CASTL hetpaleis / Abattoir Fermé
De perfecte oudermoord
Met ‘CASTL’ (8+) confronteren regisseur Stef Lernous en zijn cast de achtjarigen in hetpaleis met de meest beangstigende waarheid die een kind kan ervaren: niemand is kenbaar, zelfs niet degenen die je het meest nabij zijn. In het binnenste van elk mens, ook van je dichtste bloedverwant, zit een onberekenbaar zwart gat.
‘CASTL’, gebaseerd op de klassieke horrorroman ‘We have always lived in the castle’ van Shirley Jackson (1916-1965), begint met een voorafname op het einde. Een brandweerman (Maja Westerveld) verschijnt grijnzend voor het gesloten voordoek, blusmateriaal in de aanslag. ‘Jullie zijn veilig hoor’, kraakt diens stem tegen het publiek als dood hout, maar uiteraard bedoelt hij het omgekeerde - de kinderen zijn niet veilig, niemand is veilig, zelfs niet in de warme schoot van het kerngezin, of misschien juist daar niet. Nog steeds voor het voordoek maken we vervolgens kennis met Meerkat Doenkerbos (Lotte Diependaele), jongste en meest onschuldige telg van de Doenkerbos-familie.
Het monster in ieder van ons
Zes jaar geleden werd het gezin getroffen door een gruwelijk drama: vier van de zeven familieleden lieten op één avond het leven door vergiftiging. Enkel de zussen Meerkat en Constance (Janne Desmet) bleven in leven, samen met nonkel Jul (Manou Kersting), die als bij wonder de dans ontspringt. Constance wordt beschuldigd, nooit schuldig bevonden. Sindsdien haat het dorp de overgebleven bewoners van het Doenkerbos-huis - al haatten ze hen al evengoed voor het drama, jaloers op hun rijkdom en stijl. Dat de jonge Meerkat ook stevig kan haten, is duidelijk wanneer de vernederingen en pesterijen vanwege de dorpelingen haar doen ontbranden in moorddadige fantasieën - de brandweerman komt eraan te pas om haar te blussen. Meerkat is zonder twijfel het meest fascinerende personage in ‘CASTL’. Zwaar getraumatiseerd, huilend als een weerwolf, maakt Diependaele haar kwetsbaar en weerbaar tegelijk.
De monsters in het kasteel worden getekend in de gekende Abattoir-stijl qua grime en kostuums.
Wanneer het voordoek daarna openschuift maken we kennis met de rest van de familie én met de prachtige scenografie van Sven Van Kuijk, die tekent voor een zwijgende, donker-houten gevel - het gezicht van de familie, zoals beschouwd door de buitenwereld. Want die sporadische bezoekers, van sensatiezoekers tot leveranciers (allemaal geïncarneerd door Maja Westerveld), durven niet over de drempel te komen. Zoals steeds is de buitenwereld even monsterlijk als de ‘monsters’ die in het besloten kasteel zouden huizen, en zo worden ze ook getekend, in de gekende Abattoir-stijl qua grime en kostuums. Ze zijn grotesk, hypocriet en dom, maar vooral: ze zijn transparant. Ze hebben niets van het enigma van de Doenkerbosjes, niets van hun ongrijpbare diepte. Deze personages dienen enkel als tegenkleur.
Tegenover de hysterische parade aan dorpelingen lijken Meerkat, Constance en Jul eigenlijk nog relatief normaal, al hebben ze elk zo hun eigenaardigheden. Jul is zwaarlijvig, verslaafd aan choco en vult zijn dagen met het opnieuw en opnieuw opschrijven van wat er die avond gebeurde, in de hoop er vat op te krijgen. Constance, die zich sinds de beruchte avond niet meer buiten waagt, is mantelzorger en meid voor alle werk, want ‘het is allemaal mijn schuld’. Meerkat trekt zich het liefst terug in de natuur, praat met haar kat Jonas en zoekt veiligheid in talismannen, spreuken en bezwerende handelingen als het begraven of tegen een boom spijkeren van voorwerpen. Zo, met vaste routines en voorspelbare rituelen, zijn de drie er tot dusver in geslaagd te overleven. Maar er hangt verandering in de lucht.
Nachtkus onder voorbehoud
Zoals steeds is het de komst van een buitenstaander die het evenwicht verstoort. Of deze ‘duivel’ in de gedaante van ‘neef Sjarel’ (Bart Hollanders) echt is of niet doet er niet toe, net zo min als het ertoe doet of het hele drama wel echt heeft plaatsgevonden - misschien is het allemaal het spel van een oververhitte geest, een groteske kinderfantasie. Welk kind droomt er niet eens van om zijn ouders te vermoorden?
De essentie is dezelfde: de ander is niet kenbaar, niet transparant, jij bent nooit veilig.
Wat Lernous hier aanraakt is een topos binnen het horrorgenre: de gedachte dat je kind je kind niet is, maar een vreemd wezen dat erop uit is je af te slachten. Of omgekeerd, vanuit het perspectief van dit jonge publiek in de zaal: de angst dat je ouders, je broer of je zusje niet zijn wie je denkt, maar dat ze diep vanbinnen monsters zijn. De essentie is dezelfde: de ander is niet kenbaar, niet transparant, jij bent nooit veilig. Een psychoanalytische waarheid als een koe, hier door Lernous vakkundig omgezet in griezelig gaaf jeugdtheater.
In ieder geval is de uitwerking van de ontwrichting door ‘oom Sjarel’ reëel: een volksgericht, een dode, een dorp dat achterblijft met een collectief schuldgevoel. Secuur weet Lernous het allemaal bij elkaar te brengen: de filmische scèneopbouw (licht ook door Sven Van Kuijk), het ruimtelijke spel met ‘binnen’ en buiten en met voor- en achterscène, de spanningsopbouw, niet alleen veroorzaakt door het plot maar meer nog door het uitgebalanceerde (en fysiek verfijnde) spel van de cast. Wanneer het onbenoembare kwaad aan het eind een naam krijgt, blijven we achter met een existentieel onbehagen, en de vraag wie dat eigenlijk is, de persoon die we vanavond met een knuffel en een nachtkus in bed steken.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz