redeloos en radeloos

Sinds ‘INHALE DELIRIUM EXHALE’ van Miet Warlop in première ging op het Kunstenfestivaldesarts moet de voorstelling nog een hele evolutie gekend hebben. Het ‘Delirium’ van de titel won aan kracht, zo bleek bij de vertoning als slotvoorstelling van het NEXT Festival in Valenciennes. Het publiek werd er wild van. 

Uitgelicht door Pieter T’Jonck
INHALE DELIRIUM EXHALE
Pieter T’Jonck Le Phénix, Valenciennes, in het kader van NEXT Festival 2025
30 november 2025

Een man en een vrouw, in dezelfde zwarte blouson en korte zwarte broek komen op. Ze hebben onnatuurlijk lange armen door de porseleinen handen die uit hun mouwen steken. Ze knielen neer tegenover elkaar voor een spelletje handjeklap. Het gevolg: eerst spatten de vingerkootjes en daarna de palmen van de porseleinen handen in gruzelementen uiteen onder het geweld van de aanraking. Tot er alleen stompjes blijven. Dat geluid wordt, in de soundscape van DEEWEE een baseline.

Uiteindelijk laten de spelers die stompjes porselein los en slepen ze het gruis af op een zwart doek. Meteen daarna rolt achteraan op het podium een reusachtig doek in lichtblauwe zijde af. Terwijl het naar beneden wolkt lijkt een gigantische, onzichtbare hand er enorme deuken in te slaan, onder zwaar gedreun van de score. Anders dan de porseleinen handjes begeeft het doek echter niet: het plooit mee met het geweld. Het buigt in plaats van te barsten zoals de handjes. In die tegenstelling tekent zich een thematiek af. Het doek wordt als een vloeibaar lichaam dat de wetten van de noodzaak weerstaat.

Dat lichaam stort neer onder het geweld en fladdert wild uit over het podium. Plots besef je dat performers het doek in beweging houden, er één mee werden. Tot ze eronder uit komen en het gewelddadig bemeesteren tot een compacte massa, ondanks tegensputterende, opbollende zakken vol lucht die niet willen leeglopen. Dreunende beats versterken ook van dit gevecht de dramatiek.

De materie blijft echter komen. Het ene witte na het andere blauwe doek rolt af van buizen boven het podium tot het bezaaid ligt met doeken. Met zes tegelijk gaan de performers die materie te lijf. Ze trekken die naar zich toe en over zich heen, gooien ze over de trekken die laag boven het podium hangen en geleiden ze zo naar machines die ze weer op rollen zetten. In dat gevecht veranderen de verhoudingen: de worsteling tussen stof en mens evolueert naar een uitbundig spel, met zijden doeken die weigeren zich te voegen naar de pogingen van de performers om ze te temmen.

Dat zie je ook in de volgende scène. De performers dragen met geheven armen een smal, honderden meters lang koperkleurig doek het podium op. Ze brengen het van rechts naar links en terug, twee keer na elkaar. Zo voeden ze het doek aan een machine die de stof oprolt. Het lijken wel de poelies waar de stof in een fabriek langs glijdt. Disfunctionele poelies, want ze lopen mee met de stof zodat ze schichtig moeten wegspringen telkens ze te dicht bij de machine komen.

Tussenspel

‘INHALE DELIRIUM EXHALE’ neemt daarna, in een kort interludium, even een heel andere wending. Alweer dwarrelt een reusachtig, zwart en half doorschijnend doek neer uit de hemel boven het podium. Een paar vrouwenschoenen vallen ervoor neer. Deze keer geen gevecht: het doek wordt als een voile die een performer aan het gezicht onttrekt. Je ziet enkel diens benen, een wijd vallend wit kleed en blote voeten die tasten naar de schoenen. Verrassend genoeg is die performer een man.

Die man in het witte kleed met de vrouwenschoenen en de vrouw die handjeklap deed worden de hoofdrolspelers in de volgende scène. Die verbeeldt haast letterlijk de titel van het stuk. Ze houden een reusachtig vierkant groenige zijde, wel 10 bij 10 m, elk aan één zijde met een buigzame stok zo hoog mogelijk in de lucht. Zo lopen ze onvermoeibaar van voor naar achter en terug. Bij elke verplaatsing bolt het doek op en zakt het dan weer in, als een gigantische long: Inhale/Exhale. In een toverachtige flits duikt enkele keren van onder het opwaaiende doek een andere vrouw op. Ze schreeuwt ons iets toe door een megafoon voor het doek haar weer verzwelgt. Delirium. Ondertussen klinkt in de soundscape weer het nerveuze getik van de porseleinen handen.

Wellicht kent iedere toeschouwer dan al een volledig andere betekenis toe aan dit uitzinnige spel met een krankzinnig grote hoeveelheid (6500 m²) zijde. Een uitspatting, een verspilling zonder andere doel of reden dan zichzelf. Maar vanaf nu komen de performers zelf wel nadrukkelijker naar voren. Het begint ermee dat ze de buizen waarop de zijde opgerold werd in een tros ophangen aan een neergelaten trek. Alsof ze zich bevrijd achtten van hun Sisyfus arbeid om de zijde te bemeesteren. Het is tijd voor andere dingen. Voor hun uitspattingen.

Als je maar lang en intens genoeg in- en uitademt eindig je in dit soort delirium, misschien?

Zo kan je de volgende scène toch lezen. Vijf performers rollen vijf – verbazend kleine – doeken naast elkaar uit. Op elk van die doeken staat een nummer, als voor een sportwedstrijd. Het doet denken aan ‘Histoire(s) du Théâtre IV : One Song’, het vorige stuk van Warlop. Net als in dat stuk putten de performers zich ook hier uit in uitputtende exercities, onder dreunende discoklanken. De zesde performer steekt daarbij een vuurwerk van zijden doeken af.

Even later tolt één performer op één been rond op zijn as terwijl een doek zich rond dat been wikkelt. Hij wordt zo een menselijke zijderol – of wordt zijn been een cocon? -. Uiteindelijk is dat been zo dik omzwachteld dat hij gaat lijken op de stripfiguur Nero als die na een ongeval weer eens met een reusachtig plaasterverband rond host. Tot een rood doek neerzakt voor het tumult. Alsof het de performers rood voor de ogen werd. Waarna witte en blauwe doeken volgen.

Nog is de orgie niet gedaan: tientallen liters champagne worden gemorst op de grond waar de spelers als gek over heen en weer hollen, tot die zo glad wordt dat hollen glijden en vallen wordt. In deze scène wordt de titel ‘INHALE DELIRIUM EXHALE’ een tastbare werkelijkheid. Inademen en weer uitademen, het is de basis van elke yoga-oefening, maar als je die maar lang en intens genoeg uitvoert eindig je in dit soort delirium, misschien?

Finale

Plots is het dan gedaan. De performers dweilen het podium weer droog. Het ritme van de muziek zakt, als een hartslag die vertraagt. De voorstelling begint zelfs te slepen als de spelers de doeken achteraan ophangen – als was aan de wasdraad. Voor de tweede keer duikt nu, als een interludium, een introspectief moment, een half doorschijnend, zwart doek op in de voorstelling. De performers haken het zelf vast aan een trek die naar beneden zakte. Als de trek weer opgetakeld wordt versluiert het doek de sporen van de vorige scène. Een man verschijnt en verdwijnt tussen de plooien van die heftig wapperende sluier. Tot hij, met één ruk, het doek weer naar beneden haalt.

Daarop volgt een magistrale eindscène (al liep er wellicht iets mis). Vier performers gaan achter de doeken staan die achterin te ‘drogen’ hangen en trekken ze samen door er hun blouson omheen te slaan en die dicht te ritsen. Plots lijken de doeken zo op samengepakte gordijnen in een kindertekening. De gordijnen ‘gehoorzamen’ echter niet: ze stromen omhoog en tillen (één van de) de performers mee aan zijn of haar blouson. Tot alles in elkaar stuikt en de performers wat beduusd overeind krabbelen van onder de hopen stof. Het spel is voorbij.

De voorstelling gaat nergens over, maar Nergens met hoofdletter: een greep naar goddelijkheid, het grootste, het meest onvoorstelbare, het redeloze en radeloze.

Die finale lost niets op. Ze toont alleen dat de ‘werkelijkheid’, in de vorm van de zwaartekracht, die ons allen veroordeelt om Sisyfus te zijn, na het delirium haar rechten terugneemt. Maar het delirium is daardoor niet verdwenen. Het heeft daarom weinig zin om te vragen wat ‘INHALE DELIRIUM EXHALE’ exact betekent. Het is zo’n werk dat laat zien dat ‘betekenis’ en ‘werkelijkheid’ een fictie zijn, ideeën waarover we samen beslisten dat ze moeten bestaan. Om voort te bestaan. Deze voorstelling spreekt dat koppig tegen. Ze is wat ze is. Ze gaat nergens over, maar Nergens met hoofdletter: een greep naar goddelijkheid, het grootste, het meest onvoorstelbare, het redeloze en radeloze.

Dat loopt geregeld een beetje mis. Het blijft een greep, maar net dat is de kracht ervan. Als deze voorstelling een film was, of een VR experience zou het publiek niets ‘beleven’, maar alles slechts tot zich nemen, consumeren. Het zou niet ‘Ah!’ roepen als een porseleinen handje breekt. Het zou zich de ogen niet uitkijken op de wolken stof. Als die duizenden meters stof echt, fysiek, hun grillen volgen worden wonderen pas echt wonderlijk, omdat ze niet perfect zijn.

Het publiek in Valenciennes ging uit de bol voor deze voorstelling. Gelijk hadden ze. Het is een voorstelling die gaat over totaal, maar dan ook werkelijk totaal, uit de bol gaan.         

Genoten van deze recensie?

Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.

Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.

Steun pzazz

Uw steun is welkom
Pzazz.theater vraagt veel tijd en inzet van een grote groep mensen. Dat kost geld. Talrijke organisaties steunen ons, maar zonder jouw bijdrage als abonnee komen we niet rond als we medewerkers eerlijk willen betalen. Uw steun is van vitaal belang en betekent dat we onafhankelijk recensies over de podiumkunsten kunnen blijven schrijven. Alvast bedankt!

Steunen Login