Byzantium Abattoir Fermé / Het Zuidelijk Toneel
Geld, eten en stront
De ondergang van een beschaving, maar dan in het klein, in een restaurant. Dat is ‘Byzantium’ van Abattoir Fermé. Nu is de fascinatie voor vernietiging bij Stef Lernous en de zijnen geen nieuw thema – er gaat altijd veel kapot – maar in ‘Byzantium’ gaan ze weer een stap verder. Het Zuidelijk Toneel doet met veel goesting mee. Ondertussen geniet het publiek van een heerlijke maaltijd, ter plaatse bereid.
Bij Abattoir Fermé gaat het niet altijd, maar wel zeer vaak over afbraak. Over afbraak en over braken. ‘Alles gaat kapot’, hun vorige voorstelling, een parabel over wankele gebouwen en een galgenmaal, liet dat duidelijk blijken. In ‘Byzantium’ gebeurt het opnieuw. Dit keer werkt Abattoir Fermé samen met Het Zuidelijk Toneel, dat in zijn recente ‘Not Quichot’-productie toonde dat het ensemble affiniteit heeft met de vernietigingsdrang van Lernous c.s., zowel qua speelstijl als qua wereldbeeld. Beide acteursgroepen blijken uitstekend bij elkaar te passen.
Restaurant
Bij het binnenkomen worden we verdeeld in twee groepen, die elk in een andere zaal van Nona hun toneelavond beginnen. De oude zaal, waar ik zelf beland, is ingericht als een restaurant. De zetels zijn weggehaald. We zitten aan tafeltjes en worden bediend terwijl we kijken naar een halfopen keuken, waar hard gewerkt wordt. In de meeste ensemblestukken van Stef Lernous sijpelen de personages, de ene grotesker dan de andere, binnen, om dan samen loos te gaan, voor de rest van de voorstelling. Hier daarentegen komen ze twee per twee aan, doen hun scène en verdwijnen dan voor langere tijd. De reden is dat ze tegelijkertijd ook in een ander stuk spelen. Dat wordt in de Gouden Zaal van Nona opgevoerd voor de andere helft van het publiek. Later zal de toneelmachine heropgestart worden, en kunnen wij dat andere stuk zien.
‘Chef’ (Tine Van den Weyngaert) is de chef van restaurant Byzantium. Ze vertelt met handen en voeten, tussen de tafeltjes door laverend, over een bloederige safari waar zij de ‘spruzzelbok’ vangt en zijn vlees afscheurt. John, de plongeur (Steve Geerts) is zoals altijd stipt drie minuten te laat. Hij slacht en pluimt een kip. Hij laat merken dat hij ambitie heeft om hogerop te komen, en Chef moedigt hem aan.
De broers/obers verenigen zich in hun afkeer van Chef. Ze sluiten een soort bloedpact (met veel toneelbloed).
Nieuwe scène. Anton, de ‘über-ober’ (Louis van der Waal) voert een sollicitatiegesprek met Feironnik (Julia Ghysels). Behalve dat ze extreem gemotiveerd en hyperkinetisch is, heeft ze ook last van imitatiedwang – en dat is nog het minste probleem. Duiken ook op: Kenneth, Camille en Nancy. Kenneth (Chiel van Berkel) is Antons broer, de ‘unter-ober’ en een zuiplap, die om de haverklap ontslagen en weer aangenomen wordt, Camille (Keja Klaasje Kwestro) is sous-chef maar de betere kok. Ze is ook zeer ambitieus, maar opgejaagd door de zenuwen en ze heeft een crush op John. Nancy (Kirsten Pieters) is intrigante en opkoopster van falende ondernemingen die ‘toevallig’ een date heeft met Kenneth. Dat loopt behoorlijk uit de hand in zowat de meeste hilarische scène van Byzantium. Deze woordenwisseling typeert (en concludeert) hun ontmoeting:
Nancy: “Ik ben op zoek naar iemand die mij speciaal doet voelen.”
Kenneth: “Ik ben speciaal.”
Nancy: “Da’s ’t probleem.”
Ondertussen hebben de broers/obers zich verenigd in hun afkeer van Chef. Ze sluiten een soort bloedpact (met veel toneelbloed). Ondertussen werd ook duidelijk dat dit de laatste avond is. De prestigieuze zaak sluit, en Nancy zal met plezier de ondergang bezegelen en de ruïne opkopen. Een laatste rebellie van de obers is theatraal, maar lijkt meer op een grote schoonmaak en levert alleszins niets op. Restaurant Byzantium wordt een take-away, met een gat in de muur. De congee, een Oost-Aziatisch gerecht met urenlang gekookte rijst en exquise groenten en kruiden is ondertussen klaar, en we vinden het allemaal heerlijk, echt waar. We zijn klaar voor het tweede deel.
Vagevuur en hel
Stef Lernous heeft dan al alle trucs uit zijn dramaturgische en visuele goochelkoffer tevoorschijn gehaald, met repetitieve dialogen, wankelende figuren, bloed en bloem, om een nogal anekdotisch verhaal te vertellen. Dat kantelt helemaal in het tweede deel, dat wil zeggen in wat voor ons, in deze publieksgroep, het tweede deel is. De anderen hebben zullen een flashback beleven, al zou een omkering van de chronologie, met wat fantasie, ook geloofwaardig kunnen zijn. Van de hel naar het vagevuur, of zoiets. De baldadige vrolijkheid – of wat daar nog van overschoot – zal voor ons helemaal verdwijnen, want de zaken in de take-away zijn niet meer eetbaar en de figuren die er rondlopen zijn nauwelijks nog menselijk.
Nancy heeft dus haar eigen zaak ingericht, en scenograaf Sven Van Kuijk heeft weer eens de perfecte ruïne gebouwd: een take-away met een gat in de muur, een venster dat kantelt, een grote oven (toch een pizzeria?) en een vies tafeltje. Sous-chef Camille (of een kloon?) leidt blijkbaar de werkzaamheden. Afkooksels van de obers Kenneth en Anton komen langs. Feirronik wordt door haar moeder zonder armen mismeesterd en gedrild tot een ober die op een junk lijkt.
Abattoir Fermé bouwt een absurdistische miniatuursamenleving op die zichzelf vervolgens afbreekt – circulair dus, of de eeuwige terugkeer van hetzelfde.
Byzantium is nu eerder een crematorium, dat ook nog iets culinairs doet. Gastronomische recensenten worden meegezogen in de circulaire voedselketen – kannibalisme? Men eet stront met knoken, en men mag blijven bijvragen. Iemand vindt beenderen van zijn ouders in zijn bord. Nancy triomfeert in een slotbeschouwing voor de familiale aandeelhouders: het circulaire model van Byzantium is uiterst lucratief: "het punt is: elke dag verdienen we meer geld dan dat we ooit kunnen opdoen en elke avond kunnen we gratis gaan eten.” Black-out.
Net als in ‘Alles is kapot’ en zoveel eerdere stukken bouwt Abattoir Fermé een absurdistische miniatuursamenleving op die zichzelf vervolgens afbreekt – circulair dus, of de eeuwige terugkeer van hetzelfde. Het andere publiek, dat de omgekeerde chronologie zag, ervaarde zowel de voorgeschiedenis als een ingebeeld toekomstperspectief – met wat goede wil.
Of dat veel hoop oplevert? De vraag stellen is ze beantwoorden, de enige overlevingsstrategie is hebzucht, ook een vorm van verslaving. In het crematorium lopen God en een koppel engelen rond, en dat zijn ook allemaal junkies. In het historische Byzantium werden religieuze beelden verboden door de keizer, omdat ze tot afgoderij zouden verleiden. De beelden die de figuren in Byzantium oproepen zijn allesbehalve verleidelijk, veel (Gods)geloof gaat hier niet verloren.
Nog deze kanttekening. De voorbije twee decennia heeft Stef Lernous ons ‘verwend’ met woorden en beelden die pronkten met de ziekelijke kant van de mensheid, met barok in ontbinding. Daarin kunnen we onszelf herkennen als we dat, heimelijk desnoods, durven toegeven. Maar er is ook een soort circulaire esthetiek ontstaan: beelden en frasen worden gerecycleerd, men citeert zichzelf en men ontsnapt niet altijd aan het universum dat gecreëerd is. Misschien moet dat ook niet, men mag met dezelfde hamer op dezelfde nagel blijven slaan, maar de apocalyptische verbeelding lijkt soms uitgeput, niet meer lucratief genoeg. Al is de antikapitalistische bekentenis van de wegkwijnende Nancy – de (laatste?) baas van dit Byzantium – wel een opluchting. De macabere visioenen hebben wél betekenis, en die hebben we geweten.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz