Saved game Peter Seynaeve & Julia Ghysels / Het Zuidelijk Toneel
Rouw als een helletocht
‘Saved Game’ van Het Zuidelijk Toneel is een intense monoloog over rouw maar ook een brutaal statement over het onvermogen om met verlies om te gaan. Julia Ghysels speelt, Peter Seynaeve schreef de tekst en voert de regie. Het gaat niet alleen over de onmacht van een vrouw die haar tienerzoon verliest en dat zichzelf, deels terecht, verwijt. Het gaat ook over datzelfde gevoel bij ons allen, als de dood ons, overlevenden, treft. Waar eindigt rouw, áls ze ooit eindigt? Welke illusies houden je dan recht? Julia Ghysels zet virtuoos een aangrijpend portret neer. Tot je aan de werkelijkheid van de ellende gaat twijfelen.
Alle theater gaat over de dood. Het theater ís de dood zelf, zoals de bevlogen theaterdenker Herbert Blau ooit zei. Zodra een levende speler een andere persoon belichaamt, maakt zij/hij die persoon dood, als die al niet dood is. Wie dan de dood, en zeker het rouwen over de dode geliefde tot thema van het toneel zélf maakt, zit helemaal in een donkere tunnel. Wij toeschouwers kunnen dan hoogstens speuren naar een lichtpuntje.
Tot in den treure
Dat gebeurt maar zelden. Sinds Elektra, in ‘De Offerplengsters’ van Aischylos een halve tragedie lang weent en klaagt bij het graf van haar vermoorde vader, is onophoudelijke rouw om definitief verlies een hoofdthema in treurspelen – in zo’n geval een wel zeer accuraat woord. Na de collectieve moordpartijen die Europa in de 20ste eeuw teisterden werd dat alleen maar explicieter, van Samuel Beckett tot Sarah Kane. Zij voeren haast voortdurend figuren op die rouwen over de doden die ze zelf, onmachtig, belichamen.
In ‘Saved Game’ speelt die rouw zich af in een realistisch kader, maar de naoorlogse schriftuur die én scherper én poëtischer werd, laat ook bij deze voorstelling van Peter Seynaeve en Julia Ghysels zijn sporen na. De werkelijkheid ontspoort. De makers reiken verder dan de anekdote van de moeder die onverwacht tegen een paal botst. Zij blijft verlamd, maar haar zoon is dood. Er volgen concrete zelfverwijten, maar door de intensiteit waarmee ze uitgedrukt worden overstijgen ze de feiten.
We blijven kijken, maar steeds meer in stilte, met ingehouden adem, met gêne zelfs over de inkijk die de vouw in haar gevoelswereld geeft.
We blijven ernaar kijken, eerst nog even grinnikend over de snelle sprongen die Ghysels’ personage maakt, in haar verwoede pogingen om zich uit te drukken, maar steeds meer in stilte, met ingehouden adem, met gêne zelfs over de inkijk die ze in haar gevoelswereld geeft. We vernemen snel waar het om gaat. Zij is een moeder met een job – dat is de eerste zin – bij een bedrijf dat feestkleren voor kinderen maakt en verhuurt. Feestkleren die kinderen vaak zelf ontwerpen, met onhandige tekeningen: zo ontstond de populaire ‘roze frommel’, getekend door een kind van twee.
Geheimen
De vrouw zit op een stoel, ze kan meer niet lopen. Tot ze opstaat en wél loopt. Dat verzwijgt ze echter voor haar man. Thuis zit ze zelfs in een rolstoel. Een klant herkent haar en verklaart haar zijn innige deelneming. Zo komen we te weten dat ze slachtoffer werd van dat verkeersongeval met fatale gevolgen. Zo vernemen we ook dat haar man al maandenlang bouwt aan een monument naar een schets van hun overleden zoon Tommy.
Vanaf het moment dat ze opstaat en zo een eerste geheim met ons deelt, gaat haar verhaal – de vrouw krijgt nooit een naam, net zo min als haar man – twee richtingen uit. De ene richting is die van de langzame onthulling, als een ui dat afgepeld wordt, van de achtergronden van Tommy’s dood en van zijn monument. Waarheid en leugen zijn hier amper van elkaar te onderscheiden. De boze buurman vertelt een publiek geheim (iedereen in de straat háát het bouwsel), Tommy’s vriendinnetje doet een schuldbewuste bekentenis (iets pijnlijks over Tommy’s tekening). Tot op het punt dat je even gaat twijfelen aan het hele verhaal, over het ongeval en het monument, waarmee Tommy’s moeder, met geloofwaardige overtuiging nochtans, ons geraakt heeft.
De moeder vereenzelvigt zich met de beer in de saved game, en via die weg ook met haar dode zoon.
De andere richting is die van de mentale aftakeling van de moeder. Je krijgt door dat ze zich hult in oversized kleren. Misschien behoorden die toe aan haar zoon, een fanatieke skater die een poster van Tony Hawk met zijn eigen hoofd erin gefotoshopt in zijn kamer had hangen. Of ze kijkt urenlang naar de saved game, het opgeslagen computerspelletje dat Tommy en zijn vriendin speelden. Iets met een beer die van rotsen en klippen springt, waarschijnlijk een adventure game van lang geleden, genre ‘Mystery House’ of ‘Monkey Island’. Ze gaat zich even hoekig bewegen als de robotachtige figuurtjes van toen.
Aftellen en loslaten?
De geheimen die hij wilde ontcijferen, in zijn game, kan ze desondanks niet achterhalen, hoezeer ze zich ook met Tommy identificeert. Er duiken evangelische idealisten, frauduleuze helderzienden, hatelijke buren op. Ze telt af: “Ik tel tot 8 9 10 / en hoop dat dit niet echt is”. Aftellen tot het moment dat ze kan loslaten. Maar wat rest er dan nog van haar zelf? De ruimte (decor van Johanna Trudzinski) ziet er dan al helemaal uit als een sluikstort met achtergelaten huisraad. Het grote doek op de vloer wordt nu helemaal zichtbaar. Er staat een verhakkelde auto op afgebeeld. Het fel rode doek zou een bizar tentzeil van botsauto’s op de kermis kunnen zijn, maar lijkt ook op een serigrafie uit Andy Warhols ‘Death & Disaster’-reeks – Warhol was gefascineerd door dodelijke auto-ongelukken. De ruïne is compleet, maar wel artistiek verantwoord.
Alle onheil is geschied. De waarheden die onthuld worden verlichten of verzwaren de rouw nauwelijks.
De vertelling heeft niets dreigends. Alle onheil is immers geschied. De waarheden die onthuld worden verlichten of verzwaren de rouw nauwelijks. Ondanks die relatieve berusting zorgt een donkere soundscape van Gode Kempen voor een ongemakkelijk gevoel, als het toch nog erger kan. Het geluid is er altijd, maar het illustreert of benadrukt niets, het is ook geen tapijtje dat de ellende draaglijker zou maken. Soms is het wel (bewust) storend, alsof een telefoon heel zachtjes blijft rinkelen – tot je het toch kan negeren, misschien is het gewoon verdwenen. Trage onrust dus, zonder nadruk, in fel contrast met de acteeracrobatie, soms nét erover, van Julia Ghysels.
Peter Seynaeve schrijft en regisseert eerder zelden maar telkens is er een beklemmende precisie in zegging en gebaar, zonder dat het eruit ziet als een spelopdracht. In een ver verleden – 2006 - maakte hij het kleinood ‘Je ne comprends pas’. Een meisje aan het strand wacht daarin tevergeefs op haar broer. Is hij dood, of verzint ze dat enkel? Haar blik geeft niets prijs. Zoals de moeder zonder naam in ‘Saved Game’ ook geen waarheid laat doorschemeren. Tristesse in overvloed, woede op zichzelf en op haar dwaze man. Even stilte als het donker wordt, aarzelend applaus, dan toch.
Genoten van deze recensie?
Vind je het belangrijk dat zulke verdiepende beschouwingen over de podiumkunsten blijven verschijnen, vrij toegankelijk voor iedereen? Steun pzazz als lezer vanaf 1 € per maand.
Wij doen het zonder subsidies. Met jouw bijdrage kunnen we nog meer voorstellingen aandacht geven en onze auteurs, eindredacteurs en coördinator blijven vergoeden. Pzazz is er voor jou, maar ook een beetje van jou.
Steun pzazz